Crematie

Iemand mailde ons over een rouwadvertentie waarin werd meegedeeld, dat de uitvaartdienst van een overleden broeder zou plaatsvinden vanuit een Volle Evangelie Gemeente. Daarna zou de crematie volgen. Haar opmerking is als volgt:

  • ‘Crematie na uitvaartdienst vanuit zo’n gemeente is toch geen goede combinatie?’

Antwoord:

Wie zich cremeren laat, heeft te kennen gegeven dat zijn stoffelijk overschot niet begraven mag worden. Verassing wordt meestal uit humanitaire of hygiënische overwegingen verdedigd. Voor vuil- en lijkverbranding gebruikt men dus dezelfde motieven. Kerkhoven moeten volgens velen maar verdwijnen. Begraven is voor de nieuwe cultuurmens taboe. In tegenstelling met deze utopiaanse inzichten kunnen we opmerken dat de oude Egyptenaren een overdreven eerbied en zorg hadden voor de stoffelijke resten van de mens, want zij mummificeerden ze. De Joden en christenen begroeven hun doden liefst familiegewijs. Dezen gingen ervanuit dat de lichamen van de overledenen in de dag van de opstanding in hun natuurlijke verwantschap zouden aantreden.

Wie zijn lichaam beschikbaar stelt om verbrand te worden, geeft het aan het vuur prijs, ook al vindt dit op een geraffineerde wijze plaats door zelfontbranding. Deze verassing symboliseert iets wat in de onzienlijke wereld met de inwendige mens zal gebeuren, als iemand de duisternis liever heeft dan het licht. De Bijbel spreekt over een vuurpoel (Op.20:14,15), die niet voor de mens, maar voor de duivel en zijn engelen is bereid (Matth.25:41). Wie echter met de demonen verbonden is, wordt door hen meegevoerd naar dat eeuwige en onuitblusbaar vuur, dat een concentratie betekent van alle machten van de duisternis (1 Cor. 10:14,15,20). Voor de mens die daarin terechtkomt, geldt dat zijn worm niet zal sterven. Er blijft dus een restant over van de innerlijke mens, maar deze is dan wel ontdaan van al zijn luister en eer. Zo bevat de urn het overblijfsel van wat eens een kunstig geformeerd lichaam was (Psalm 139:13). Het begraven van een lijk beeldt uit, dat het lichaam weer terugkeert tot de elementen van de aarde, waaruit de Schepper de zichtbare mens eenmaal had opgebouwd.

Prijsgeven aan het vuur

De lijkverbranding was in de prehistorie – maar ook in historische tijden, zoals bijvoorbeeld bij de Romeinen – een algemeen gebruik. De bedoeling ervan was waarschijnlijk om radicaal van de doden, voor wie men nog na hun sterven bang was, af te zijn. Vaak werd met de gestorvene ook zijn bezit en goederen, soms zelfs ook zijn weduwe verbrand. Het is beslist niet toevallig dat het christendom van het begin af van crematie niets wilde weten, maar aan de begrafenis van de doden de voorkeur gaf. Uit de kerkgeschiedenis blijkt, dat de gemeenten, die in Klein-Azië en Griekenland werden gesticht, direct de heidense gewoonte om lijken te verbranden, hebben afgeschaft. Lucas vermeldt dat godvruchtige mannen, die samen Stefanus naar het graf droegen, grote rouw over hem bedreven. Dit is het eerste voorbeeld van een lijkplechtigheid onder christenen. Het is waarschijnlijk dat dit gebruik van toen af algemeen is geworden. Ook de christenen in Rome begroeven hun doden. Zo werden bijvoorbeeld in de catacomben de lichamen van vele duizenden van hen begraven. De overheid stond de christenen ook toe om de as van de martelaren in urnen bij te zetten of te begraven.

Met de lijkverbranding van vandaag zou men moeten zeggen: de graven werden geopend en de afsluiting van de asurnen werd verbroken. Wij geloven echter niet dat het opstandingslichaam tevoorschijn treedt, doordat een grafzerk wordt opgelicht of asvazen op een urnenveld of op zee worden uitgestrooid. De apostel schreef immers: ‘Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam wordt opgewekt’ (1 Corinthe 15:44). Dit geestelijk lichaam ontvangt de christen bij zijn hernieuwde geboorte, zodat hij niet in de onzienlijke wereld naakt zal worden bevonden. De kerk heeft in de geschiedenis al haar leden in ‘gewijde aarde’ begraven en zij verbrandde alleen de ketters, hetzij levend of dood!

De geestelijke vergelijking

Het is moeilijk om op fundamentalistische wijze de lijkverassing te bestrijden. Men zal dan immers een aantal teksten moeten vinden, die het cremeren rechtstreeks verbieden. Die zijn er niet of ze moeten kunstmatig ervoor gebruikt worden. Men beweert dan bijvoorbeeld dat het tarwegraan dat in de aarde geborgen wordt, wacht tot zijn herleving in de opstanding. Hier zou dan uit volgen dat het lichaam moet worden begraven en niet mag worden verbrand. Maar deze voorstelling van zaken is juist aanvechtbaar, omdat het geestelijk lichaam wordt opgewekt en niet het natuurlijk. Alleen een juist inzicht in het Koninkrijk der hemelen leert ons verstaan dat het begraven van doden op een goede, christelijke traditie berust. Men moet dan bij bepaalde handelingen in de zichtbare wereld bedenken dat ze beelden zijn van dingen die niet gezien worden. Dit kan met enkele voorbeelden verduidelijkt worden:

