9. Een stilte van ongeveer een half uur – Het zevende zegel

 

Openbaring 8:1-13

En toen het Lam het zevende zegel geopend had, kwam er een stilte in de hemel van ongeveer een half uur. En ik zag de zeven engelen die vóór God stonden en aan hen werden zeven bazuinen gegeven 1,2.

Het Lam van God opent het zevende en laatste zegel van de boekrol. Nu begint de eindtijd. De dag van de Heer is ingegaan. De profeet sprak over deze tijd: ‘O angstwekkende dag! Nabij is de dag van de Heer, de dag van ondergang die komt van de Ontzagwekkende!’ (Joël 1:15). Wij wijzen erop dat de Openbaring geen algemeen geschiedenisboek is, maar zij behandelt de ontwikkeling van de ware gemeente van Jezus Christus, die tot haar doel komt en van de valse schijnkerk, die een prooi wordt van satans’ demonen en ten ondergaat. Natuurlijk heeft deze gang van zaken met de wereldsituatie te maken, met volken, natiën en talen, aangezien én de ware gemeente én de valse kerk over de hele aarde verspreid zijn. Zo komen in het Oude Testament – dat een beschrijving is van de geschiedenis van het volk Israël – ook de wereldmachten van die dagen voor, omdat deze in aanraking kwamen met het verbondsvolk.

Had dit oude volk zijn natuurlijke vijanden, de gemeente van Jezus Christus heeft een strijd in de onzienlijke wereld te voeren en haar vijanden zijn niet van vlees en bloed, maar de worsteling is tegen de overheden, de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de demonen in de hemelse gewesten (Ef.6:10-24). Wanneer het eeuwig evangelie (Op.14:6), over de hele aarde verkondigt wordt, zal het volk van God ook in aanraking en in conflict komen met satans’ demonen die deze volken beheersen. Paulus vermaande om de juiste wapenuitrusting hiervoor aan te trekken, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag.

In de onzichtbare wereld ontstaat een strijd, zoals nooit geweest is en ook niet meer zal zijn. In de natuurlijke wereld worden de gevolgen zichtbaar. Geest en ziel komen onder zware pressie te staan en vandaar uit wordt verder het verwoestende werk in de zichtbare wereld gedaan. In deze strijd staan de opnieuw geboren en Geestvervulde christenen volkomen onder de directe leiding van Gods Geest en een naamchristendom onder de heerschappij van de machten van de duisternis. In Romeinen 8:11 wordt er op gewezen, hoe het zichtbare de invloed ondergaat van het onzichtbare: ‘Want als de Geest van hem die Jezus uit de dood heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus Jezus heeft opgewekt ook u die sterfelijk bent, levend maken door zijn Geest, die in u leeft.’

Waar Gods Geest de absolute leiding heeft, zal het lichaam (niet het gestorven, maar sterfelijke) ook functioneren naar de wetten van God. Waar echter de machten van de duisternis opereren, zal vanuit de inwendige mens ook het lichaam aangetast worden. Ook zal het maatschappelijke, staatkundige en economische leven ontwricht worden, omdat de verdorvenheid van Babylon, spanningen, woelingen, ontevredenheid, revoluties en oorlogen meebrengt. In Openbaringen 7:1,2 staat, dat de winden vastgehouden worden, totdat de zonen van Gods zonen verzegeld zijn met de Geest van de belofte.

Babylon ziet geen gevaar

Voordat de storm ontketend wordt, is er een stilte van ongeveer een half uur in de onzienlijke wereld. Het grote Babylon ziet geen gevaar, vanwege de demonen die het zelf heeft binnengehaald: Het altijd maar weer zichzelf doden, haar geliefde erfzonde, de ingebakken zelfverwerping, de gekoesterde hysterie en haar allesoverheersende weerspannigheid. De rest van haar dwalingen hier. Paulus schreef: ‘Want u weet zelf maar al te goed dat de dag van de Heer komt als een dief in de nacht. Als de mensen zeggen dat er vrede en veiligheid is, worden ze plotseling getroffen door de ondergang, zoals een zwangere vrouw door barensweeën’ (1 Thess.5:2,3). Het is dan onmogelijk om nog te vluchten, omdat de weerspannige inwoners van Babylon één zijn geworden met hun zelf binnengehaalde duisternis.

