Verzegelaar van de som

‘Het woord van de Heer kwam tot mij: Mensenkind! Hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus (beeld van satan) en zeg tot hem: zo zegt de Heer God: U, verzegelaar van de som (St. Vert.), volmaakt bent u van gestalte, vol van wijsheid, volkomen schoon. In het (hemelse) Eden was u, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u: rode jaspis, chrysoliet en prasem, turkoois, chrysopraas en nefriet, lazuursteen, hematiet en malachiet (beeld van geweldige capaciteiten)’ (Ezechiël 28:11-17).

Deze laatste tekst is een heel bekende tekst voor ons: wij hebben ons te wapenen tegen de demonen van de duisternis, die ons leven willen binnen dringen. Het is belangrijk om daar telkens bij stil te staan, want we hebben allen met die strijd te maken. Als we ons daar niet bewust van zijn, strijden we tegen vlees en bloed. Hoe verder we komen in de tijd, hoe feller de aanvallen van de satan worden. Tegelijkertijd zien we ook de rijkdom die de Heer God ons schenkt, Hij geeft ons de wapens om te strijden.

Is rust altijd een goed teken?

Zacharia, de profeet die terug gekomen was uit ballingschap, sprak ook over de rust in van zijn vele gezichten (Zach.1). Zo stond hij bij Jeruzalem, waar de herbouw van de tempel stagneerde. De mensen gingen voor zichzelf weldoortimmerde huizen maken. Zacharia ziet ineens de bergen die Jeruzalem omringen, in de schaduw van de bergen (Sept. Vert.), ziet hij een ruiter op een paard. Daarna ziet hij nog meer paarden en vraagt zich af wat dit betekent daar onderaan die bergen (beeld van het rijk van de duisternis). Deze bergen wankelden niet, ze waren niet gespleten en dit past bij het antwoord dat Zacharia krijgt: ‘Wij hebben de aarde doorkruist en zie, de hele aarde verkeert in volkomen rust’. Dat is toch mooi, zou je denken, die rust, maar Zacharia vraagt of dat zo moet blijven. Omdat de tempel niet meer werd herbouwd, hadden satan’s demonen het gewonnen: er was geen strijd in de hemelse gewesten, zoals eerder toen de Edomieten en Sanballat de bouw probeerden te verhinderen. Deze ‘rust’ komen we ook later tegen, als na de opbouw van de eerste gemeente, het uitbouwen gestaakt werd. Dat is het begin van de kerkgeschiedenis, waar niets meer van de geestelijke tempel te zien is. Er waren geen priesters en profeten in de geestelijke wereld meer. Er was één schijnkerk en alles was naar de zin van satan. En zo is dit eeuwen en eeuwen doorgegaan. Er kwamen wel steeds nieuwe nepkerken bij, maar deze brachten geen zonen van God voort.

Halverwege de vorige eeuw is in ons land opnieuw de strijd in de hemelse gewesten ontdekt. Men herontdekte het eeuwig evangelie van het koninkrijk der hemelen. En daarmee is de rust verdwenen, de duivel gaat opeens weer rond als een briesende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden. Het is opmerkelijk dat tegelijk met de herontdekking van het evangelie van het koninkrijk der hemelen, in ons land de rust is verdwenen op natuurlijk gebied. Het geweld van de wetteloosheid kent geen beperkingen meer en de acceptatie van die wetteloosheid is vanzelfsprekend geworden. We kennen nu de vrouwencultuur, de ik-cultuur en de laat maar gebeuren-cultuur. Niemand houdt zich nog aan regels en wetten. De satan heeft de wereld vervuld met geweld en dat is nu overal te zien.

Wij willen ons niet laten leiden door de geest van deze tijd. Wij verheerlijken ook niet het verleden, want de strijd die toen gevoerd werd, werd ingegeven door de 10 geboden en de zelfbeheersing. Maar daarmee strijden we nog steeds tegen vlees en bloed en is er geen sprake van het strijden in de hemelse gewesten. Waar het tegenwoordig vaak klinkt: ‘Ik doe wat ik wil’ (eigenlijk doet iemand dan wat de duivel wil), willen wij doen wat Jezus van ons vraagt. Door alles heen willen wij zien wie de strijd aanvoert, wie de veroorzaker is van de wetteloosheid. Wij willen de mens scheiden van de demonen. Bij die strijd moeten we de vrees uitbannen. Wij zullen niet bang zijn voor satan en zijn legers, want anders hebben zij ons in hun greep en wordt strijden heel erg moeilijk.

