2. De rijke man en de arme Lazarus

 

Al vanaf het begin van zijn prediking dankte Jezus zijn hemelse Vader voor het feit dat zijn evangelie voor de wijzen en verstandigen verborgen was en aan de eenvoudige mensen geopenbaard. Zijn voorkeur ging uit naar allen die in moeilijke omstandigheden verkeerden en zijn uitnodiging was: ‘Kom naar Mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven’. Tot de mensen zei Hij: ‘Gelukkig de nederigen van hart’ (Luc.6:20) en Hij liet Johannes de Doper berichten: ‘Aan armen wordt het evangelie verkondigd’. Zijn leerlingen waren ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk. Tot zijn leerlingen zei Jezus:

Ik verzeker u: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk der hemel binnengaan. Ik zeg het u nog eens: het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan (Mattheüs 19:23,24).

Uit de geschiedenis van de rijke man en de arme Lazarus in Lucas 16 blijkt dat de rijke man de weerloze en zieke Lazarus had veracht en hem geen barmhartigheid had bewezen. Zijn rijkdom bracht hem ten val. Aan deze afgod had hij zijn denken en leven gewijd en hierdoor was hij liefdeloos tegenover de armen en zwakken geworden. Zijn bezit diende hem alleen tot een laag, egoïstisch doel van genot en macht. Het had echter een schijnwaarde, ‘want wat heeft een mens eraan als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?’ De ware rijkdom ligt in de geestelijke wereld. Jezus liet de rijke man verloren gaan, omdat het religieuze Jodendom dacht dat rijkdom een zegen van God was als een beloning voor vroomheid. Rijkdom zou dus een zichtbaar bewijs zijn van zijn liefde. Om deze dwaling te ontmaskeren werd een representant van rijkdom en genotzucht naar het oord van de foltering verwezen, dat hij delen moest met ‘lafaards, trouwelozen, boosdoeners, moordenaars, ontuchtigen, tovenaars, afgodendienaars en leugenaars’, van wie Openbaring 21:8 spreekt, ‘hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel’.

Op aarde hadden de wetteloze geesten het lichaam van Lazarus zwaar beschadigd, maar in de Hades werd de rijke man in zijn innerlijk lichaam aangetast door demonische geesten, ‘want hij leed pijn in de vlam’. Of wij hier nu met een parabel (vergelijking / gelijkenis) of met een waar verhaal te doen hebben, doet aan de realiteit van de gebeurtenissen niet toe of af, want ook in zijn gelijkenissen ging Jezus uit van zaken en omstandigheden die dagelijks voorkwamen. Hij openbaarde hier de waarheid over de onzienlijke wereld van het hiernamaals, in beelden uit de zichtbare wereld. Wanneer Johannes later de schoonheid van het rijk van God schildert, doet hij dit ook met beelden uit de natuurlijke wereld: de heilige stad heeft een muur en poorten, waarvan de bouwstoffen edelstenen en goud zijn. Wij mogen echter deze beelden niet als werkelijkheid beschouwen, zoals bijvoorbeeld een evangelist deed in het boek over Jeruzalem. Deze situeerde de heilige stad op een satelliet in de ruimte, want de mogelijkheid moest toch bestaan dat het hemelse Jeruzalem op aarde kon neerdalen! Wij hebben echter het beeld nodig om ons een gedachte te vormen van de geestelijke dingen.

