Mogen wij boze geesten vervloeken?

  • ‘Denk erom, Ik zeg u, als u geloof hebt en niet twijfelt, zult u niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd (overgegeven aan de destructieve demonen van de duisternis), maar zelfs als u tot deze berg (boze geest) zegt: Hef u op en werp u in de zee (de afgrond), het zal gebeuren’ (Matth.21:21 en Marc.11:20-24).

Door sommige Schriftuitleggers wordt de opvatting gehuldigd, dat er meer demonen in de Sahara rondzwerven dan in steden als New York of Amsterdam. Zij baseren deze naïeve gedachte op Bijbeluitspraken als in Lucas 11:24, waar staat: ‘Wanneer een onreine geest iemand verlaten heeft, dwaalt hij rond door dorre streken, op zoek naar rust. Vindt hij die niet, dan zegt hij: Ik ga terug naar mijn huis, waar ik vandaan kom’. Hier wordt dan de uitdrukking dorre plaatsen geheel letterlijk genomen, maar het woord huis niet. Dit is dan het beeld van het menselijke lichaam.

Toen Jezus over het onzichtbare koninkrijk der hemelen sprak, deed Hij dit in gelijkenissen (Matth.13:10). Deze moeten niet gedeeltelijk, maar geheel getransponeerd worden naar de geestelijke wereld. Voor hun bestaan zijn demonen niet afhankelijk van de zichtbare wereld, want het zijn geestelijke wezens. Om werken voort te brengen zijn zij wel aangewezen op de levende schepping. Zij worden onrustig, wanneer zij hun destructieve aard niet kunnen uitleven in de zienlijke wereld. Om zich te verzadigen willen zij zich verbinden met levende wezens. Wanneer zij uitgedreven worden, komen zij automatisch weer in hun eigen plaats in de onzienlijke wereld, namelijk het rijk van de duisternis waaronder zij van Godswege geplaatst zijn. Deze omgeving is een ‘dor land’, want de dood voert er de scepter en licht en leven worden er niet gevonden.

Het verzetten van bergen

Een ander beeld, dat Jezus over de geestelijke machten van de duisternis gaf, wordt in Mattheus 17 gevonden. Hier lezen wij dat een maanzieke jongen tot Jezus gebracht werd. De leerlingen waren onmachtig hem te genezen. In dit opzicht waren zij te vergelijken met de zich christelijk noemenden van vandaag, die ook geen reddingsboodschap voor zieken en gebondenen hebben. Jezus bestrafte de ongelovigheid van zijn volgelingen en wierp de boze macht uit. Hij deed dit door een bestraffend bevel. Daarna zei Hij: ‘Als u een geloof hebt als een mosterdzaad, zult u tot deze berg zeggen: Verplaats u van hier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.’ Ook in dit geval zijn er uitleggers die menen dat Jezus sprak over bergen als de Thabor, de Mount Everest of de Sint Pieter.

Maar in het nieuwe Testament – en vooral in het laatste Bijbelboek – zijn bergen beelden van geestelijke machten. Zo zit de afvallige kerk als de Babylonische hoer op zeven bergen, die hun grondslag in de afgrond hebben. Dit zijn dus zeven geesten die uit de abyssus opstijgen. De berg Sion echter is een hoge en verheven berg. Hij is het beeld van de Heilige Geest, de hoogste en verhevenste geestelijke macht, waarop het nieuwe Jeruzalem, de gemeente van Jezus Christus, rust (Op.17:9 en 21:10).

Wanneer Jezus spreekt van het verplaatsen van bergen naar het hart van de zee, bedoelt Hij dat wij door het geloof Satans demonen kunnen dwingen uit te varen om hen te werpen in de zee, het beeld van de afgrond. Wanneer de mens God en zijn Zoon blijft verwerpen, komt het oordeel. Dan zal hij in zijn angst zich richten tot de machten die hij gediend heeft. Jezus drukte dit vasthouden aan de onzichtbare boze geesten zo uit: ‘Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Val op ons, en tot de heuvelen: Bedek ons’ (Luc.23:30; Op.6:16). Als tegenstelling zoeken de kinderen van God in de dag van de Heer hun schuilplaats bij de Allerhoogste:

  • ‘Want op de berg Sion zal ontkoming zijn’, dat wil zeggen door de kracht van de Heilige Geest zal er overwinning zijn over de machten van de duisternis.