Verzegelaar van de som

In het begin van de schepping was er geen sprake van hemelse gewesten, meervoud. Er was maar één Koninkrijk, het Koninkrijk van God. Psalm 115:16 zegt: ‘De hemel is de hemel van de Heer, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven’. Maar de aarde is momenteel het domein van de satan. En wat zit er allemaal in de hemel? Daar is het één en ander veranderd in de loop van de tijd. Eerst was de hemel bevolkt met ontelbare hemelingen, gedienstige geesten, die allen – zonder uitzondering – luisterden naar de klank van Gods stem. Als God iets wilde, stonden zij al klaar om het uit te voeren. Lucifer, de Lichtdrager had daarbij de supervisie over alles wat er was: ‘Mensenkind! Hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: Zo zegt de Heer God: U, verzegelaar van de som (St. Vert.), vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid!’ (Ez.28:12).

De koning van Tyrus was een grote koning die een geweldig grote handel had (Op.18:15-19). Zijn schepen voeren over alle zeeën vanuit de stad die op een eilandje lag, middenin het water, de zee, beeld van de geestelijke wereld. Lucifer (de koning van Tyrus is hier een beeld van) had ook een geweldig grote handel: ‘… door uw uitgebreide handel bent u vervuld geraakt met geweld en kwam u tot zonde’ (vers 16). In de Statenvertaling wordt Lucifer verzegelaar van de som genoemd. Hij moest de zaak beheren, elke keer als er iets uitgevoerd moest worden, zette hij als het ware zijn zegel er op, waardoor hij beloofde dat hij het trouw en goed zou uitvoeren. Zijn taak, zijn handel werd steeds groter, omdat Gods handel (beter kun je spreken van handelingen) steeds groter werd: God sprak en Hij schiep, God schiep steeds meer, daardoor werd er steeds meer aan de verzegelaar toevertrouwd.

Alle engelenkoren zongen een lied bij de schepping (Job 38). De morgensterren juichten en de zonen van God jubelden. Lucifer was daar de eerste van, de eerste van de onzienlijke schepping. Hij juichte omdat hij dacht dat hij zijn handel nog verder uit kon breiden, zodat hij nog meer eer en invloed zou krijgen. Toen echter de mens geschapen werd, zei God tegen de mens: ‘De aarde is aan jou onderworpen, jij moet heersen over de vogels, de vissen enz.’ Toen zag de verzegelaar dat toch niet alles aan hem onderworpen was, hij moest erkennen dat er een andere, een eerste van weer een nieuwe schepping, hem vervangen zou.

Het is opvallend dat de eerste altijd vervangen wordt door een tweede. De duivel was – als goede troonengel – de eerste van Gods schepping in de onzichtbare wereld. Adam was de eerste van Gods schepping op de aarde, hij was de tweede in Gods schepping. Bij Kaïn en Abel wordt Abel Gods uitverkorenen. Bij Ismaël en Izaäk wordt Izaäk ook Gods uitverkorene en moet Ismaël naar Izaäk luisteren. Bij Esau en Jacob wordt Jacob de eerste en moet Esau, Jacob dienen. David was ook niet de oudste, hij was de zevende zoon. Uit alle oudere planeten heeft God juist de aarde gekozen, die heeft Hij tot woning gemaakt en dat werd Zijn rijk. Zo wil God als het ware uitdrukken dat niet de eerste, maar de tweede de volgende is geworden. ‘Onberispelijk was u in uw wandel, vanaf de dag dat u geschapen werd, totdat er onrecht in u werd gevonden: door uw uitgebreide handel bent u vervuld geraakt met geweld en kwam u tot zonde’ (Ez.28:15,16).

Het grote schisma in de hemel

Er kwam opstand in de hemel, want de verzegelaar kwam er achter dat God de mens niet alleen een plek op de aarde gaf, maar God wilde de mens ook in de hemel binnen leiden. Ez.28:13 spreekt over de hemelse hof van Eden, waar Adam mocht binnen gaan. De aardse hof van Eden was als het ware het leslokaal, waarlangs de mens de hemelse hof kon binnengaan. Door zijn uitgebreide handel werd Lucifer vervuld met geweld, hij dacht dat het zijn zaak was in plaats van dat het de zaak van God was. Zo gebeurt het in het aardse leven ook; mensen taken krijgen toebedeeld en gaan dat helemaal voor zichzelf opeisen, niemand mag zich dan meer met die zaak bemoeien. God vertrouwt ons taken toe, wij zijn rentmeesters, maar daarmee zijn wij nog geen eigenaars. Het is van de duivel, demonisch, als iemand zo’n taak helemaal naar zich toetrekt en niemand daarbij toelaat. Lucifer was miljarden jaren (+/- 13,5 mld. jaar) de verzegelaar, maar toen de mens kwam, moest hij zijn taak afstaan, ja hij moest zich zelfs aan de mens onderwerpen. Lucifer weigerde dit en kwam in grote opstand.