De Hades en vuurpoel

De Heer stelde de Hades voor als een onmetelijke, grote dodenstad. In het centrum van deze necropolis bevindt zich een diepte een groot meer of binnenzee, in de Openbaring door het woord ‘vuurpoel’ aangeduid. Een poel is bij ons een ondiepe plas van geringe afmeting. Het Griekse woord ‘limné’, dat hier gebruikt wordt, vinden wij in Lucas vertaald door ‘meer’, namelijk het meer van Gennésareth, dat zo groot is, dat het ook ‘zee’ (thalassa) van Galiléa heet. Het vuurmeer duidt een concentratie aan van boze geesten, die eenmaal hun ‘eigen woonplaats hadden verlaten’ en één geest werden met de goddeloze mensen (Judas 6; 2 Petrus 2:4). Bij het sterven weigeren deze mensen de met hen verbonden demonen los te laten, omdat zij de duisternis liever hebben dan het licht (Johannes 3:19). De boze geesten worden dan tegen hun wil naar de Tartarus (afgrond) gevoerd. Daar bevinden zich ook de boze geesten die door Jezus of later door zijn volgelingen werden uitgeworpen. De demonen willen niet naar de afgrond of bodemloze put om een ander beeld voor deze poel te gebruiken want daar worden ze gevangen gehouden. Zo smeekten zij eenmaal Jezus, ‘dat Hij hen niet zou bevelen naar de afgrond te gaan’ (Lucas 8:31). De ‘hellevaart’ gebeurde toch, toen zij in de zwijnen voeren en de troep van de steilte in het meer plofte. De varkens verdronken, maar de demonen kwamen in de afgrond terecht van de onderwereld. Van Judas werd gezegd, dat hij een duivel was. Toen hij stierf, ging hij ‘naar zijn eigen plaats’ in deze diepe zee van de necropolis. Tot de rijke man zei Abraham:

Er gaapt tussen ons en u een geweldige afgrond, zodat men van hier niet naar u kan gaan, ook al zou men het willen, en men van ginds niet naar ons komen kan (Can. Vert.).

De rijke man stond bij wijze van spreken nog in de diepte van de oever van de kokende vuurzee, waar hij pijn leed vanwege de uitstraling van de laaiende vlammen, dus door de sfeer van de gekerkerde, wetteloze geesten. Deze duivelen blijven tot de eindtijd onder toezicht van de cipiers van de gevangenis, van Dood met zijn doodsengelen.

Apollyon, koning van de afgrond

Tijdens de zondvloed stierven miljoenen mensen, die met de destructieve geesten onder leiding van de machtigste trawant van de satan, Abaddon, waren verbonden. ‘Abaddon’ is een Hebreeuws woord, in het Grieks door Apollyon vertaald. Oorspronkelijk betekent het verderf, verdoemenis, ondergang; verder dodenrijk, onderwereld, Ps.88:12, Job 26:6; 28:22, Spr.15:11. In Op.9:11 duidt het een persoonlijke verderver, verwoester aan en wel één uit de afgevallen geestenwereld. Hij heet de engel van de afgrond, van de onderwereld’ (Chr. Encyclopedie). Bij hun verdrinkingsdood werd de inwendige mens van deze goddelozen uit de voortijd naar de diepte van de dodenstad getrokken. Zij boeten daar nog steeds met ‘een eeuwig verderf’, dat betekent in gemeenschap met de verdervende engelen van Abaddon, ‘ver van het aangezicht van de Heer’ (2 Thess.1:9). Vergelijk deze begeleidende geesten met die van de arme Lazarus, die door (zijn) engelen in de schoot van Abraham werd gedragen.

Wij moeten niet vreemd opkijken dat men zich een beeld vormde van een onderaardse stad en een meer. De symbolische taal die de Bijbel gebruikt, is ontleend aan oosterse situaties. Een groot deel van Palestina is kalkland, waar druipsteengrotten zijn met krochten en holen. David verbleef met ongeveer 400 man in de spelonk van Adullam en verborg zich later met ongeveer 600 man in de spelonk van Engedi. Deze spelonken waren toen ook de ‘bergvestingen’ (1 Sam.22:1, 4;24:4). Job sprak over mensen ‘die in aardholen en rotskloven moeten wonen’ (30:6). Veel Nederlanders zijn wel eens in de grotten van Han geweest, waar een zeer hoge, grote ruimte de Dom heet. Over een meer vaart men de grotten weer uit. De Engelse schrijver H. Bonar bezocht een spelonk bij Bethlehem en vertelde:

‘Honderden mensen konden er een plaats vinden en iemand, die de spelonk binnentrad, zou niets van hen bespeuren. Elke kamer is een statige hal met gotische pilaren aan de zijden. Hier en daar zijn openingen, waardoor men in de belendende holen komt’.

