De grootste nood

  • ‘Dus, broeders en zusters, wij zijn niet langer verplicht om een zondig leven te leiden. Als u een zondig leven leidt, zult u zeker sterven. Maar als u door de Geest de praktijken van het lichaam doodt, zult u leven’ (Rom.8:12,13).

‘Wilt u ook niet weg gaan?’

Johannes 6 is een tragisch hoofdstuk. Het begint zo goed: een samenkomst van 5000 mensen, allemaal mensen die Jezus volgden. Maar een paar bladzijden verder zijn al deze mensen verdwenen en staat Jezus alleen met zijn leerlingen rondom Hem (Joh.6:67). De Heer vraagt dan aan zijn leerlingen: ‘Wilt u ook niet weg gaan?’ In Joh.6:48-59 heeft Jezus over het eten van zijn vlees gesproken en dan zeggen de mensen: ‘Deze woorden zijn hard.’ En ze vertrokken. Als de Heer vervolgens vraagt of zijn leerlingen ook niet willen vertrekken, zegt Petrus: ‘Waar naar toe en naar wie zullen wij gaan? U hebt de woorden van eeuwig leven’ (vs.68). 

Er zijn veel mensen geweest, die Jezus volgden om de tekens die Hij deed. Zij kwamen met hun ziekten en gebreken. En het was goed, dat zij daarmee naar Jezus gingen. Hij genas veel zieken en vermenigvuldigde de broden. Velen, zeer velen hebben bij Hem genezing gevonden, maar zij zijn uiteindelijk weer vertrokken. Petrus had echter meer gevonden bij Jezus dan alleen hulp in materiële en zichtbare nood. Hij vond bij de Heer de woorden van eeuwig leven. Veel mensen hebben een geestelijke nood. ‘Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen de kwade gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, gemeenheid, bedrog, bandeloosheid, jaloezie, laster, hoogmoed, lichtzinnigheid. Al deze slechte dingen komen van binnenuit en maken de mens onrein’ (Marc.7:21-23). Vanuit dat hart zijn de oorsprongen van het leven (Spr.4:23). Dit wil niet zeggen dat de mens van nature al zondig is, maar de mens wordt door de satan verleid tot al deze slechte dingen. Paulus schreef:

  • ‘Ook u die dood was door uw dwalingen en uw zonden, waarin u eertijds hebt geleefd, toen u zich nog liet leiden door de god van deze wereld, de heerser over het machtsgebied van de lucht, de geest die nog altijd aan het werk is onder de ongehoorzamen. Trouwens, ook wij allen hebben vroeger tot hen behoord, toen wij ons leven lieten beheersen door zondige begeerten en deden wat onze zondige gedachten ons ingaven. Van nature waren wij een voorwerp van Gods toorn’ (Ef.2:1-3).

Hoe wordt een mens daaruit verlost?

De wet van God is goed en doet zonden kennen. Maar de wet is krachteloos, kan dat hart niet veranderen en kan geen overwinning geven over de begeerten die een mens drijven. Alle humanistische systemen zijn krachteloos. Boeddha is krachteloos, ook al zou een mens duizend malen incarneren. Het kloosterleven met al zijn zelfkastijdingen is krachteloos. Er is er maar één die dit probleem kan oplossen, nl. Jezus Christus. Hij zal zijn volk redden van hun zonden (Matth.1:21). Daarom heeft Paulus uitgeroepen op de vraag wie hem verlossen kon uit het lichaam van de dood: ‘Jezus Christus, want de wet van de Geest heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood’ (Rom.8:2). Hij alleen kan door de Geest de werkingen van het lichaam doden. Daarom zijn er bij Hem de woorden van eeuwig leven. Hij kan het hart reinigen en maken als sneeuw, wit en rein. Als u door de Geest de praktijken van het lichaam doodt, zult u leven. Maar de duizenden die tot Jezus kwamen, hebben zich om dat verdorven hart geen zorgen gemaakt.

Ook van de mensen in de dagen van Noach staat geschreven dat de geest van God van de mensen was geweken, zij waren vlees geworden (Gen.6:3). Dit was een gevolg van de zonden. De mens is dan het contact met God kwijt: hij heeft de leiding van de Geest verloren en zakt weg in wat voor ogen is, zoals een dier niet anders kent dan de lusten van zijn vlees. God heeft de mens geschapen naar zijn beeld, een mens door God geleid. De mens is gevallen. Jezus is gekomen om de mens te herstellen en de Vader een Bruid voor te stellen, die weer naar zijn beeld gelijk is, geleid door de Geest. Daarom nogmaals: als u door de Geest de praktijken van het lichaam doodt, zult u leven. Jezus is de Doper met Gods Geest. Hij geeft de gaven van de Geest tot opbouw van de gemeente. Hij geeft de gave van de genezing. Maar wat hij bovenal wil geven door de Geest, is het doden van de werkingen van het lichaam. In de gemeente te Corinthe waren alle gaven van de Geest. En toch waren deze mensen nog als onveranderde mensen (1 Cor.3:3). Zij waren nog vleselijk en moesten nog opgroeien van vleselijke tot geestelijke christenen.