Er kwam een stilte in de hemel (niet op aarde) van ongeveer een half uur lang. Een stilte rondom de troon van God, het Lam en van allen die daar verzameld zijn en bij dit gebeuren betrokken zijn; zowel mensen als engelen (Op.7:9-17). Johannes ziet deze stilte ontstaan in de hemel van de mensen in witte gewaden over wie God zijn tent uitspreidt. De opening van het zevende zegel gaat voorbij aan hen die geen ogen en oren meer hebben voor ontwikkelingen in Gods Koninkrijk; voor hen draait de wereld ‘gewoon’ door. De massa die gerieflijk in Babylon woont, merkt niets op. Het slaapt. Het is nacht. Het blijft verborgen voor hun ogen. Alleen een ‘rest’ merkt het op.

Belial overwonnen

Vlak vóór de opening van het zevende zegel behaalt deze ‘rest’ een zeer belangrijke overwinning. In de slotfase van het zesde zegel passeren de ware volgelingen van Jezus de grote weerhouder van de volle verlossing: Belial, de aanvoerder van de hele demonische ruiterij op rode, zwarte en vale paarden. Als eersten rukken zij in hun hemel deze laatste berg en eiland van zijn plaats (Op.6:4,5,8,14). Hiermee doorbreken zij de laatste barrière op de weg naar geestelijke volwassenheid en wordt de opening van het zevende zegel mogelijk. Belial raakt ‘dodelijk gewond’: de machtigste van de grootvorsten, die direct onder satan opereert, gaat af, omdat hij zijn doel in hun leven niet bereikt (Jer.20:11). De stilte van een half uur wijst op een bestemde tijd, dat zowel het onkruid als de tarwe vrucht gaan dragen. De tarwe gaat immers rijpen als de vroege en late regen gevallen zijn, dat wil zeggen wanneer de zonen en dochters van God verzegeld zijn. Op hetzelfde moment wordt het onkruid klaar gemaakt om haar satanische vruchten voort te brengen. Hierna gaan de zeven engelen hun werk doen. Jezus sprak: ‘En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers (engelen) zeggen: Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar brengt het koren bijeen in mijn schuur’ (Matth.13:30).

Zij, die in een opname van de gemeente geloven vóór de grote verdrukking, moeten de aangehaalde tekst als volgt verdraaien: ‘Haal eerst het koren bij elkaar en niet eerst het onkruid!’ In Mattheüs 13:49 lezen wij echter: ‘De engelen zullen uitgaan om de bozen uit het midden van de rechtvaardigen af te zonderen en zij zullen hen in de vurige oven werpen’. Er staat dus niet, dat de rechtvaardigen uit het midden van de bozen zullen worden weggenomen door een opname van de gemeente. De heilige engelen halen het goede deel binnen en de boze geesten het kwade deel. In de grote verdrukking verzamelen de laatsten het onkruid. De bozen worden door de demonen overmeesterd en automatisch weggezogen. Hierdoor ontstaat de scheiding. De grote hoer is de bundeling van bozen en demonen. Wanneer gezegd wordt: ‘Trek uit’, betekent dit dus: ga apart staan, laat u niet meevoeren, wanneer de boze geesten uit de afgrond als een zondvloed over de wereld komen (2 Petrus 3:10).

Bazuinen

De bazuinen van de zeven engelen geven ons een indruk op welke wijze het beeld van de vurige oven op de wereld geconcretiseerd wordt. Let wel, dat de brandende oven van Nebukadnezar zo heet gestookt was, dat de mannen die Sadrach, Mesach en Abednego erin moesten werpen, door de vlam van het vuur werden gedood, maar dat deze drie vrienden zelf, in de vurige oven (beeld van de grote verdrukking) bewaard bleven: ‘Want het bleek, dat het vuur geen macht had gehad over de lichamen van deze mannen, dat hun hoofdhaar niet was geschroeid, dat hun mantels ongeschonden gebleven waren, ja, dat er zelfs geen brandlucht aan hen gekomen was’ (Daniël 3:27).