Dorre plaatsen

Bij het optreden van de Zoon van God wordt de kreet van de demonen gehoord: ‘Bent U gekomen om ons te vernietigen?’ (Marc.1:24). In het land van de Gerasenen roepen zij: ‘Bent U hier gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen!’ (Matth.8:29). Deze pijniging van de geesten wordt teweeggebracht door hen uit de mens, in wie zij huizen, weg te drijven. Dan moeten zij de zichtbare wereld verlaten. Zij worden naar hun eigen terrein verwezen, het rijk van de duisternis of de afgrond: ‘Zij smeekten Hem, dat Hij hun niet het bevel zou geven zou naar de afgrond te gaan’ (Luc.8:31). Jezus sprak: ‘Zodra de onreine geest van de mens is uitgegaan, gaat hij door dorre plaatsen om rust re zoeken, maar hij vindt die niet.’

Op hetzelfde ogenblik dat de demon de mens verlaten moet, bevindt hij zich alleen in dat deel van de onzienlijke wereld waar geen leven is, maar de dood heerst. Hij komt in de geestelijk dorre plaatsen. Dit betekent dat hij niet meer via de mens zijn werken in de zichtbare en tastbare wereld verrichten kan. Hij kan geen handen, voeten en mond meer gebruiken om zijn wetteloos werk tot stand te brengen. Hij kan niet meer liegen, stelen of onreine dingen zeggen of doen. Hij is teruggeworpen in dorre plaatsen, in krochten van de duisternis, of in de afgrond. Het uitdrijven van een geest bestaat dus uit het ontbinden van diens macht over de mens en het verwijzen van zo’n geest naar zijn eigen plaats in de onzienlijke wereld. In hun radeloosheid verkiezen de demonen het verblijf bij de dieren. Het legioen smeekte: ‘Stuur ons naar de zwijnen, dat wij daarnaar toe gaan.’

Waarom vragen zij aan Jezus om hen niet buiten de landstreek te zenden (Marc.5:10)? Er zijn geesten die bij voorkeur met hele divisies in bepaalde landstreken opereren. Zo zijn koppigheid, lichtzinnigheid, onreinheid vaak typische, zondige eigenschappen van bepaalde steden en gewesten. Net als ‘vrome geesten’ die ook hele gebieden bezetten, houden deze demonen landstreken onder druk. Dikwijls vereenzelvigen de mensen zich zo met deze geesten, dat zelfs kinderen van God beweren dat zij nu eenmaal zo zijn. Zij zien niet in dat zij gescheiden moeten worden van deze demonen om waarlijk verlost te zijn. Jezus kwam om de mens te herstellen en te verlossen, dat wil zeggen hem terug te brengen tot zijn oorspronkelijke staat en hem van al zijn vijanden te bevrijden. Wanneer onze ogen daarvoor geopend zijn, kunnen wij van land tot land, dikwijls zelfs van dorp tot dorp en van geslacht op geslacht, deze machten die verschillend werken, tegenkomen.

Het vervloeken van boze geesten

Wat houdt het vervloeken van boze geesten nu in? Vloeken is gebruik maken van het gesproken woord om onheil en destructie te bewerken. Dit woord staat in tegenstelling met zegenen. Vloeken is het brengen van een persoon of een ander schepsel onder de machten van de duisternis. Wanneer de aarde om Adams wil vervloekt wordt, wordt deze een prooi van boze machten. Zij gaat distels en doornen voortbrengen en waar de ontbindende machten hun werk gedaan hebben, ontstaan woestijnen en dorre plaatsen. Wanneer de vloek over de historische stad Babel komt, wordt zij als Sodom en Gomorra en de streek blijft onbewoond. Alleen de lugubere roofdieren zullen er rondzwerven (Jes.13:19-20). Wanneer de vloek over het geestelijke Babylon komt, wordt het in de hemelse gewesten tot een dorre plaats:

  • ‘een woonplaats van duivelen, een schuilplaats van alle onreine geesten en een schuilplaats van alle onrein en verfoeid gevogelte’ (Op.18:2).

