Genezen herinneringen

Margo, 18 jaar en net geslaagd voor het rijexamen, zou gaan logeren bij een vriendin in Zeeland. Thuis hadden ze een auto, maar voor een keer zou ze nog eens met de trein reizen. De opkomende hoofdpijn tijdens de reis kwam, dacht ze, door het gedender van de wielen op de rails. ‘Ik ben het eigenlijk niet meer gewend’, dacht ze. Ze kwam een trein eerder aan dan was afgesproken. En hoewel ze te ziek was om te lopen, ging ze toch maar op weg naar haar logeeradres. Het kleine koffertje dat ze bij zich had, woog als lood en bij iedere stap was het of mokerslagen op haar hoofd neerkwamen.

De dokter stelde vast dat Margo een hersenvliesontsteking had. Drie weken lag ze in het ziekenhuis. Later kwam daar nog eens de ziekte van Pfeiffer overheen. Acht maanden later dan de bedoeling was, kon ze aan de vervolgopleiding. Lichamelijk was ze weer hersteld. Maar haar geheugen had een tik gekregen. Hele periodes van voor haar ziekte waren ‘witte vlekken’ geworden.

Weg geroofd

In haar jeugd werd bij Margo thuis uit de kinderbijbel gelezen. Als zij vroeg of het waar was wat daarin stond, werd geantwoord: ‘Nee hoor, Jezus was een of andere ‘wonderman’ die heel bijzondere dingen deed, maar waar was het niet.’ Als volwassen vrouw besefte Margo later dat er toen iets kostbaars werd weg geroofd. Een diepgeworteld Godsbesef dat ieder kind bezit.

Jaren later, ze was met haar man, Lou en drie kinderen in een gemeente terechtgekomen waar het eeuwig evangelie werd verkondigd, werkte die tweeslachtige opvoeding nog steeds na. Ze durfde zich niet toevertrouwen aan haar broers en zusters. Zo van: ‘ze zingen dat nou wel, maar is het ook zo?’ Ze was al twee jaar in de gemeente en ze vond dat ze geestelijk nog maar weinig was gegroeid. Integendeel. Ze werd steeds onzekerder en depressiever. Voelde zich buiten de kring van broers en zusters staan. Ze kon met geen mogelijkheid de geestelijke dingen vasthouden. De zondagmorgenpreek was ze thuis al weer bijna vergeten. Wat haar met veel geduld werd bijgebracht, was ze een half uur later weer kwijt!

Door depressies en moeheid verwaarloosde ze ook het huishouden. Een allesoverheersende onzekerheid verlamde haar handelen. Soms wist ze niet of ze de stofzuiger met haar linker- of haar rechterhand moest beetpakken. Lang kon ze treuzelen voor de klerenkast. Moesten de kleren nou links of rechts?

Met deze nood kwamen Margo en Lou op een avond bij het voorgangersechtpaar van de gemeente. Die hadden ook al opgemerkt dat Margo wel met heel haar hart probeerde, maar toch niet kon ‘pakken’ wat haar zo enthousiast werd voorgezet. Ze wilde wel graag, maar kon niet. Ze werd tegengehouden door duistere machten. Die avond zag haar voorganger, Margo in een visioen in een trein zitten. Ze vroegen zich af wat daarvan de betekenis kon zijn. Op het moment dat ze de Heer vroegen of Hij wilde openbaren wat het beeld te zeggen had, kreeg Margo een zware hoofdpijn. Dezelfde pijn die ze had in de trein naar de logeerpartij. ‘Ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar zou klappen’, vertelt Margo nu.

Allen beseften dat men hier met een demon te doen had, die zich sinds haar ziekte in Margo genesteld had. En die nu door de werking van Gods Geest gedwongen werd zich bekend te maken. Om spoedig daarna het veld te moeten ruimen. Tijdens het gezamenlijke gebed van het voorgangersechtpaar en haar man Lou, zakte de pijn langzaam uit Margo’s rug en haar armen en tijdens het gebed week de pijn en bewoog zich naar beneden.

‘Ik was in verwachting van ons vierde kind en ik dacht: Niet het kind, maar daar ging de pijn omheen. Het kind heeft er geen last van gehad. Dat vond ik grandioos’. De pijn bleef in Margo’s benen steken en nestelde zich tenslotte in een teen. In die fase van de strijd riep de voorganger verbolgen uit: ‘En nu is het afgelopen!’ Waarop de pijn volkomen verdwenen was. ‘Toen voelde ik me leeg, maar ook heel schoon’. Na deze geweldige bevrijding dronken de vier even wat ‘om bij te komen’ van de strijd die een half uur had geduurd.

