Medewerkers van God

  • ‘Zwaai de scepter over uw vijand. Op de dag van de strijd zal uw volk bereid zijn’ (Psalm 110:2,3).

Het ware christendom verheft de mens naar het plan van God tot het hoogste niveau. De leer dat de gelovige in wezen een slechte dienstknecht, een nietsnut, zou zijn, die ‘onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad’, is on-Bijbels. De Schrift leert juist dat het kind van God met de ongerechtigheid gebroken heeft en dat de mens van God tot alle goede werken volmaakt is toegerust. God heeft de mens tot koning in zijn schepping aangesteld en doet hier op aarde niets buiten hem om. Hoewel de Heer zich de Formeerder van de mensen noemt, hun Maker van de moederschoot aan, schakelt Hij bij dit proces de mens volledig in. Hij die het oog en het oor schept, zal dit steeds doen door middel van de wil van de man en de schoot van de moeder.

Zelfs de Zoon van God werd ‘geboren uit een vrouw’, die als dienstmaagd van God zich hiertoe vrijwillig beschikbaar stelde. Hoewel Hij niemand raadpleegt of van iemand inzicht ontvangt, doet de Heer geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten (Amos 3:7). God zoekt gemeenschap met de mens en wil ook in de nieuwe schepping niets tot stand brengen dan via de mens. Door zijn bloed nam de mens Jezus als het Lam van God, vrijwillig de zonde van de wereld weg. God was in Jezus Christus de wereld met zichzelf verzoenende, maar Hij gebruikt mensen voor het brengen van dit evangelie van genade. Er wordt niemand gered, als de kinderen van God nalatig zijn te prediken en te getuigen. Ook wordt iemand, die het evangelie hoort, alleen behouden, als hij deze boodschap van genade in het geloof aanneemt. Een mens moet dus ook actief zijn!

Jezus is de Doper met Gods Heilige Geest. Hij wil deze aan iedere gelovige schenken, maar de ware christen zal zich naar deze doop moeten uitstrekken, er om bidden en in het geloof moeten ontvangen. De Schrift kent geen lijdzaamheid. Zo schonk de verhoogde Heer aan de gemeente zijn gaven, maar de apostel dringt erop aan dat ieder lid van de gemeente naar deze uitingen van de Geest streven zal. Zo staat er ook dat ‘door zijn striemen ons genezing geworden is’, maar ook deze wordt alleen realiteit als het kind van God te midden van de beproevingen volhardend en zonder twijfel zich aan de belofte vastklemt. Jezus zei tegen zijn leerlingen: ‘Ik zal mijn gemeente bouwen’ en het zou mogelijk zijn dat men nu gaat denken, dat dit nu niet meer hoeft te gebeuren.

Maar tegelijkertijd zijn er ‘apostelen, profeten, herders, leraars, gaven en krachten aangesteld om het lichaam van Christus op te bouwen en het te brengen tot de mannelijke rijpheid’ (Ef.4:11). Zo troostte de Heer bij zijn heengaan de leerlingen met de woorden: ‘Hou goede moed, Ik heb de wereld overwonnen!’ Jezus heeft ‘de overheden en machten ontwapend en openlijk ten toon gesteld en zo over hen gezegevierd’ (Col.2:15). Hij heeft laten zien wie ze waren en ze moesten voor zijn gezag wijken. Er zijn naamchristenen, die bij het horen van deze woorden zeggen: ‘Dit is heerlijk, nu hoeven wij niet meer tegen de overheden en machten te strijden. Jezus deed het immers voor ons! Wij hoeven slechts een beroep te doen op het bloed van het Lam en de duivel moet wijken’. Maar zij vergissen zich en door dit gebrek aan kennis worden zij een prooi van boze, liefst vrome demonen.

De Heer zegt tegen zijn gemeente: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen en zit met mijn Vader op zijn troon’ (Openb.3:21). Jezus heeft tegen de overheden en machten gestreden en de apostel zegt tot de kinderen van God, dat ze niet zullen strijden tegen vlees en bloed, maar dat zij juist een wapenuitrusting hebben ontvangen om te strijden tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis en de boze geesten in de hemelse gewesten (Ef. 6:12). In het rijk van God erft men niets automatisch. Alleen wie strijdt en overwint op dezelfde wijze als Jezus, die zal met Hem heersen. De gelovigen gaf Hij zijn grote opdracht:

  • ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven’ (Marc.16:17). ‘Want Hij is ‘voor altijd gezeten aan de rechterhand van God, voorts afwachtende, totdat zijn vijanden (door zijn volk) gemaakt zijn tot een voetbank voor zijn voeten.’

Jezus wacht af, totdat u en ik doen wat Hij deed. Wij citeerden boven dit artikel uit de 110e Psalm de woorden: ‘Zwaai de scepter over uw vijand’. De wereld ligt in het kwaad, wij zijn door Satans demonen omringd zoals een drenkeling door het water. Kinderen van God zijn als schapen te midden van de wolven. Jezus was door de machten van de duisternis omringd, maar Hij heerste over hen. Hij dreef ze uit door zijn machtwoord en de duivelen sidderden. Hij zei: ‘Als Ik door de vinger van God de boze geesten uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God over u gekomen’ (Luc.11:20). Gods vinger wijst de vijanden aan. Hij heeft gezag en onderscheiding van geesten gegeven. Ware christenen mogen en kunnen niet anders strijden en overwinnen dan op de wijze zoals Jezus deed.

Toen Petrus het reddingsplan op het sentimentele vlak bracht en zei: ‘Dat houdt God tegen, Heer, dat zal U niet gebeuren!’ reageerde Jezus met de woorden: ‘Ga weg, achter Mij, satan.’ De vinger van God wees hier de ware verleider aan. Toen men de Heer kruisigde, maakte Hij de Vader erop attent, dat zijn beulen (de Romeinse soldaten) niet wisten wat zij deden. Zijn strijd was niet tegen mensen, maar tegen de machten van de duisternis, die Hem herkenden als de machthebber van God gezonden. Nu heerst Jezus vanaf zijn troon door middel van de gemeente. Zoals Hij geleefd heeft, zoals Hij geheerst heeft, zo wil Hij nu door zijn volk regeren over de onreine geesten van zonde en ziekte. Is het een wonder dat de psalmist vervolgt: ‘Op de dag van de strijd zal uw volk bereid zijn.’

‘Jezus roept op tot de laatste strijd!’

Wij zullen moeten heersen over onze vijanden, zodat zij buiten ons blijven en dat wij ze buiten ons weten te houden, maar Jezus roept ons ook op de machten te weren uit de levens van hen die wij heiligen, die ons het naast zijn, van hen die dreigen onder te gaan, van hen die gebonden en overweldigd zijn. Jezus sprak: ‘En de heerlijkheid, die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven.’ Jezus ontving het recht om op de troon van God als overwinnaar te zitten en deze heerlijkheid wil Hij aan iedere zoon en dochter van God geven, die met Hem overwinnen!