Waar de duivel heerst, komt dorheid, doodsheid, ruzie, verdeeldheid, geestelijk isolement, depressie en geestelijke duisternis. Wanneer Jezus een vijgenboom vervloekt, verdort deze vanaf de wortel, een beeld van de werking in het verborgene. Waar de machten van de mens gescheiden worden, hem verlaten en verwezen worden naar hun eigen plaats, treedt herstel in. Wanneer de leerlingen zich erover verwonderden dat de vijgenboom direct verdord was, zei Jezus: ‘Denk erom, Ik zeg u, als u geloof hebt en niet twijfelt, zult u niet alleen doen wat met de vijgenboom is gebeurd (overgegeven aan de destructieve demonen van de duisternis), maar zelfs als u tot deze berg (boze geest) zegt: Hef u op en werp u in de zee (de afgrond), het zal gebeuren’  (Matth.21:21 en Marc.11:20-24).

Hier valt hier op dat geestelijke machten zeer actief zijn, want er staat dat zij, na de vervloeking door Jezus, hun werk direct ‘deden’. De Heer laat de leerlingen de mogelijkheid zien om in het geloof deze machten weer te verdrijven en herleving van deze boom mogelijk te maken. Door het geloof is opheffing van iedere vloek mogelijk. Paulus sprak in 1 Cor.13:2 over een geloof, dat bergen kan verzetten. De geesten worden dan opgeheven en teruggebracht naar hun dorre plaatsen. Jezus sprak: ‘Als Ik door de Geest van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen.’ De hele schepping, die onder de vloek ligt, zal deel hebben aan dit herstel door Jezus, maar zij wacht op het openbaar worden van de zonen van God. Deze zullen niet alleen hun gebonden medemensen bevrijden, maar zich ook stellen tegen de verdrukking die via de boze machten op de hele schepping rust. Door het uitspreken van een vloek legt men een verbinding tussen de onheil bewerkende machten en een bepaald deel van de zienlijke schepping.

Zo spreekt Paulus twee maal een vervloeking uit. In de eerste plaats over hen die Jezus niet liefhebben en ten tweede over hen, die een ander evangelie brengen dan hij verkondigd had (1 Cor.16:22 en Gal.1:8,9). Wij wijzen hierbij op de verschrikkelijke strekking van de Hollandse vloek, waarbij een mens zichzelf overgeeft aan de machten van de duisternis. Bij het vervloeken van boze geesten worden deze teruggeworpen op hun eigen basis. Vervloeken is dan een andere uitdrukking voor het verwijzen naar de afgrond. Daar kan deze geest geen ontbindend werk meer verrichten. Daar is geen leven te vernielen en daar is ook niets meer stuk te maken. Hij wordt daar in zijn activiteit en krachtsontplooiing aangetast. Zijn wezen is wetteloosheid en zijn werk: ontbinden, ruïneren en naar de dood voeren.

De uitgeworpen demon is als de musicus, wie men het spelen belet. Deze wordt onrustig, omdat hij zijn aard niet kan uitleven. Als tegenstelling kan van de kinderen van God gezegd worden, dat zij geschapen zijn om goede (rechtvaardige) werken te doen. Zij kunnen daar niet buiten. Dit is het element waarin zij leven. Vallen zij in zonde, dan voelen zij zich als een vis op het droge.

Mogen wij boze geesten vervloeken? Mogen wij de boze geesten die hun beginsel verlaten hebben en de plaats hebben ingenomen, die God voor zichzelf tot woning heeft verkoren, terugwijzen, in de naam van Jezus, naar de plaats die God hun toegewezen heeft, de afgrond of buitenste duisternis? Ja, wij zullen in de naam van Jezus de geesten oordelen, dat is scheiding maken tussen goed en kwaad, tussen licht en duisternis. Daarom zullen wij de werken van de duisternis blijven verbreken, zoals Jezus dat gedaan heeft, zodat het Koninkrijk van God over ons komt en over de hele schepping.