Hebreeën 11:38 vermeldt van vervolgde gelovigen: ‘Zij hebben rondgedoold door woestijnen en gebergten, in spelonken en holen van de aarde’. In verband met de situatie na het sterven beperken wij ons tot het beeld van de necropolis en dat van het nieuwe Jeruzalem. In de eindtijd komt alles tot volheid en deze wordt getoond in de ondergang van de stad die de duivel bouwt en in de voltooiing van de stad waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.

De Hades in beroering

Er zijn in de necropolis ook wijken waar rust heerst. Jezus zei dat Lazarus bij zijn sterven door de engelen werd gedragen in de schoot van Abraham. In plaats van de uitdrukking ‘tot zijn voorvaders verzameld’, heeft de Joodse literatuur ook het meer bepaalde ‘naar vader Abraham gaan’, of ‘bij Abraham, Izaäk en Jakob opgenomen worden’. Lazarus ging naar de plaats, waar deze rechtvaardigen zich bevonden. De aartsvaders waren wel ‘rijke mannen’, maar zij leefden eenvoudig en in gerechtigheid. Zij strekten zich uit naar de geestelijke wereld, want zij verwachtten de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is en zij verlangden naar een hemels vaderland. In dit geloof stierven zij allen, zonder de belofte te hebben gekregen (Hebr.11:10-16). Dit geloof en deze hoop die gepaard gingen met liefde tot God en de naaste, zijn alle drie blijvend (1 Cor.13:13). Zij namen deze goddelijke eigenschappen mee naar de Hades. Hun geloof was het eigendomsbewijs van wat zij hoopten en een bewijsmiddel voor de dingen, die zij nog niet konden zien. Zij hadden dus de schatten van het Koninkrijk van God gegrepen, net zoals Lazarus dit had gedaan, want zijn naam drukte zijn wezen uit: God helpt.

Trouwe, dienende engelen

In de Hades waren zij omringd door hun trouwe, dienende engelen, die ook uitzagen naar de grote dag van bevrijding. Deze brak aan toen Jezus met zijn legers als overwinnaar binnenkwam met de stadssleutels in de hand. De Hades kwam in beroering toen de graven van de heiligen opengingen, een beeld dat de poorten van de dodenstad onder gejuich van de engelen ontsloten werden en de heiligen nog 40 dagen op aarde verschenen als bewijs van hun opstanding. Bij zijn hemelvaart trok Jezus met deze voormalige gevangenen de heilige stad binnen (Matth.27:52,53). Wij lezen: ‘Zij kwamen in de heilige stad en zijn velen verschenen (op aarde’, Stat. Vert.). Zij vormen nu een deel van de gemeente, die bestemd is om de schepping te herstellen, zoals er staat, dat Jezus ‘afwacht, totdat zijn vijanden gemaakt worden tot een voetbank zijner voeten’ (Hebr.10:13). Zo wordt vervuld: ‘Velen zullen komen van Oost en West en zullen met Abraham en Izaäk en Jacob aanliggen in het Koninkrijk der hemelen’ (Matth.8:11).