Eenmaal ging er een vloed van water over de aarde, maar Noach werd bewaard in de ark. Zo gaat na de opening van het zevende zegel een vloed van vuur over de aarde, maar de ware kinderen van God zijn in Christus, in de ark van het behoud, veilig. Door de verzegeling met Gods Heilige Geest blijken zij in staat in het lichaam van Christus te blijven, afgescheiden van het vuur dat over de aarde gaat. De zeven bazuinen betekenen de dag van toorn van God en van het Lam. Voor Jezus betekende de dag van toorn (‘het uur van de duisternis’), dat Hij op Golgotha prijsgeven werd aan de boze geesten. In de eindtijd houdt het in, dat een verbasterd christendom door wilde dieren (het vuur) verslonden wordt. Voor de verzegelden geldt dan: ‘Moet je door het water gaan – Ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien. Want Ik, de Heer, ben je God, de Heilige van Israël, je Redder’ (Jes.43:2,3). De zeven engelen kondigen de oordelen over het naamchristendom aan en geven ook het tijdsein ervan aan. Deze engelen zijn die van de zeven gemeenten, beeld van de enige gemeente van Jezus Christus.

En er kwam een andere engel, die met een gouden wierookvat bij het altaar ging staan. Aan hem werd veel reukwerk gegeven, zodat hij dat samen met de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar vóór de troon zou leggen. En de rook van het reukwerk steeg, met de gebeden van de heiligen, uit de hand van de engel op tot vóór God. En de engel nam het wierookvat en vulde dat met het vuur van het altaar en wierp het op de aarde en er kwamen stemmen, donderslagen, bliksemstralen en een aardbeving 3-5.

Behalve de heilige engelen ‘die voor God staan’ en die ‘voortdurend het aangezicht zien van de Vader’ (Matth.18:10), is er ook sprake van een andere engel, namelijk die van Jezus, van wie gezegd wordt: ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om jullie dit te betuigen voor de gemeenten’ (22:16). Deze is waarschijnlijk dezelfde engel Gabriël, die verschillende malen door God naar Daniël uitgezonden was om deze profeet de woorden van God en speciaal de gedachten over de eindtijd in beelden door te geven (Op.5:2 en 10:1). Merkwaardigerwijze wordt er in Daniël 9:21 bij gezegd: ‘Op de tijd van het avondoffer’. Zo is ook hier sprake van offers die in de eindtijd – de avond van dit tijdperk – aan God door zijn volk gebracht worden. Deze engel van de Heer is in het hemelse heiligdom. In zijn hand draagt hij het gouden wierookvat met het eeuwige vuur van het hemelse brandofferaltaar (Lev.16:12). In zijn andere hand verzamelt hij de lof- en dankoffers van de verloste en verzegelde kinderen van God als ‘fijn gestamd welriekend reukwerk’ met de gebeden van de heiligen. Dan gaat hij naar het gouden reukofferaltaar en brengt het vuur en het reukwerk daarop.

De hogepriester moest vroeger het reukwerk in het gouden wierookvat strooien en meenemen achter het voorhangsel. Dit is nu niet meer nodig, want het voorhangel is weggenomen en het gouden reukofferaltaar staat rechtstreeks voor de troon van God. Het vuur van het altaar was het middel om de lof, de dank, de aanbidding en de gebeden van de heiligen als een welriekende geur te doen opstijgen voor Gods aangezicht. Het brandofferaltaar waarbij zijn engel staat, beeldt Christus uit als verzoener van de zonde. Zijn engel brengt het begeleidende reukoffer zoals eenmaal de aardse hogepriester dit deed. De verzoening gebeurde, omdat het Lam van God in de volheid van de tijd zich volkomen heeft overgegeven aan het vuur van de beproeving, de machten van de duisternis en als overwinnaar uit de strijd kwam. Het vuur van de beproeving in deze eindtijd is ook de oorzaak dat door de verlosten overvloedig lof en aanbidding worden gebracht aan Jezus Christus en in Hem aan de Vader, vanwege hun overwinning op de vijanden.

