Afgunst

Wie dat persé wil, ontdekt altijd wel een tekortkoming in het leven van Gods kinderen, waarbij zij die een leidende functie hebben (in een gemeente) het meest in de spotlights staan. Dit kwam ook al in het Oude Testament voor. Aäron en Mirjam waren jaloers op Mozes. Op zijn leven was echter niets aan te merken. Daarom moest het hoge woord er uit:

  • ‘Heeft de Heer soms uitsluitend door Mozes gesproken?’

Het ging hier niet om constructieve kritiek. Dat heeft iedereen wel eens nodig. Hier was sprake van mensen die ook wel eens hun stem wilden laten horen, die ook nodig eens een duit in het zakje moesten doen. Hier speelde afgunst en jaloersheid! Niemand kon Mozes ervan beschuldigen dat hij het voorrecht om Gods woord door te geven, uitsluitend voor zichzelf wilde houden. Hij was er juist blij mee als ook anderen op dit vlak gebruikt werden. Kort tevoren nog waren Eldad en Medad als profeten opgetreden. Mozes’ medewerker Jozua had dat willen tegenhouden, maar hijzelf had de wens uitgesproken dat God ook ánderen zou vervullen met zijn Geest en gebruiken in zijn dienst:

  • ‘Denk je soms dat jij voor mijn belangen moet opkomen? Legde de Heer zijn geest maar op heel het volk! Profeteerde iedereen maar!’ (Num.11:29).

Ook Aäron en Mirjam waren profeten, maar de Heer had heel duidelijk gemaakt dat de plaats die Mozes innam, in deze belangrijker was. En wel om twee redenen: Mozes was zachtmoediger dan iemand anders en bovendien was hij Gods persoonlijke vertrouwensman. In plaats van elkaar te dwarsbomen met zinloze kritiek, zou men zich ernaar moeten uitstrekken om geestelijk te groeien. De Heer gebruikt nu eenmaal die mensen die het nodige geestelijke inzicht en de nodige rijpheid van karakter bezitten om hun taak te vervullen.