  • Nudisme

Waarom verwerpt de christen op grond van een diepe overtuiging het nudisme? Waarom veroordeelt hij de naaktloperij in de nudisten-territoria als een ergerlijk kwaad? Waarom schaamden Adam en Eva zich, toen ze zagen dat ze naakt waren? Het antwoord luidt: omdat hun beider ogen in de onzienlijke wereld opengingen (Genesis 3:5,7). Hun naaktheid was een afbeelding van een geestelijke zaak. Zij drukte het gemis uit van een geestelijk lichaam of een onzienlijk omhulsel, waarmee ze bekleed en beschermd zouden zijn tegen satans demonen. Dit geestelijk lichaam zou hen als waarlijk mens in de geestenwereld hebben geïdentificeerd, want engelen hebben een andere verschijningsvorm dan geestelijke mensen. Hun ontbrak een huis, dat niet met handen is gemaakt, een gebouw door God geschonken in de hemelse gewesten (2 Corinthe 5:1,2). Adam en Eva drukten hun gevoelens van angst en schaamte uit door de naaktheid van hun natuurlijk lichaam te bedekken. Bovendien is de kleding nu nog een bescherming tegen blikken en gedachten van buitenstaanders, dus ook vanuit de geestelijke wereld. Let er verder op dat de dieren die geen bestaan in de geestelijke wereld hebben, ook geen kleren dragen.

  • Monogamie

Waarom gebiedt God bij de mens het monogame huwelijk, terwijl toch de meeste manlijke dieren niet aan één gezellin zijn gebonden? Omdat de ene man met de ene vrouw beeld is van de hemelse werkelijkheid, namelijk van het mysterie tussen Christus en zijn gemeente, die de vrouw van het Lam wordt genoemd en niet de bruid, zoals velen leren (Efeze 5:32). In het oude verbond werden dieren geofferd als schaduw van het grote offer, dat vrijwillig gebracht zou worden door de Heer Jezus zelf. Het is toch wel merkwaardig dat de geslachte dieren werden verbrand, maar dat het gekruisigde lichaam van Jezus werd begraven.

Wanneer iemand de bekende Hollandse vloek zegt, heeft hij de wens geuit, dat God hem zal verdoemen, dat is ‘voor eeuwig veroordelen’ of ‘naar de hel verwijzen’. Bij zo’n vloek weten we altijd, dat onze God zulke gebeden niet wil verhoren, omdat Hij enkel goed is. Hij wil immers niet, dat zelfs sommigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen (2 Petr.3:9). Het is bijna zeker dat de vloeker zich niet bewust is van zijn provocatie. Wanneer kinderen van God zich laten cremeren, zijn ze zich ook niet bewust, wat ze uitbeelden als ze de wens te kennen geven dat hun lichamen prijsgegeven moet worden aan het vuur, in plaats van terug te keren naar het stof van de aarde, waaruit het genomen is. Voor hen die gestorven zijn, gebruikt de Heer de uitdrukking: degenen die in de graven zijn. In de christelijke traditie – en waarom zou deze persé verkeerd moeten zijn – spreekt ook het feit mee, dat Jezus in een graf werd gelegd en op de paasmorgen het graf leeg werd gevonden.

Niemand gaat ongewild verloren

Een overledene kan voor zijn dood aangegeven hebben dat hij gecremeerd wil worden. Zou hij daarmee belijden dat zijn eeuwige bestemming het helse vuur is? Waar een mens deze wens – hoogstwaarschijnlijk in onwetendheid gedaan – uitgesproken heeft, kan men opmerken dat God zo’n wens tot crematie niet honoreert met een eeuwig verderf. Op de vraag wie voor eeuwig verloren gaan, is ons antwoord: zij die de duisternis liever hebben dan het licht. Door hun opzettelijke, geestelijke verbondenheid met de boze geesten zullen zij het licht van de grote witte troon en Hem die erop zit, ontvluchten en ervan door gaan naar de buitenste duisternis.

Geweldpleging op het lichaam

Lijkverbranding is daarom geweldpleging op het lichaam zoals ook de tweede dood dit is op de innerlijke mens. De eerste dood tast alleen de uitwendige mens aan, maar de tweede dood de innerlijke, dus geest en ziel. De lijkverbranding symboliseert het vuur van de demonen in zijn vernietigende en ontbindende uitwerking. Men belijdt als het ware: zoals mijn lichaam wordt prijs gegeven aan het vuur, zo zal mijn geest en ziel verteerd worden in het contact met de boze geesten. Geweld is nooit van God, want Hij haat geweld. Nu weten we wel dat de ontbinding in het graf een langzaam proces is, maar er komt geen vuur bij te pas. Laat men daarom zijn lichaam niet aan het vuur prijsgeven, omdat deze daad een symbool is van een eeuwige aantasting en ontbinding van de innerlijke mens.

Wat tenslotte in de rouwadvertentie de crematie betreft, willen we opmerken dat deze alleen door de familie werd vermeld. In de bekendmaking die de gemeente plaatste, stond, dat men slechts korte tijd met de overledene contact had gehad. Men kan niet verwachten dat bij zo’n nieuweling alles in zijn denken en in de voorbereidingen voor zijn dood, al rond ligt. Terecht werd in deze advertentie verwezen naar de troostwoorden van Jezus tot de moordenaar die met Hem was gekruisigd:

  • ‘Ik verzeker je: nog vandaag zal je met Mij in het paradijs zijn.’