Herinnering terug

Margo’s geheugen kwam bij de daarop volgende bedieningen stukje bij beetje weer terug. Dingen uit haar jeugd en van vóór de hersenvliesontsteking. Dingen waarvan ze zich had afgevraagd: ‘Hoe was het ook al weer?’, kwamen glashelder terug. Het was een hele stroom. Na elk voorval wat ze zich herinnerde, werd gebeden en de Heer gevraagd of Hij wilde herstellen wat in Margo’s ziel kapot was.

Het werd een ‘ontdekkingstocht’ vol verrassingen. Een genezing van herinneringen onder leiding van de Heer zelf. Zo merkte ze op een bepaald moment een vaas op in de kamer waar de bevrijding plaatsvond. Margo herinnerde zich dat bij haar thuis, vroeger ook zo’n exemplaar stond. Weer kwam een voorval boven. Margo zag zichzelf als vijfjarige in de box zitten, samen met haar jongere zusje. Haar moeder had haar daar ingezet met de opdracht op haar zusje te passen. Daarna had zij de meisjes alleen gelaten om de hond uit te laten. Met haar kleine grijphandjes zag Margo’s zusje kans de vaas aan scherven te gooien. ‘Toen heb ik vreselijk op mijn kop gehad. Terwijl ik het niet had gedaan. Ik voelde me bedrogen’. Margo’s verklaring van het gedrag van haar moeder achteraf: ‘Omdat mijn (geestelijk licht onvolwaardige) zusje een gemis had in haar mens zijn, moest ik aan een super-idee voldoen’.

Een knoop in haar hand bracht andere schrijnende herinneringen boven water: ‘Je kleren moesten onberispelijk zijn. Je mocht niet vuil zijn. Je mocht ook nooit herrie maken. Ma had altijd hoofdpijn. Je mocht niet echt kind zijn. Mijn moeder kon het niet aan’. Toch, als er onverwacht iemand binnenstapte, moest de indruk worden gewekt: hier is het gezellig. Hier loopt alles perfect. Er werd een ‘spel’ opgevoerd waarin alleen een ‘superkind’ paste. Op verjaardagen moest Margo het ‘volmaakte dametje’ uithangen. Eens vertikte Margo het zich door haar familie te laten feliciteren. Ze verstopte zich in een kast. Ze werd er vreselijk voor geslagen. In de ogen van haar ouders was Margo een ongezeglijk, brutaal kind.

Er werd nooit iets leuks van haar gezegd. Ook niet toen ze slaagde voor haar schoolexamen. Dat Margo was geslagen kon ze zich later niet meer herinneren. Ook die herinnering kwam na de bediening weer terug. Als ze weer eens een pak slaag had gehad, voelde Margo zich zo gewond en vernederd. Maar er was alleen de hond waar ze bij kon uithuilen. ‘Dat gaf zo’n troost, dat beest bleef gewoon liggen, dat was lekker warm. Ik kon er met mijn hoofd helemaal induiken. Ik zocht een stuk geborgenheid’. Ook bij haar vader vond ze dat niet. Hij was vaak aan het werk of was druk bezig met zijn hobby’s. ‘Vader heeft heel veel dingen nooit geweten’.

Litteken

Eens viel Margo tijdens het fietsen met een buurjongetje van de dijk in de buurt. Ze had een gat in haar hoofd. Ze werd naar huis gebracht, maar moeder was, zoals zo vaak, weg. Maar Margo’s moeder liet later wel voorkomen dat zij haar dochtertje had opgevangen, de wond had verzorgd en de dokter had gebeld om de wond te laten hechten. In een zomervakantie had Margo haar haar kort laten knippen. Toen zag de moeder van het buurjongetje waarmee Margo was gaan fietsen, het litteken op Margo’s hoofd. Het gesprek kwam op het ongeval met de fiets. Het bleek dat het heel anders was gegaan: de buurvrouw had Margo opgevangen en de dokter gebeld.

Ook over dit voorval gaf de Heer een openbaring. Margo zag zichzelf als het ware weer vallen. Ze vertelde de ware toedracht van het ongeval aan haar moeder. Die reageerde door vreselijk boos te worden. In Margo’s gedachten werd haar moeder zo groot dat ze de hele kamer vulde. Ook was het net of ze werd geslagen. Ze ‘voelde’ dat heel reëel. Margo en Lou, die er ook bij was, ervoeren het als een puur geestelijke strijd. Ze weerstonden de (onzichtbare) tegenstanders. Plotseling hield Margo’s moeder op met schelden. Ze keerde zich bruusk om en liep de kamer uit.

