Heilige jaloersheid 

Welke aandrang uit zich krachtiger dan jaloersheid? Hebben wij hier te maken met een louter negatieve kracht of kan jaloersheid ook als een positieve stuwkracht geduid worden? De negatieve geest van jaloersheid gunt de naaste zijn waarde en positie niet en is daardoor destructief gericht op het omlaag halen van die ander. De Bijbel zegt dat jaloersheid in verband staat met zelfzucht, wanorde en allerlei duivelse praktijken (Jac.3:15,16). Er is dan ook sprake van ziekelijke ‘zelfzucht’, die in wérkelijkheid niet getuigt van gezonde eigenliefde, maar van een gehecht zijn aan een boze geest. Want de vader van alle afgunst is de satan zelf, die vanuit blinde hoogmoed zich vergreep aan Gods plan en aan Gods schepping. Dit aanranden van Gods plan en schepping is de oerbron van alle onrecht en destructie in de hemel en op aarde.

Positieve jaloersheid is tot eer of tot behoud van de naaste. De Schepper van hemel en aarde kan onmogelijk aanzien of verdragen dat de mens en het overige van zijn schepping zomaar een prooi worden van de overste van deze wereld, de satan. Dat zou ‘het grootste onrecht van de wereld’ zijn, dat de eeuwige, oneindig goede Schepper zou moeten toezien hoe zijn mensen en zijn schepping zo maar zouden zijn overgeleverd aan de willekeur, de verleidingen en druk van satan en zijn onheilige engelen. Dat nooit!, want God begeert vanaf het begin de (menselijke) geest die Hij in ons deed wonen, met jaloersheid (Jac.4:5).

Ogenschijnlijk stond God (na de zondeval) voor een dilemma. Immers hoe zou Hij die zegt: ‘niet door (brute) kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest’ (Zach.4:6), hoe zou Hij de mensen die van Hem een vrije wil hadden gekregen en die de vijand gehoorzaamden kunnen losmaken van elke gemeenschap met boze geesten. zonder zèlf ten opzichte van die mensen bruut geweld te gebruiken?

Vanuit zijn liefde, kennis en wijsheid wist God het antwoord: gedreven door zijn positieve jaloersheid probeert Hij de ongehoorzamen te verleiden – tot jaloersheid op te wekken: door de heerlijkheid en macht van de eerste Zoon van God te tonen (2 Petr.1:3-6). Deze is volkomen rechtvaardig, want in fel contrast met Lucifer, zocht de Mensenzoon niet zijn eigen eer, maar die van zijn Zender. Daardoor bleef Hij in de waarheid. En daardoor werd in Jezus nooit onrecht gevonden (Joh.7:18). Integendeel: de Zoon herstelt het recht van de Vader in de hemel en op aarde, namelijk het recht dat ieder mens die tot berouw en bekering tot Jezus komt, terug mag keren tot de Vader en tot zijn plan.

Wanneer een mens de Vader en de Zoon weer de centrale plaats geeft (in het hart en in de schepping), die Hen toekomt, dan zal er recht gebeuren! Dan zullen de ex-verloren-zonen de mantel van de gerechtigheid en de kleren van de verlossing mogen dragen. Want God heeft hen vrijgekocht met het bloed van zijn onberispelijke Zoon. En de Vader vergeeft graag en voor niets, alle schulden aan hen, die Jezus uit heel het hart liefhebben. Ook Paulus kende deze positieve, heilige jaloersheid, toen hij schreef dat Mozes voor het natuurlijke en weerspannige volk Israël profeteerde: ‘De hele dag heb Ik mijn handen uitgestrekt naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk’ en: ‘Ik zal u (Israël) jaloers maken op wat geen volk is’, namelijk de gemeente van Jezus Christus, die uit alle volken verzameld wordt. God heeft het volk Israël niet verstoten, maar sinds de komst van het nieuwe verbond, maakt God niet langer onderscheid tussen Joden en Grieken. Paulus zag duidelijk het verschil tussen het natuurlijke Israël en het geestelijke Israël (uit alle volken). Hij schreef:

  • ‘Juist omdat ik apostel van de heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, dat ik zo mogelijk de jaloersheid van mijn vlees en bloed (dus van het vleselijke Israël), mocht opwekken en (zodoende) enigen uit hen (een overblijfsel dus) behouden’. En het behoud is in niemand anders, dan in Jezus Christus de Messias, die in het nieuwe verbond geen onderscheid maakt tussen Jood en Griek.

Belangrijk is de vraag: hóe zal God, die nooit met bruut geweld tegen mensen werkt, het eindgericht voltrekken aan mensen die definitief weigeren op zijn heilige jaloersheid in te gaan? Zal de onveranderlijke goede God er tenslotte eens flink op los slaan bij de eindafrekening? God kent maar één soort ‘straf’ en wel een absoluut onvermijdelijke: wie God afwijst en blijft afwijzen, zal merken dat God zich in dat geval van hem moet verwijderen, met als gevolg dat de bedrieglijke onheilige engelen zich nu openlijk tegen ‘hun’ mensen keren.

  • ‘Zij zullen u richten volgens hun gebruiken, (en zo) zal Ik u mijn jaloersheid doen voelen’ (Ezech.23:24b en 25a).