Dan keert de engel terug en neemt opnieuw vuur van het altaar en ditmaal werpt hij het op de aarde. Het heeft daar een verschrikkelijke uitwerking. Er komen donderslagen, stemmen, bliksemstralen en aardbeving. De grote verdrukking over de hele aarde wordt met grote intensiteit voortgezet. Maar er is een duidelijk verschil tussen de uitwerking die de satans’ demonen hebben op de kinderen van God en die zij uitoefenen op hen die geen deel aan de verzoening door Jezus Christus hebben. De apostel zegt: ‘Wij roemen in de verdrukkingen’ (Rom.5:3). De gelovigen worden aangespoord te volharden en de hoop tot het einde toe onwankelbaar vast te houden en zich nog meer aan te sluiten aan Christus. Zij brengen Hem overvloediger eer voor uitredding en bewaring en maken al hun noden onder bidden en dankzegging aan Hem bekend.

Wee hen die op de aarde wonen

Hoe geheel anders is de werking van de demonen op hen die op de aarde wonen. Er komt benauwdheid onder de volken, de maatschappij wordt ontwricht en het geweld viert hoogtij. Meer dan ooit zal het gezien worden, dat de naam van Jezus en het werk van Jezus een scheiding (oordeel) brengen op deze aarde. Voor de één is dit alles een levensgeur ten leven en voor de ander een doodslucht ten dode. Jezus is niet alleen de Doper in Heilige Geest, maar ook die doopt met vuur. ‘De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren’ (Matth.3:12). De tijd is gekomen dat het kaf, dat vroeger nog wel een functie had, ten prooi valt aan het vuur. Wanneer het graan rijp geworden is, heeft het kaf afgedaan. Dan komt ook de scheiding tussen het ware volk van God en het schijnchristendom. Toen de Zoon van God in Heilige Geest gedoopt werd, volgde ogenblikkelijk de vuurdoop: ‘Toen werd Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de duivel’ (Matth.4:1). Zo worden ook de zonen en dochters van God op dezelfde wijze beproefd. Het vuur van het altaar dient enerzijds tot loutering en beproeving van het volk van de Heer en anderzijds tot vertering van alles wat Hem niet toebehoort. God gebruikt het vuur, dat is de satan met zijn demonen, om zijn doel te bereiken: een gemeente stralend, zonder vlek of rimpel (Rom.8:28). Joël profeteerde over het machtige, verdervende leger van sprinkhanen, knagers, kaalvreters en verslinders, dat over de aarde trekt en Gods leger is, dat zijn woord volbrengt, ‘want groot is de dag van de Heer en zeer geducht!’ (Joël 2:11). Petrus sprak: ‘Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt’ (1 Petr.4:12,13).

De gemeente in de eindtijd gaat door de glazen zee, die vermengd is met vuur, maar God zal voor haar een pad banen. Jezus had tijdens zijn omwandeling op aarde gezegd: ‘Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het al ontstoken is?’ (Luc.12:49). Ook toen had dit vuur een dubbele uitwerking. Hij kwam immers tot een oordeel in deze wereld. Wat Hemzelf betrof, begon dit vuur tijdens zijn bediening op aarde te branden en aan het einde ervan ging Hij daar in onder, want, vervolgde Hij zijn uitspraak: ‘Ik moet gedoopt worden met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is’. Wat zijn begeerte betrof, bad Hij toen: ‘Vader, als u wilt, neem deze beker van Mij weg; maar niet Mijn wil, maar die van U gebeurt!’ Hij was de eerste die door de glazen zee vermengd met vuur ging en die behouden de overkant bereikte. Het boek Openbaring is niet geschreven in chronologische volgorde. Zo loopt het openen van het zevende zegel en het blazen op de bazuinen parallel met wat beschreven wordt vanaf Openbaring 12. In dit hoofdstuk gaat het vooral om de negatieve gevolgen voor de wereld, vanaf Openbaring 12 worden de positieve gevolgen voor de zonen van God beschreven.

De eerste vier van de zeven bazuinen

En de zeven engelen die de zeven bazuinen hadden, gingen zich gereedmaken om op de bazuin te blazen. En de eerste engel blies op de bazuin en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed en dat werd op de aarde geworpen. En het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde 6,7.