Hij is daarin niet alleen, denk aan Judas, één van de 12 leerlingen van Jezus. Hij kreeg de taak om het geld te beheren, maar uiteindelijk ging hij ervan uit dat het zijn eigen geld was. Op dat moment ‘voer de satan in Judas Iskariot’ (Luc.22:3). Jezus zegt daarom: ‘Eén van u is een duivel’. De geldgierigheid is de wortel van alle kwaad, d.w.z. je neemt iets in bezit wat God tijdelijk afstaat (1 Tim.6:10). Op het moment dat de duivel Judas loslaat, omdat hij zijn werk voor de satan heeft gedaan door Jezus te verraden, komt Judas tot zichzelf. In zijn wanhoop heeft Judas zichzelf verhangen. Als de duivel je gebruikt heeft, als je voor hem nutteloos bent geworden, zet hij je aan de kant: ‘Wat heb ik nog met je te maken?’

Beschuttende cherub

‘U was een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: u was op de heilige berg van de goden, wandelend te midden van vlammende stenen (heilige engelen)’ (Ez.28:14). Lucifer is een bron van duisternis geworden, terwijl zijn naam Lichtdrager betekent. Hij wordt de tegenstander van God, de draak, de verleider, de duivel. In de Septuagint staat: ‘Een cherub met uitgespreide vleugels had Ik u ter beschutting gegeven’. Cherubs (strijdbare engelen) stonden rondom Gods troon, maar ze beschermden ook Lucifer. De cherub die Lucifer beschutte, stoot Lucifer omlaag als hij tot zonde komt. Waar vers 16 van de NBG heeft ‘Van de berg van de goden verbande Ik u en deed u weg, u beschuttende cherub van tussen de vlammende stenen’ heeft de Septuagint weer een betere vertaling: ‘En heeft een beschuttende cherub u weggejaagd’, dat was waarschijnlijk Michaël. Lucifer wordt uit de hemel gestoten en komt op de aarde terecht, omdat God zich rechtvaardigen gaat. God rechtvaardigt zich in zijn werken: de mens, door God geschapen, heeft zo’n uitnemende geest dat hij in staat is om de duivel te verslaan. De duivel minacht de mens, als baby komt hij ter wereld en is in eerste instantie nog aangewezen op melk. Maar God heeft de mens zo geschapen, dat hij zich kan ontwikkelen en zich boven de duivel kan stellen. Zelfs als de mens gevallen is, gaat God door met Zijn plan, de duivel zal door de mens worden verslaan: ‘Ik zal vijandschap zetten tussen jou en de mens; de mens zal jouw kop vermorzelen en de bek dichtsnoeren, zodat jij geen leugens meer kunt vertellen’.

Het is dus de opdracht aan de mens om zich altijd boven de satan en zijn engelen te stellen, vanuit de zekerheid dat hij meer is. De mens moet niet bang zijn voor de duivel, hij moet hem onder zijn voeten willen vertrappen. Jezus zegt zo’n 80 maal: ‘Vrees niet, geloof in wat Ik zeg, want Ik heb je macht gegeven over het hele leger van de vijand (Marcus 16). Als gedoopten in Heilige Geest moeten we dat altijd vasthouden. Als we in de strijd staan, ten opzichte van onszelf, onze kinderen of anderen, zeggen we: ‘Heer, U hebt mij macht geven en U wilt mij helpen, want U hebt mij de Helper gegeven’. Gods Geest helpt ons, maar een Helper begint niet zelf, Hij ondersteunt. Wij zelf moeten de strijd aangaan en in die strijd wordt de Heilige Geest ons als hulp gegeven (Hebr.1:14). Ook staan de heilige engelen klaar om ons te dienen. Wij vrezen dus niet, maar gaan uit van het principe: Jezus heeft ons macht gegeven om te strijden en Gods Geest helpt ons daarbij. In de strijd staan we sterk en het leger van de vijand zal ondergaan.

