Een rare leer tegenover de leer van Jezus

Kan een opnieuw geboren christen bezeten worden?

Het kerkblad van een gemeente, die zich breedsprakig met de naam ‘Pinksterkerkgenootschap Volle Evangelie Gemeente’ tooit, gaat op deze vraag uitvoerig in. ‘Onmogelijk!’, luidt het pertinente antwoord van een overigens niet ondertekend stuk dat deze vraag aansnijdt. ‘Ontelbare Bijbelteksten bewijzen dat’. Geen van het zevental teksten die de schrijver in de loop van zijn betoog citeert, doen daar echter een duidelijke uitspraak over. Sommige hebben hoogstens zijdelings iets met de noodzaak van heiliging of vernieuwing te maken. Over bezetenheid of gebondenheid echter geen woord.

Hoe zou een gelovige, die zich gebonden weet, een dergelijk betoog nu ondergaan, vraag je je dan af. Die moet daardoor onherroepelijk in geestelijke nood komen, als hij dat al niet is. Voor gebonden mensen zou in de gemeente van Jezus Christus dan eigenlijk geen plaats zijn; die horen er dan gewoon niet bij. Het stuk blijkt die conclusie inderdaad te trekken. Woordelijk heet het:

  • ‘Natuurlijk kunnen er in onze gemeenten, zoals trouwens overal, door de duivel gebonden mensen opduiken. Zij horen echter niet bij de Bijbelse gemeente. Normaal gesproken houden zij het daar niet vol. Nooit gaat het echter om trouwe volgelingen van Christus. Bevindt zich in de gemeente desondanks een bezetene, pas dan één van de volgende regels toe:
  • Hij is van God afgevallen.
  • Hij heeft helemaal geen nieuwe geboorte beleefd.’

Daar kan de gebondene in de gemeente het dan mee doen. De aanhangers van deze leer wassen hun handen in onschuld. De vólle verantwoordelijkheid leggen ze op de gebondene zelf. Het is immers allemaal zijn eigen schuld. Er móet immers zonde in zijn leven zijn. Misschien was hij ooit gelovig, maar nu bewijst zijn gebondenheid dat hij dat nu niet meer is. Hij is een afgevallene, een verlorene. Of misschien is hij nooit wérkelijk tot geloof gekomen en meent hij ten onrechte een kind van God te zijn.

Blijkbaar werd dit artikel als pastorale begeleiding bedoeld. Dat schijnt ook de opzet van het blad zelf te zijn. Een telefoonnummer van de redactie wordt namelijk in de colofon niet vermeld. Wél echter dat van een ‘nooddienst’, een speciale lijn die permanent bemand wordt om mensen in nood geestelijke hulp te bieden. We besluiten de telefoonpastors dus maar eens te bellen en hun onze ‘nood’ voor te leggen:

  • ‘Staat iedere gebondene nu wérkelijk per definitie buiten de gemeente van Jezus Christus? Hoe zit dat?’

De man die aan de lijn komt, blijkt de voorganger van de gemeente zélf te zijn. ‘Achtenveertig jaar sta ik al in de pinksterstroom’, vertrouwt hij ons toe. ‘En dan heb je voldoende meegemaakt om ergens over te kunnen praten’. Toegegeven, maar wat zegt hij dan van dat artikel? Nu, daar is hij zelf eigenlijk ook niet zo gelukkig mee. ‘Dat is in feite zonder mijn weten geplaatst. Veel pinksterbroeders denken er inderdaad zo over, maar ik zie dat toch wel een beetje anders’, waarop de broeder welwillend z’n standpunt uit de doeken doet.

Deze voorganger blijkt een aantal Engelse pinkstergemeenten bezocht te hebben. En met grote zegen. Twee gevallen maakten een onuitwisbare indruk. Nu is hij er nog vol van. Het eerste betrof een plotselinge genezing van een kreupel iemand. ‘Je hoorde z’n botten en z’n spieren gewoon kraken, toen ze door de hand van de Heer weer op hun plaats werden gebracht’, weet hij nu nog. Het andere betrof de bevrijding van een gebondene, trouw lid van een gerenommeerde pinkstergemeente: ‘Vierentwintig jaar lang was die broeder door een geest van haat bezet geweest, haat tegen zijn eigen dochter nog wel. Die demon had bezit van hem genomen, toen ze als kleine baby aan de borst van de moeder lag. Jaloezie zette daar de deur voor open. De meest krankzinnige dingen heeft die broeder in de loop der jaren gedaan om zijn eigen kind te verminken en het zelfs van het leven te beroven’.

De voorganger vertelt me er een paar staaltjes van ‘die ik om pastorale overwegingen maar niet aan onze lezers door moet geven’. En deze man was lid van een gemeente, vragen we. Toen hij overweldigd werd, nog niet, maar toen ik hem ontmoette, was hij inderdaad al jarenlang een lief kind van God. Dus toch? Inderdaad, geeft de pastor toe, een kind van God kan op een bepaalde sector van zijn leven door satan gebonden zijn. Zo iemand kan zich natuurlijk nooit goed ontplooien, maar blijft door zijn gebondenheid ergens geestelijk kreupel.