In de Bijbel gaat het blazen op bazuin gepaard met een oproep of een proclamatie. In tijden van oorlog om het leger te verzamelen en op te roepen tot de strijd (Richt.6:34, Jes.18:3). Als een teken voor aanval of terugtocht (2 Sam.20:22). Of om het krijgsgeschreeuw te versterken (Amos 2:2). Bij het innemen van Jericho blazen de priesters op ramshoorns en heft het hele volk een luid gejuich aan (Joz.6:4,5). In tijden van gevaar wordt de bazuin gebruikt om het volk te waarschuwen (Ez.33:3). De bazuin is ook verbonden met de eredienst. In het jubeljaar van het oude verbond moest op Grote Verzoendag in heel het land de ramshoorn luid schallen (Lev.25:9). Net als bij de aankondiging van de nieuwe maan toen (niet vandaag), het joods nieuwjaarsfeest (Lev.23:24, Ps.81:4). De bazuin roept het volk dan bijeen voor een heilige samenkomst (Num.29:1). Het overbrengen van de ark naar Jeruzalem vindt plaats onder gejuich en stoten op de ramshoorn (2 Sam.6:15). Ook bij belangrijke gebeurtenissen blaast men in Israël op de bazuin. Als Salomo de troon bestijgt, klinkt de bazuin en roept men: Leve de koning (1 Kon.1:34). Na de zalving van Jehu blaast men op de ramshoorn en roept: Jehu is koning (2 Kon.9:13). De bazuin komt voor in visioenen en profetieën. Psalm 47 beschrijft de hemelvaart van Jezus. Dit gebeurt onder gejuich en bazuingeschal. Profeten spreken over bazuinen bij de aankondiging van de dag van de Heer (Joël 2:1,15; Sef.1:16). Over een ‘grote bazuin’ in verband met de terugkeer van het volk naar de heilige berg in Jeruzalem (Jes.27:13). Na de verwoesting van de tempel blijft de bazuin in de synagoge in gebruik om de sabbat aan te kondigen. Nog steeds kun je in Israël het geluid van de ramshoorn horen: op Rosj Hasjana, het joodse nieuwjaarsfeest, en Jom Kippoer, Grote Verzoendag.

Duidelijk geluid

De bazuin is geen melodie- maar een signaalinstrument. Het blazen op de bazuin wijst op een luid en duidelijk spreken. Op een belangrijke bekendmaking en op een heldere en concrete oproep. Het spreken van God tot het volk – en met name tot Mozes – wordt ingeluid en begeleid door zeer sterk bazuingeschal (Ex.19:16-19). Jesaja zegt: Roep luidkeels, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin (58:1). Jeremia profeteert: Maak bekend in Juda, laat horen in Jeruzalem, beveel: Blaas de ramshoorn in het land! Roep luid: Verzamelen (4:5)! Paulus schrijft: Als de bazuin een onduidelijk geluid geeft, wie zal zich gereed maken tot de strijd (1 Cor.14:8)? Na de opening van het zevende zegel klinkt er vanuit de hemelse tempel – de gemeente van Jezus Christus – zevenmaal een helder en duidelijk geluid in hemel en op aarde uit van Hem die op de troon zit en van het Lam. Om tijden en gelegenheden aan te kondigen, op te roepen tot strijd, te waarschuwen voor gevaar, bijeen te roepen voor een heilig samenzijn, te verzamelen voor belangrijke gebeurtenissen. De dag van de Heer breekt aan. Ieder die wil, mag komen naar de berg van de Heer, zich voegen bij het volk van de ware koning, Jezus Christus. De zeven bazuinen geven zicht op de positieve en negatieve ontwikkelingen in de tijd van het zevende zegel. Zij laten zien wat er gebeurt voordat Jezus Christus bij de laatste bazuin terugkomt. Deze bazuinsignalen klinken vanuit de gemeente. Zij zijn te horen in hemel en op aarde. Engelen en mensen dragen de boodschap uit. De zeven engelen voor Gods troon: de engelen van de gemeenten – en daarmee alle engelen die bij de gemeenten horen.