Om ons (Jezus Christus en Zijn gemeente) werd en is alles geschapen. Dat wordt van Jezus gezegd, maar ook van ons omdat Hij de eerste is van veel broers en zusters. Hij is gekomen om velen tot heerlijkheid te brengen en wij zullen met Hem op de troon zitten, als wij doen wat Hij deed: ‘Wie overwint, zoals Ik overwonnen heb’ en overwinnen doen we in de strijd. Daarom is de strijd in de hemelse gewesten de allerbelangrijkste die wij te voeren hebben. Je kunt er voor kiezen om weer in de rust te gaan, de satan zal je zeker met rust laten. Maar de Heer zegt: Ontwaak, u die slaapt en sta op tot de strijd’. Alles is, zonder uitzondering, aan Jezus onderworpen en zo ook aan ons onderworpen. Dat is koninklijke taal, wij zijn geen deurmatjes en onbetekenende schepsels, wij zijn koningen! Wat zou het mooi zijn als de christenen zich dit eigen zouden maken, het overgrote deel vindt zichzelf maar niets. Zij vinden het eigenlijk wel prettig, die leugens van de duivel, het klinkt toch heel dienstbaar om te zeggen dat je maar klein bent? Maar het koninkrijk der hemelen bestaat niet uit vrome zondaars, maar uit zonen van God.

Hemelen

Het koninkrijk van er hemelen staat er bewust in meervoud, de hemelen zijn er gekomen sinds de val van de verzegelaar van de som. We kunnen meerdere hemelen onderscheiden ‘van boven naar beneden’. Daarbij weten we dat we in de onzienlijke wereld geen hoogten kennen, maar we zetten het om in de geestelijke wereld. Allereerst is er het koninkrijk van God, dat geestelijke paradijs, met de Levensboom Jezus Christus midden in de hof: ‘Hij moet als koning heersen’, alles is aan Hem overgegeven. De strijd die we leveren bij de troon van God, heeft te maken met de aanklager van veel broers en zusters. Hij moet van zijn plaats worden verstoten. Wij haten de vijand, de satan en door onze dankzegging behalen wij de overwinning op onze vijand. Door het bloed van Jezus en door de kracht van de Heilige Geest zijn wij overwinnaars.

Uit de hemel gevallen

Het tweede gewest in de hemel, dat is de lucht: De lucht is het beeld van een hemels, onzichtbaar gewest, wat in verband staat met de aarde. Daar is de duivel, de verzegelaar terecht gekomen toen hij op de aarde viel. De lucht is zijn terrein, hij wordt de overste van de lucht genoemd. Waar Jezus de Koning is in de hemel, wordt de duivel ook een koning genoemd, hij is de koning van zijn rijk. Jezus zegt: ‘Als zijn rijk verdeeld is, zal hij niet bestaan’. Het koninkrijk van de duivel is de aarde, vandaar de uitdrukking ‘overste van deze wereld’. De mens was koning op aarde, maar heeft het koningschap verspeeld. Onze strijd is ook in de lucht, wij haten de zonde en wij weten dat we de macht hebben gekregen om erover te heersen. Daarom drijven wij demonen uit en wij loven en danken onze God. In de strijd in die duisternis moeten we goed licht bij ons hebben, zodat we kunnen zien waar we staan en niet struikelen. Dat Licht heeft onze Heer ons gegeven: ‘U bent het licht in de duisternis’.

Dood en dodenrijk

Het volgende rijk is het rijk van de dood. De duivel gaf een deel van zijn macht over aan de grootste gevallen seraf, Dood zelf. De duivel had de macht over de dood en tot die machthebber geeft hij de opdracht om de onsterfelijke zielen van de mensen te bewaren en te bewaken door zijn cipiers, de doodsengelen (gevallen serafs). Het lijkt op de opdracht van God aan de 2 cherubs om de hof te bewaren en te bewaken. Gelukkig is de opdracht van de dood van tijdelijke aard, al heeft het wel even tijd nodig, maar de onsterfelijke zielen hoeven uiteindelijk niet in dat rijk te blijven. Voor ons zijn degenen die heengingen wel dood, maar voor God die in de onzienlijke wereld ziet, leven zij allen (Luc.20:38). Hiermee ontkrachten wij de leer van de zielenslaap, die vooral door jehova’s getuigen wordt uitgedragen. Over Jezus staat geschreven dat Hij ‘door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen en allen zou bevrijden’ (Hebreeën 2:14,15). Als Jezus in het dodenrijk komt, onttroont Hij als eerste de duivel en Dood zelf. Hij heeft nu de sleutels van Dood en dodenrijk en met deze sleutels haalt Hij de heiligen uit het Oude Verbond uit het dodenrijk, die in Hem geloofd hebben en bezig geweest zijn met het Koninkrijk van God (Matth.27:52; Ef.4:8). De dood heeft als koning geheerst van Adam tot Mozes (Rom.5:14), ook over hen die onder de wet leefden. Wij zullen de dood en het dodenrijk niet meer zien, omdat de dood overwonnen is. Wij sterven wel, maar nemen onze intrek bij Jezus. Het is merkwaardig dat de dood de laatste vijand is die verslagen wordt. Als zonen van God zullen wij, als wij overwonnen hebben, in het dodenrijk komen en we zullen net als Jezus er nog massa’s mensen, die geschreven zijn in het Levensboek, uithalen, voordat het laatste oordeel komt: ‘En de zee gaf de doden, die in haar waren en de dood en het dodenrijk gaven de doden, die in hen waren’ (Op.20:13).