In het oude verbond was de besnijdenis het verbondsteken. Het oude verbond was een verbond bestaande uit inzettingen (Ef.2:15), die een schaduw waren van wat komen zou (Hebr.10:1). Het nieuwe verbond is de vervulling: geen schaduw meer, maar werkelijkheid. En nu is een inzetting uit het oude verbond, die een schaduw was van wat komen zou, niet vervangen door een inzetting in het nieuwe verbond: de besnijdenis in het vlees is niet vervangen door de doop. Maar in de plaats van de besnijdenis in het vlees is de vervulling gekomen, de werkelijkheid namelijk de besnijdenis van het hart door de Geest van Christus, de Geest die de werkingen van het lichaam doodt. Als een Israëliet besneden was en hij leefde niet naar de wet, dan werd zijn besnijdenis als onbesnedenheid (Rom.2:25). Als een christen gedoopt is en zijn oude leven, dat naar het vlees was door de doop in de dood geeft, maar toch naar het vlees blijft leven, dan wordt zijn gedoopt zijn als niet gedoopt zijnde. Hij zal het Koninkrijk van God niet erven (Gal.5:21).

Van de mensen in onze dagen heeft Jezus gezegd: ‘Want zij zijn zoals in de dagen van de zondvloed: de mensen aten en dronken, huwden en werden uitgehuwelijkt’. Niet dat eten of drinken verkeerd is; niet dat een huwelijk verkeerd is. Maar zij erkennen niet de verdorvenheid van hun leven naar het vlees; zij zijn in een valse rust. Zo waren de mensen in de dagen van Noach. Zo waren zij in de dagen van Jezus en het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in de dag van het oordeel dan Chorazin, Bethsaïda en Kapernaüm. Zo zijn ze ook nu nog: zoekend naar alles wat in de wereld is, de hebzucht, afgunst en het pronken met bezit (1 Joh.2:16).

Het fundament

Velen volgden Jezus om de tekens die Hij deed. en dat gaf open deuren. Ook nu geeft Jezus een geopende deur: zoekende mensen zullen het evangelie vinden, zieke mensen kunnen worden genezen. Zij die niet verblind zijn door de god van deze wereld, zullen het evangelie van de heerlijkheid van Christus ervaren (2 Cor.4:4). Dan zal na de wonderen van genezing de leer van bekering moeten komen, van geloof, van dopen, van oplegging van handen, van opstanding en van eeuwig oordeel (Hebr.6:1,2). Dat is het enige Bijbelse Fundament. Maar dan zal na het eerste onderwijs ook de juiste prediking moeten komen (Hebr.5:13). Zodat het werk van de heiligmaking zal plaatsvinden en men de werkingen van het vlees door de Geest zal laten doden. Hij, die evangelisten geeft en meewerkt door tekens en wonderen, geeft alles wat nodig is tot opbouw van de gemeente. Hij zal zijn volk toebereiden en heiligen, zodat wanneer Hij zal komen op de wolken van de hemel, Hij de sikkel zal uitzenden om een oogst binnen te halen die rijp is (Openb.14:15).

Opgeblazen menselijke wetenschap

Wat geldt voor het persoonlijk leven, geldt ook voor het gemeentelijk leven. Zoals de mens door de zondeval gevallen is uit de Geest in het vlees, zo is menige kerk gevallen uit de Geest in het vlees. Dat is de kerk waarin de Geest, die in alle waarheid leidt, vervangen is door opgeblazen menselijke wetenschap; waar geestelijke leiders zijn, die zoeken naar eer van mensen en naar macht. Waar men niet meer spreekt van roeping door God voor hen, die in zijn dienst zouden staan, maar waar men zelf leiders kiest langs democratische weg, wereldgelijkvormig. Dat is de kerk waar Jezus geen Leider is, maar de mens op de troon zit. Andrew Murray schreef:

  • ‘Ik beef bij de gedachten, dat ik het vlees, mijn natuurlijk verstand en mijn wil zou toestaan de plaats in te nemen van de Heilige Geest’.

Zo was het in Laodicea (Openb.3:14-22), de gemeente, die meende rijk te zijn en aan niets gebrek te hebben, terwijl de Heer buiten op de deur klopte, zodat iemand naar zijn stem zou luisteren en Hem zou binnenlaten (vs.20). Zij wisten niet dat zij ellendig waren, arm, blind en naakt. Al hun vermeende rijkdommen waren aards en hadden de plaats ingenomen van de geestelijke goederen die Christus geeft. Daar waar men de Heilige Geest buiten laat staan is men even krachteloos als de wet en komt men noodzakelijk tot de bevinding:

  • ‘mijn zondige aard, waarmee ik heel mijn leven te strijden heb’ (catechismus vraag 56).

Maar die van Christus zijn hebben het vlees gekruisigd met zijn begeerten (Gal.5:24) en houden alles voor schade en vuilnis wat uit het vlees is (Fil.3:8-10), zodat zij de kracht van zijn opstanding zullen ervaren, dat is de kracht van de Geest die de werkingen van het lichaam doodt.