Kan de wil van de mens gebonden zijn?

  • ‘Laat ieder die dorst heeft, komen; en laat ieder die wil, gratis het levenswater nemen’ (Op. 22:17).

Wie de Woorden van God leest, komt bepaald niet onder de indruk van de wil van de mens. Integendeel, Gods soevereine wil staat centraal in het koninklijke verlossingsplan dat Hij voor zijn schepsels heeft en waarin koningskinderen uit eigen beweging, gratis mogen nemen van het levende water. Wanneer God mensen roept, blijkt dikwijls hun onwil en er wordt maar al te vaak tegengestribbeld. Zo ook Jeremia. Hij hoort bij de grote profeten, maar toen hij geroepen werd, verzette hij zich met hand en tand: ‘Ach Heer, ik kan niet spreken, want ik ben jong’. En Mozes was ook zo: ‘Wie ben ik, zend toch iemand anders’. En toch werd uitgerekend hij de bemiddelaar van het oude verbond.

Ook Saulus was niet echt gewillig; hij was zelfs anti en nog fanatiek ook. Hij verwoestte de gemeente in Jeruzalem, sleepte de gelovigen hun huizen uit en leverde hen over in de gevangenis tot de Heer hem riep. Toen bekeerde de ontspoorde Saulus zich en werd hij op het goede spoor gezet, waarna hij de invloedrijkste apostel werd.

De wil van de mens is belangrijk in het Gods verlossingsplan, met name het aspect van de eigen persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Ieder individu – bekeerd of onbekeerd, gebonden of vrij – heeft in zekere zin een eigen vrije wil, die door God volledig wordt gerespecteerd. Helaas kan de wil van een mens gebonden zijn. Regelmatig zijn er mensen, die heel actief in de gemeente bezig zijn, maar achteraf bezien de hoge weg met Jezus toch niet willen bewandelen. Ook zijn er anderen in de gemeente, die wel voor een deel willen leven naar het eeuwig evangelie, maar toch hebben zij nog hun ‘eigen’ sterke wil en buigen hun hoofd niet voor Jezus Christus. Zij slurpen allen energie op van andere gemeenteleden.

Wat is er met deze mensen aan de hand? En hoe moet de gemeente hierin handelen? Kunnen deze onwillige mensen gewillig worden door bijvoorbeeld handoplegging? Het gevaar van het opleggen van handen bij een onwillig iemand, is dat het allemaal buiten de persoon met zijn eigen wil omgaat. Zodoende wordt de wil dan vaak als gebonden beschouwd, met als gevolg dat de bewuste persoon blind blijft voor het feit dat hij zijn eigen wil kan en mag gebruiken. En waar een wil is, is ook een weg om vrij te komen van elke band met het rijk van de duisternis. Belangrijk is echter dat men kennis krijgt van de geestelijke wereld en oog krijgt voor eigen verantwoordelijkheid, zodat men op eigen benen leert staan.

Een open gevangenis

Een voorbeeld ter verduidelijking van het bovenstaande. Stelt u zich eens voor een gevangenis met 100 gedetineerden. Er wordt prima voor hen gezorgd, er is goed eten en mogelijkheden voor recreatie; ze missen echter vrijheid van handelen, terwijl de buitendeur op slot blijft. Wat zou er gebeuren, wanneer hun werd meegedeeld dat de volgende dag tussen 11 en 12 uur alle deuren geopend zouden worden, de buitendeur incluis en dat men mocht gaan en staan waar men wilde? Grote kans dat het grootste deel van de gevangenen om 11 uur direct voor hun vrijheid kiezen.

De wil van deze gevangen mensen functioneert uitstekend. Net als trouwens de wil van gevangene, die te kennen geeft dat hij er alles voor over heeft, wanneer hij mag blijven in deze onvrije situatie. Hij voelt zich veilig achter de gevangenismuren. Deze laatste man heeft wel zo’n diep ingewortelde angst en onzekerheid opgelopen voor de hem vijandig geworden maatschappij, dat het leven in een onvrije wereld hem gerieflijker toeschijnt. De verantwoordelijkheid die hij buiten te dragen zou krijgen, rijst als een torenhoge berg voor hem op.