Dat teruggeven gaat zomaar niet, eerst moet het leger van God daar binnendringen, zoals Jezus binnen gekomen is en er heiligen uitgehaald heeft. Zij geven het op bevel terug, omdat zij de doden dan los moeten laten.

De afgrond

Er is nog een rijk en nog een koning. Dat rijk, de afgrond, ligt nog dieper dan de vorige 2 rijken. Vergelijk het met de diepte van de zee. In die diepe afgrond, (af = zonder, dus zonder grond, een bodemloze put, Abyss of Tartarus), zitten de geweldsmachten van de oertijd. Zij werden daar opgesloten na de zondvloed. Deze geweldsmachten hebben heel veel kapot gemaakt. Het begon met het geweld dat er op aarde kwam, het eindigde er mee dat ze de hele aarde stukgeslagen hebben. Deze machten zijn door God gebonden, Hij heeft ‘engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten van de duisternis overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren’ (2 Petr.2:4; Judas 6). Ook zijn daar de demonen, die door de mensen uitgedreven zijn, net als de boze geesten die met gestorven mensen meegaan naar de afgrond. Immers: wanneer mensen de demonen hebben aanbeden en niet hebben losgelaten gaan ook zij met de duivelen mee naar de afgrond. Boven hen allen staat Apollyon, de verderfengel, de grootste vernieler die er is. Hij is de koning van de afgrond (Op.9:1-12) , ook wel Abaddon, het beest uit de zee of Verderver genoemd.

Over de strijd met de demonen van de afgrond, zegt de Bijbel dat er een tijd komt dat de duivel ziet dat hij ons niet meer aan kan klagen. De gemeente van Jezus Christus heeft de satan uit hun hemel geworpen (Op.12:7-10). Als wij ons niet meer laten aanklagen, heeft de duivel geen enkele functie meer in het koninkrijk van God. Hij gaat naar de aarde en vaart in hen die op de aarde wonen. Dan breekt de grote verdrukking aan, de duivel verzamelt zijn troepen: ‘En hij (de draak) bleef staan op het zand van de zee’ (Op.12:18). Op dat moment laat hij het beest uit de afgrond, Apollyon, naar boven komen. Hij geeft hem al zijn macht en kracht en dat beest komt in de mens, die de kennis en de wijsheid van het koninkrijk der hemelen heeft gehad maar is afgevallen, de antichrist (Hebr.6:4-6; Op.8:10,11; Op.13:11,12).

De vuurpoel

Tot slot is er nog de vuurpoel, de absolute eindbestemming van alles wat wetteloos is (Matth.25:41; Op.20:13-15). De vuurpoel is nog niet aan de orde, omdat God geen kwaad kan scheppen, dus ook geen vuurpoel die eeuwig van zwavel zal branden. De vuurpoel krijgt pas gestalte en functie wanneer de antichrist en het beest uit de zee, hier levend naar wegvluchten. Er is dan in de hele kosmos enkele geen plaats meer voor hen en ook niet voor de miljarden mensen die hen aanbeden hebben. Het is een afgesloten iets, een poel voor de duivel en zijn engelen. Er komen daar wel mensen op de oordeelsdag, dat zijn zij die het duister liever gehad hebben dan het licht. De vuurpoel zou je kunnen vergelijken met wat er gebeurde met Korach, Dathan en Abiram: ‘De grond spleet onder hen en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach hoorden en met alle have. Zo daalden zij met alles wat van hen was, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden van de gemeente omkwamen’ (Num.16:31-33). Het binnenste van de aarde is een grote vuurmassa, vrijwel altijd afgesloten op wat vulkaanuitbarstingen na. Zo is ook de vuurpoel, er komt geen mens of engel meer uit. Gelukkig maar, anders hebben we weer een nieuwe hel in Gods hemel.

God staat tegenover de duivel, Jezus staat tegenover de antichrist. Zo staat Gods Heilige Geest tegenover het beest uit de afgrond, Apollyon. Wij, als zonen en dochters van God worden uiteindelijk verzameld in de lucht, in het hemels Armageddon. Wij staan met Jezus Christus tegenover de zonen van het verderf met de antichrist. Wij zullen strijden èn overwinnen!