In de oorlog sterk geworden

‘Zeg,’ zei de kennis op koffievisite, ‘jullie gaan nou een tijdje naar een VEG-gemeente, maar jullie Auke is nog net ‘zo’ hè?’ Even vlamde het weer op. Het oude gevoel van: ‘blijf van m’n jong af!’ Had ze immers vroeger zo sterk. Als ze maar dacht, dat er iemand keek naar het kind, dan kwam ze al in de verdediging. Een scherpe terugwijzing konden ze krijgen, de mensen, die een opmerking maakten, al was het nog zo meelevend bedoeld. Even vlamde dus dat gevoel weer op, maar ze werd het direct de baas en het kreeg niet de kans haar tong in vuur te zetten. Mooie overwinning, in een fractie van een seconde behaald (gevolg van een tijdje groeien in het koninkrijk der hemelen).

Maar nu die opmerking. Hebt u dat ook weleens, dat je ineens iets moet zeggen, waarin je verantwoording aflegt van je hoop, je geloof, je vordering in een bepaalde strijd en je denkt: sjonge, ik kan nog niet juichen over de overwinning? Je zou graag met een kant en klaar getuigenis voor de dag komen, maar dat heb je eenvoudig niet bij de hand. Dus zeg je iets waarmee je in de waarheid blijft, maar niet van halleluja, wat geweldig. Zo ging het hier. De kennis kreeg op haar opmerking het simpele antwoord: ‘Er wordt aan gewerkt’. Zo’n reactie had ze blijkbaar niet verwacht; ze leek even uit het veld geslagen. Daardoor was het niet moeilijk om soepel over te gaan op een ander onderwerp.

Maar we zijn er nog niet. ‘s Middags is de kennis weg. Maar de inspirator van de opmerking heeft iets achtergelaten. Een kleine, onzichtbare handlanger, die de opdracht heeft op dit onderwerp nog wat door te borduren. ‘Al een tijdje naar een VEG-gemeente’, zeurt het handlangertje, ‘al een tijdje geloven in herstel, al een tijdje strijden, al een tijdje volharden en kijk nou eens naar dat kind … !’ Ze kijkt niet. Ze worstelt om het handlangertje van zich af te schudden. Het lukt niet meteen. ‘Jullie zijn maar bezig op je hoge weg,’ drenst hij door, ‘je blijft maar inhakken op je onzichtbare vijand, wat schiet je ermee op? Kijk dan, geen verbetering te zien!’

Hé, realiseert ze zich, wij kijken eigenlijk nooit op die manier naar onze Auke. We letten niet meer zo op zijn uiterlijk, op wat hij kan en niet kan, op wat hij doet en niet doet. En de volgende gedachte (verrast en met blijdschap): maar dat is winst. Dat is veroverde vrijheid! Wat gaan we tegenwoordig ontspannen met dit kind om. Dat ik dat nu pas zie…! ‘O.k.,’ komt het handlangertje meesmuilend, want hij kan het niet uitstaan, dat hij geen poot aan de grond krijgt, ‘goed, goed,’ zevert hij, ‘jullie hebben dan misschien een winstje geboekt, kan zijn, dat je iets minder angstvallig bent, maar dat gaat dan over jezelf. Ik bedoel: kijk naar het kind, wees eerlijk, geen vooruitgang!’

Ze denkt: een paar jaar strijd en geen vooruitgang? Is dat zo? Ze gaat het gedrag van het kind na, gisteren. eergisteren, vorige week, vorig jaar. Speurend, niet naar bewijzen voor zie je wel, geen vooruitgang, maar zo nuchter als ze kan met op de achtergrond het zeker weten: zelfs als ik nu geen blijk van vooruitgang zou vinden, dan wil dat nog niet zeggen, dat er nooit vooruitgang zijn zal. Zolang je gelooft te kunnen winnen op grond van het woord van God en met steun van de gemeente, zolang hou je een strijd vol. Of er nu vooruitgang te zien is of (nog) niet.

Voor deze geloofshouding begint het handlangertje terug te deinzen. En in deze geloofshouding vindt de moeder een punt van vooruitgang: het spel. Auke kon nooit met een ander kind spelen. Er was teveel onrust en verstoring in hem. Maar nu – sinds wanneer al? – speelt hij dikwijls met een vriendje. En dat gaat urenlang goed! ‘Dank u Heer, dat is een bemoediging. Ik wist wel, dat het (eeuwig) evangelie werkt. Het zal ook verder werken.’

Hierna kan het handlangertje niets meer uitrichten. Door satan uitgezonden om te ontmoedigen, te ondermijnen en van de strijd af te brengen, moet hij onverrichter zake terugkeren. Hij zal wel op z’n kop hebben gekregen vanwege het mislukken van de opdracht. Meer nog, hij heeft het tegengestelde bereikt. Want van deze moeder kan gezegd worden: in een middagje oorlog, wéér sterker geworden. Zo gaat dat als je de (goede) strijd niet schuwt. En niet opgeeft.