In de periode dat innerlijk bij Margo alles werd hersteld, zag ze in een visioen zichzelf in een diepe put zitten. Ver weg zag ze een licht dat via een lange gang bereikt kon worden. Nieuwsgierig liep Margo er naar toe. Verbaasd dat er nog iets anders was dan duisternis. Eenmaal in het licht gekomen, had ze een ervaring van een intens goed voelen.

Verwerping

Hoe voedt iemand, die zich zo weinig van haar eigen kindertijd herinnert en zelf zo’n moeilijke jeugd heeft gekend, kinderen op? Het eerste kind van Lou en Margo gaf geen enkel probleem. Dat was een ‘makkelijk’ kind. Daarna werd een tweeling geboren. De geboorte van het tweede kind van de tweeling ging op het nippertje goed. Dat kind werd door Margo innerlijk niet geaccepteerd. De eerste dagen distantieerde ze zich zelfs letterlijk van het kind. Als het een fles moest drinken, zorgde Margo ervoor dat altijd een ander dat karweitje deed. ‘Dat eerste jaar was een waardeloze start, met verwerping’. Er kwam wel eens de neiging in haar op geweld te gebruiken op het kind. Innerlijk werd ze daar steeds van weerhouden. Op het laatste moment zei Margo dan tegen zichzelf: ‘Dit is mijn eigen kind en ik houd ervan. Waarom wil ik dit doen?’

Aan elke influistering tot het doen van iets gewelddadigs, kon ze altijd weerstand bieden. Maar op het moment dat ze in de gemeente hoorde spreken over verwerping, realiseerde ze zich hoe ze haar kind van zich had afgestoten. Dat wat ze zelf had meegemaakt, zou ze nu bij haar eigen vlees en bloed bijna gedaan hebben. Ze beleed het als een zonde en zocht bij de Heer om bevrijding. En haar gebed was, dat haar kind zich later niets zou herinneren van het klimaat van verwerping waarmee ze het had omringd. De opmars van de familiemachten (die ervoor zorgden dat men elkaar niet meer aankeek of met elkaar praatte), was bij Margo gestopt! Het is mogelijk dat een ‘vloek’ op de geslachten wordt gestopt na voorbede en bediening in de gemeente.

Inleven

Omdat Margo zelf door zo’n diep dal is gegaan, kan ze zich des te beter inleven hoe een ander zich voelt in zo’n strijd. Dankzij het herstel dat de Heer in haar bewerkte door de bediening van broers en zusters, kon ze ook anderen gaan helpen die in de problemen zaten. Zo kwam Margo met de moeder van een schoolgenootje van haar eigen kinderen in contact. Die vrouw had een ‘alcoholprobleem’, zoals zovelen dat vandaag-de-dag kennen. Margo zocht haar eens op en tijdens een kopje koffie kwamen de problemen boven tafel. De vrouw had nagenoeg geen contacten met andere mensen. Eerst leek er een gunstige wending in haar leven te komen. Ze bekeerde zich. Maar ze viel toch weer terug in haar oude leventje. Het bleek ook dat ze haar dochtertje mishandelde.

De vrouw moest voor een kuur in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen. Lou en Margo namen haar dochtertje liefderijk op in hun eigen huis. Daarmee haalden ze een hele strijd in huis. Het meisje was bijna ‘onhandelbaar’. Had ze een agressieve bui, dan bad Margo voor haar en dan was het zo over. ‘En als we nu naar haar toegaan – ze woont niet meer hier in de buurt – dan kunnen we haar bemoedigen met de dingen die God voor haar doet. Dat Hij voor haar zorgt. Ook waar ze nu is. Dan kunnen wij haar aanmoedigen het contact met de Heer op haar manier te blijven vasthouden’. Margo is intens gelukkig als ze ziet hoe ze de kennis die ze tijdens haar eigen bevrijding verwierf, weer bij anderen kan toepassen. Haar gebed is: ‘Heer ik wil graag nog veel meer inzicht in de geestelijke wereld. En overwinning op het rijk der duisternis’.

Lou en Margo hebben een gezellig, druk gezin met vier kinderen. Ze is dol op haar kinderen en kan de drukte van haar gezin nu aan. Naast het toch wel drukke gezin, vinden ze toch nog tijd om aan het jeugdwerk in hun gemeente mee te werken en om mensen in nood op te vangen, dankzij de doorwerking van de boodschap van het Koninkrijk der hemelen. Dankzij de bevrijding en het herstel dat deze boodschap hun bracht.