Stelt u zich nu eens voor dat het personeel van de gevangenis, die het beste met de man voor heeft, hem probeert te overreden: ‘Man, ga toch naar buiten, wees toch verstandig, je weet niet wat je mist, het valt allemaal best mee!’ De man zal zich uiteindelijk laten gezeggen en zich schikken naar de wil van zijn begeleiders die het goed met hem menen, zoals hij zich al zo dikwijls tegen zijn eigen wil in heeft onderworpen. Om 1 minuut voor 12 passeert hij nog net op tijd de geopende buitendeur. Deze man heeft zich laten ompraten, maar niet van harte. Zelf wilde hij eigenlijk helemaal niet; zijn (normaal functionerende) wil was anders gericht. En enkele dagen later hoort hij bij de eersten die het lege gebouw weer komen bevolken. Hij zoekt zijn veilige plekje weer op.

Maar nu de geestelijke wereld. Het is opvallend dat veel mensen wel roepen om rust en vrijheid, maar als het hen aangeboden wordt, pakken ze de hemelse vrijheid niet met beide handen aan. Gevangen mensen, zowel natuurlijk als geestelijk gezien, hebben de vrije wil om een keus te maken voor zowel vrijheid als gevangenschap. In de gemeente moet daarom nooit aan de wil van de ander getrokken worden, buiten het Woord van God om. Jezus gaf daarin het voorbeeld: Hij respecteerde de rijke jonge man die Hem eerst serieus wilde volgen, maar Hij respecteerde Hem ook toen deze te kennen gaf dat hij uiteindelijk koos voor zijn aardse bezit. Jezus liet hem gaan.

Twee soorten wil

De wil is te verdelen in 2 ‘soorten’:

  • De wil is een gewoonte: het hoort nu eenmaal zo,
  • De wil van iemand, die een bepaald, zelfgekozen doel wil bereiken.

Beide spelen een belangrijke rol in het leven van mensen. Kleine kinderen kennen alleen de eerste manier. Als vader thuis komt van zijn werk, heeft hij de goede gewoonte eerst even met zijn zoontje – een peuter – te gaan stoeien. Op een keer kan het stoeipartijtje niet doorgaan, met als gevolg dat de kleine jongen het op een schreeuwen zet. Dit had hij niet verwacht; hij kan dit niet zo vlug verwerken, niet omschakelen naar een andere situatie. Hij kan er trouwens ook niets van begrijpen. Als de jongen dan nog wat zit na te pruilen, wordt hij ten onrechte als ‘koppig’ bestempeld. In feite heeft het hem ontbroken aan omschakelingstijd met een gesprekje dat hem de kans had gegeven zich in zo’n nieuwe situatie te schikken.

Het is bij veel grote mensen al niet anders dan bij deze peuter. Wanneer in hun leven bepaalde dingen afwijken van het geijkte patroon, wanneer bepaalde schema’s doorbroken worden, is het helemaal mis bij hen. Toch wil dit niet zeggen dat hun wil die aan een bepaalde gewoonte vastzit, ook gebonden is. Het is meer een kwestie van onvolwassenheid van de wil. Pas wanneer de mens echt volwassen gaat worden en zijn geest zich verder ontwikkelt, is hij in staat uit een aantal motieven een eigen keus te bepalen en zijn wil te richten op een bepaald doel met een min of meer duidelijke doelvoorstelling. Pas dan is hij in staat ‘nee’ te zeggen tegen oude paden en ‘ja’ tegen een nieuwe, geheel eigen weg. Dan pas is de mogelijkheid geopend voor een bewuste wandel met Jezus. Zo’n wil is nooit gebonden, maar steeds in vrijheid gericht op de verwezenlijking van het doel: de levensweg met Jezus gaan. God verlangt zo’n wil, zo’n radicale houding.

Naast de bewuste wil kunnen nog allerlei anders gerichte willetjes een rol spelen. Mensen willen Jezus volgen, maar ook zelf de touwtjes in handen houden. Mensen willen kind van God zijn, maar hebben ook de drang naar bezit of eer. Ook het willen-uit-gewoonte kan een radicale keuze in de weg staan. De oorzaak van zo’n ‘gelaagdheid’ kan liggen in een vage, onduidelijke doelstelling, dus gebrek aan geestelijk inzicht. God wil dat de mens het doel met zijn leven duidelijk voor ogen heeft. Dit vraagt bezinning en onderwijs.