Maar waarom werd de man niet bevrijd toen hij tot die gemeente toetrad, vragen we. ‘Ik vermoed dat hem die bevrijding niet gepredikt werd. Bevrijding krijg je niet automatisch. Die moet je als kind van God in het geloof voor jezelf claimen en dan moet je er weet van hebben. Misschien heb je wel iemand nodig, die je daarbij helpen moet. Jarenlang had dit kind van God met dit kwaad in zijn leven geworsteld. Smeekbeden om hulp van grote Amerikaanse evangelisten als Oral Roberts hadden geen soelaas geboden. Met als gevolg dat de man in steeds diepere depressies dook. En dit kind van God deed in zijn wanhoop verschillende zelfmoordpogingen.

De ontmoeting met de evangelist uit Holland bracht echter de bevrijding waar hij jarenlang naar had gehunkerd. De Heer gaf de onderscheiding van geesten en volmacht die demon uit te drijven’, herinnert de voorganger zich. ‘Ik heb hier brieven die bewijzen dat hij op één moment volkomen bevrijd werd’. Je kunt door de telefoon horen dat hij het met nauwelijks verholen trots zegt. En waarom ook niet? Wat is glorieuzer als door Gods genade gebruikt te worden voor wat Hem het liefst is: zijn eigen kinderen!

Toch geeft het feit, dat de evangelist een geval van járen terug citeert, te denken. Het mag dan een markante ervaring zijn geweest, maar bevinden zich dan in zijn eigen groeiende gemeente – het blad vertelt dat de zaal ruimte binnenkort verdubbeld zal worden – dan geen gebondenen die vandáág bevrijding nodig hebben? De voorganger blijkt op dit punt wat pastorale reserves te hebben: 

  • ‘Je moet de duivel natuurlijk niet overál de schuld van geven, die ouwe boef heeft al genoeg op z’n straflijst staan. De satan zoekt altijd aanknopingspunten bij je oude mens en het vlees. Als je die niet ‘aan het kruis houdt’, zet je de deur voor de vijand open en die komt dan onherroepelijk binnen. We moeten de mensen de noodzaak van levensheiliging prediken.’
In feite zijn het dezelfde argumenten die in het artikel naar voren komen, hoewel die op een veel radicaler uitgangspunt vastzitten:
  • ‘De prediking van een zogenaamde demonenleer in de gemeente is uitermate gevaarlijk’. Door deze ‘valse leer’ zouden Gods kinderen automatisch in allerlei extremiteiten vervallen, De schrijver noemt er een paar: ‘Sommigen zullen de gewone ‘psychische hygiëne’ als een intieme gemeenschap met God en een gezond, evenwichtig natuurlijk leven over het hoofd zien. Eenvoudig omdat ze elk symptoom van onevenwichtigheid op rekening van de demonen schrijven. Bovendien zou deze leer een ongezonde afhankelijkheid van derden scheppen. Het zij opgemerkt dat zulke overbelaste figuren (de gebondenen dus) steeds opnieuw de zogenaamde ‘gemachtigden’ benaderen om zich opnieuw te (laten) bevrijden. Ongemerkt worden zij dan slaven van hun bevrijders.’ Anderen zouden met een ‘demonenfobie’ te maken krijgen: ‘Gods kinderen worden dan bang en beginnen overal naar demonen te zoeken. Iedere onverkwikkelijke levenssituatie wordt dan de schuld van de vijand in plaats van alles dankbaar van God te aanvaarden.’

Die laatste opmerking nu tekent de schrijver van het artikel ten voeten uit. En mét hem voorgangers, die al evenmin met gebondenheden onder Gods kinderen raad weten. Men bijt zich vast in enkele problemen, die een overtrekking van de Bijbelse boodschap van bevrijding voor gebondenen kan veroorzaken. Die kunnen hier en daar optreden.

In plaats van zich te bezinnen op de Bijbelse benadering van gebondenheid, gooit men met het badwater ook het kind weg. Gebonden mensen zouden – ook al is men jarenlang lid van een gemeente – afvalligen met verborgen zonden zijn. Of anders onbekeerde huichelaars, mensen die met een ingebeelde hemel regelrecht naar de hel gaan. Men schrijft ze zonder pardon af. Beseft men wel in welke extremiteiten men vervalt? Een ‘zogenaamde demonenleer’ heet in de gemeente uitermate gevaarlijk te zijn. Maar tegelijkertijd probeert men de goegemeente een ‘dankbaarheidspsychose’ aan te praten. We zouden de vijand immers nergens de schuld van moeten geven maar ‘alles dankbaar van God aanvaarden’: de kanker die lichamen weg vreet, huwelijken die uit elkaar gereten worden, kinderen die aan de drugs kapot gaan. Daar mag je de duivel de schuld niet van geven, daar moet je de Héér voor danken (zondag 10).

Een grotere vertekening van een God die enkel goed is, valt nauwelijks te bedenken. Wij willen echter de leer van Jezus volgen, een nieuwe leer met gezag. Lezers die nog moeite hebben met de ‘demonenleer’ die Jezus zelf bracht, nodigen we uit zich op die leer te bezinnen en de weg met ons te gaan: Het is door deze leer immers dat God verlossing biedt aan zijn volk:

  • Geloofd zij de Heer, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk (!), en heeft het verlossing gebracht, om ons te redden van onze vijanden en uit de hand van allen die ons haten, opdat Hij ons zou geven, zonder vrees, uit de hand van de vijanden verlost, Hem te dienen in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen’ (Lucas 1:68-75).