Van een beroering in een andere wijk lezen wij in 1 Petrus 3:18-20. Bij zijn komst in de Hades predikte Jezus aan de menselijke geesten in de gevangenis, die vroeger ongehoorzaam gewéést waren, in de tijd van Noach. Zij waren weerspannig geweest, maar hadden zich nog op het laatste ogenblik bekeerd tot de God van Noach. De demonen van de duisternis, die hen toen overweldigd hadden, verlieten hen bij het sterven en daarom kwamen zij niet in de plaats van de pijniging, de afgrond. Aan hen verkondigde Jezus het evangelie van schuldvergeving met de belofte van de opstanding in het einde van de dagen. Ook de crimineel aan het kruis kwam in zijn laatste ogenblikken nog tot bekering. Ondanks zijn folterende pijnen verdiepte hij zich in het mysterie van het Koninkrijk der hemelen. Hij verzocht Jezus hem niet te vergeten, wanneer Deze in zijn Koninkrijk kwam. De toezegging was dat de nieuwe, bezitloze volgeling, zijn nieuwe Meester zou vergezellen naar het paradijs. In de necropolis zou hij dezelfde geloofstoestand ervaren, die de aartsvaders hadden. Jezus gebruikt een beeld, dat voor de Jood een gewone benaming was voor de gezegende toestand, waarin de rechtvaardigen na hun sterven verkeerden. Op dezelfde manier wandelen wij door het geloof als burgers in de hemel, terwijl wij nog op aarde vreemdelingen zijn in de doodssfeer van de overste van de macht van de lucht. Bij de hemelvaart zou deze laatste bekeerling van Jezus zijn plaats innemen als een plant in het hemelse paradijs.

De rechtvaardigen van alle eeuwen

Er zijn nog andere wijken in de necropool waar de prediking van Jezus de stilte doorbrak. Er is een Levensboek, waarin de namen zijn opgetekend van mensen, die goddelijke eigenschappen openbaarden, zoals liefde tot de medemens, barmhartigheid jegens allen die in nood verkeerden en die bekend stonden om hun goedheid. Zij worden geoordeeld naar hun werken (Op.20:13). Wie in dit Levensboek staan, zullen ontkomen aan de verschrikkingen van de hel. Zij zullen bij de opstanding ‘ontwaken tot eeuwig leven’ (Dan.12:1,2). Wat denkt u van de Egyptische vroedvrouwen, Sifra en Pua, van wie de namen in de Bijbel zijn opgetekend, omdat zij ‘ontzag voor God hadden’. Ebed-Melech, de Ethiopiër, had medelijden met de profeet Jeremia, die in een droge waterput was gegooid. Deze barmhartige ‘knecht van de koning’ zoals zijn naam luidt, haalde lappen en lompen, die de profeet onder de oksels van zijn armen deed. Daarna werd Jeremia voorzichtig naar boven gehesen. Ook de naam Ebed-Melech werd in Gods Woord opgetekend, maar hij stond ook in het Levensboek. Bovendien kreeg hij op aarde de toezegging, dat hij bij de verwoesting van Jeruzalem ontkomen zou, ‘omdat hij op de Heer vertrouwd had’ (Jer.39:16-18). Zo zijn er nog veel barmhartige Samaritanen. Schreef de broer van de Heer niet, dat barmhartigheid roemt tegen het oordeel? Zij haalt de zege in die grote dag.

Altijd zijn er ‘goede mensen die met goede dingen uit zijn schatkamer het goede tevoorschijn haalt’ (Matth.12:35). Er zijn ‘heidenen die van nature doen wat de wet gebiedt en die zichzelf tot wet zijn’ (Rom.2:14). Ook dezen die nu nog in de ‘graven’ zijn, zullen de stem van de Heer horen en zij zullen uitgaan naar een nieuwe aarde bij de opstanding ten leven, omdat zij ‘het goede deden’ (Joh.5:28,29). Ook voor hen komt het dodenrijk in beroering. Bij de opstanding van de doden tijdens het laatste oordeel zal Jezus zijn volmaakte gemeente inschakelen. De zonen van God hebben dan als medewerkers de aarde al geschoond en de zuchtende schepping hersteld. Zij gebruikten hiertoe de sleutels van het Koninkrijk der hemelen. Dan dalen zij af in de dodenstad met de sleutels van de Hades in de hand, om de laatste vijand een ‘dodelijke’ slag toe te brengen. De apostel had kunnen schrijven:

Weet u niet, dat u demonen zult oordelen?’ Dan is de tijd aangebroken, dat alle knieën zich zullen buigen: ‘ook die van de mensen die onder de aarde zijn’. ‘Allen zullen dan belijden dat Jezus Christus Heer is, tot eer van God, de Vader (Fil.2:10,11).