Het verwijzen van demonen naar de afgrond

  • ‘En de engelen die hun oorspronkelijke staat niet hebben bewaard, maar hun eigen woonplaats verlaten hebben, heeft Hij voor het oordeel van de grote dag met eeuwige boeien in de duisternis in verzekerde bewaring gesteld’ (Judas 6).

In Judas 6 staat dat God de engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woonplaats verlieten (Gen.6:2), voor het oordeel van de grote dag met onverbreekbare boeien in de onderwereld heeft gevangen. De eigen woning van deze geesten was de hemel of onzienlijke wereld. Er zijn slechte engelen, die onwettig hun intrek hebben genomen in de mens, dus in de zichtbare wereld. Voor deze gevallen engelen geldt, dat hun plaats is in de donkerheid, dit is in het dodenrijk, waar zij onder banden gevangen blijven tot het laatste oordeel. Dan zal het dodenrijk al zijn gevangenen moeten teruggeven. De uiteindelijke bestemming van deze duivelen is dan de vuurpoel.

Hoe komen deze gevallen engelen in de afgrond?

Allereerst moeten veel demonen, met de mens – in wie zij met goedkeuring van dezelfde mens hun woning hadden gevonden – bij het sterven van hun slachtoffer mee naar het dodenrijk. Ze willen dit niet, want de gevangenschap in de Hades is voor hen een pijniging. Daarom verlaten veel inwonende geesten de stervende mens soms korte tijd voor zijn dood. Dit gebeurt dan alleen bij mensen die tegen hun wil gebonden waren en dus Satans demonen maar al te graag laten gaan. Houdt de mens ze echter vast – omdat hij de duisternis liever heeft dan het licht – dan gaan de demonen met de stervende mee naar de afgrond.

Jezus heeft echter een nieuwe weg gewezen om van de inwonende boze geesten verlost te worden. Door de kracht van Gods Geest kunnen ze worden uitgedreven. Doordat ze hun eigen woning verlaten hebben, blijft hun bestemming de gevangenis van de dood. De gevallen engelen onderkennen dit wel, want ze schreeuwden tot Jezus door de mond van een mens met een onreine geest:

  • ‘Bent u gekomen om ons te vernietigen, dat is in de afgrond in handen van de verderver of Apollyon over te geven?’

De aanvoerder van de boze geesten in de bezetene van Gadara riep Jezus toe:

  • ‘Ik bezweer u bij God, dat U mij niet pijnigt’, dat is dus naar de afgrond stuurt. ‘Zij smeekten Hem dat Hij hun niet zou bevelen naar de onderwereld te gaan’ (Luc.8:31).

Uit deze tekst blijkt wel dat hier sprake is van bevelen. Wanneer dit gedaan wordt in de zogenaamde bediening, is dit in navolging van wat Jezus Christus deed, wetend dat de Heer aan dit gebed kracht zal verlenen.

Het is mogelijk dat een onreine geest tijdelijk de door hem bezette woning verlaat en rond gaat zwerven om ergens anders ‘rust’ te zoeken in een mens. Wanneer dit niet lukt, komt de demon terug, vergezeld van andere boze geesten, die van hogere rang zijn. Het gaat hier dus over machten die niet uitgedreven werden in de naam van Jezus (misschien door duivelbezweerders als Handelingen 19:13-16 vermeldt). Hun was ook niet bevolen naar de afgrond te gaan. Ze gingen slechts tijdelijk heen naar dorre streken en zochten een nieuwe woning: een ander mens.

Wee de mens die deze bendes demonen vrijwillig binnenlaat in zijn woning.