Wat geweldig, een God te hebben die zowel het willen als het werken in de mens werkt. Juist door het brengen van het Woord en door het werk van Gods Heilige Geest krijgt een opnieuw geboren christen steeds meer weet van Gods wil en wordt zijn wil zeer sterk. Opnieuw geboren christenen kunnen getuigen dat zij aanvankelijk maar weinig werkelijke wil toonden om de Heer echt te volgen. Niet omdat hun wil gebonden was, maar vanwege het feit dat hun wil al van jongs af aan misleid of onderdrukt was. Door de confrontatie met God zelf kregen zij weer inzicht in zijn bedoelingen en konden zij zich gaan richten op God welgevallige zaken en op daden van geloof.

Ik wil niet

Een bekend psychiater beschrijft in een werk de genezingsgeschiedenis van 5 van zijn zwaar gestoorde (gebonden) cliënten, waarvan we hier een willen aanhalen. Tijdens de eerste periode in de behandeling was er met deze vrouw geen land te bezeilen; elke poging haar wat meer zelfstandig te laten zijn, ontaardde in woedeaanvallen en fel verzet. In alle zaken wilde zij geheel afhankelijk blijven van de haar omringende staf van medewerkers, tot zelfs in het voeren van het eten toe. Hoewel zwaar gebonden, geeft deze vrouw op een gegeven ogenblik uitdrukkelijk te kennen:

  • ‘Ik wil niet, ik ben ziek, dat zie je toch wel!’

De onverstoorbare, toegewijde arts weet echter voor haar een trainingsproces op gang te brengen en geleidelijk aan leert de cliënt zelfstandig te worden, totdat zij na jaren van intensieve begeleiding ontslagen kan worden om te gaan wonen in een eigen flatje in de stad.

Dat deze patiënt een duidelijke eigen wil naar voren bracht, lijdt geen twijfel. Zelfs komt in dit voorbeeld naar voren dat bij zo’n patiënt de wil kan veranderen. Een diepe wens, geheel te zijn zoals kleine kinderen, om geheel verzorgd te worden, was haar kinderlijke wil. Elke verandering werd als een bedreiging gezien. Deze onderontwikkelde en misleide wil werd met zeer veel menselijke inspanning van jaren en onder een bepaalde dwang langzaam maar zeker omgebogen in de richting van een zelfstandig willen leven. Wat met natuurlijke middelen al niet te bereiken is!

Toch is bovengeschetste weg niet de juiste. Bedoelde vrouw is immers nog steeds bezet gebied, zij het in een voor de buitenwereld wat meer acceptabele situatie. Ze heeft, na jaren van inspanning, geleerd om met haar problemen te leven. Maar is ze werkelijk gelukkig? Ze kan zich met de nodige moeite net staande houden; ze leeft niet vanuit een heerlijke ontspannenheid tot eer van God.

De gemeente van Jezus Christus wil geen begeleider zijn, die de mens overtuigt van zijn ongelijk; zij zal ook geen therapeut zijn, die de ander traint in een meer zelfstandige levenshouding. Haar taak is: de mens wijzen op zijn hoge roeping, op het feit dat hij kostbaar is in Gods oog en dat God zijn volle heerlijkheid in hem wil openbaren. Iedereen die wil, mag komen. Ja, de weg tot God en zijn geluk is voor iedereen open.

Men hoeft niemand die niet werkelijk wil, op sleeptouw te nemen. Men mag uitnodigen en aanmoedigen, maar men zal de wil van de mens moeten respecteren. U, die met zorg vervuld bent over de geestelijke toestand van een familielid of kennis en uzelf geen rust gunt in uw activiteit om de ander te helpen, u geldt: laat hem of haar innerlijk los. Het is Gods zaak én een zaak van vrije wil van de mens. Net als de rijke jonge man heeft hij een eigen wil en verantwoordelijkheid. Als u innerlijk afstand neemt is de kans op inkeer des te groter.