Bij de zevende bazuin storten de muren in van de grote stad, die ‘geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte’, beeld van de verbasterde kerk. De strijd gaat immers om de vrouw van het Lam, de stad van God tegen de hoer, het grote Babylon. Wanneer de eerste engel zijn opdracht vervult, komt er hagel en vuur. Wij denken hierbij aan de zevende plaag in Egypte: ‘Toen liet de Heer het donderen en hagelen. Er schoot vuur naar de aarde en de Heer liet de hagel op Egypte neerkletteren. Zo’n zware hagelbui, waarbij onophoudelijk de bliksem flitste, was er in Egypte nooit eerder gevallen, zolang het volk bestond’ (Ex.9:23,24). Opgemerkt wordt, dat het alleen in het land Gosen, waar de Israëlieten woonden, niet hagelde. Ook bij de weergave van deze plaag is het Oude Testament schaduw van de hemelse werkelijkheid. Wij zagen al meerdere keren dat het vuur het beeld is van de onzienlijke demonen, die het leven van de mens aantasten en beschadigen. De hagel drukt de felheid en de hardheid uit, waarmee de demonen op de mens neervallen. Hagel ontstaat als gevolg van de werking van krachten en spanningen in de lucht. De hagel die hier bedoeld wordt, is het gevolg van de werking van de demonen, waardoor de mens wordt geteisterd. In Openbaring 16:21 wordt gesproken van hagelstenen, die ongeveer 50 kg wegen. Het is een uitdrukking om de grootte van de verwondingen en beschadigingen aan te geven, die deze demonen veroorzaken. Het bloed is beeld van de natuurlijke mens. Deze uitwendige mens is het bezit, dat de inwendige of geestelijke mens heeft boven iedere andere geest en waardoor hij in de geestenwereld onderscheiden is.

Wanneer hagel en vuur zich met bloed mengen, wijst dit erop dat er samenwerking is tussen de natuurlijke mens en de demonische geesten. Petrus wees in zijn rede op de Pinksterdag op dit samengaan van de onzichtbare en zichtbare wereld: ‘En ik zal wonderen geven in de hemel boven (onzichtbare wereld) en tekens op de aarde (zichtbare wereld) beneden: bloed en vuur en rookwalm’ (Hand.2:19). De rookwalm is het begeleidend verschijnsel van het vuur, dat het uitzicht naar boven belet en het leven verstikt. Wanneer deze plaag begint, wankelen de ordenende wereldgeesten. Toen God de mens schiep, gaf Hij hem de opdracht de aarde te onderwerpen en te beheersen. Om dit te kunnen volbrengen, ontving de mens een geest, waardoor hij boven alle andere wezens van de aarde verheven werd. Door de kracht van deze geest moest de mens de wetten van God op aarde handhaven. Bij de uitbreiding van het menselijke geslacht ontstond een machtig leger van menselijke geesten, dat de aarde beheerste en tot ontwikkeling bracht. De Bijbel spreekt hier van wereldgeesten.

Wanneer de ordenende wereldgeesten in de maatschappij, maar ook in de kerk, wankelen, wordt de wetteloosheid geopenbaard. De wereldgeesten zijn het, die de ontbindende werkingen van de boze behoren te weerhouden (2 Thess.2:7). Het vuur – satans’ demonen – tast de wereldgeesten aan, om hun aanzien, kracht en macht te vernietigen. Herhaalde malen vergelijkt de Bijbel hooggeplaatste mensen in de wereldkerk of in het politieke leven met bomen. Jesaja profeteerde: ‘Op die dag zal de Heer van de hemelse machten zich keren tegen ieder die hoogmoedig is en trots, tegen ieder die zich verheven acht – ze worden vernederd, tegen alle ceders van de Libanon die zich zo trots verheffen, tegen de eiken van Basan’ (Jes.2:12,13). Bekend is een droom van Nebukadnezar, waarin deze zichzelf als een grote sterke boom zag. Een engel daalde neer en riep: ‘Houw de boom om en kapt zijn takken’ (Dan.4:14). In de dag van wraak blijven alleen de ‘eikenbomen van de gerechtigheid’ staan (Jes.61:3).

Bij de eerste bazuin vallen veel groten in het kerkelijke en maatschappelijke leven: ‘En het derde deel van de bomen verbrandde’. Zij worden dus volkomen onder de voet gelopen. Tenslotte verbrandt al het groene gras. Juist het jonge leven is vatbaar voor de beïnvloeding van de duistere demonen. Kinderen hebben immers het geringste weerstandsvermogen, vooral wanneer zij niet in de ouders geheiligd zijn. Wanneer een ouder niet in de wapenuitrusting van God voor zijn kinderen op de bres staat, worden dezen gemakkelijk beïnvloed, verleid en overheerst door boze geesten. Opvallend is b.v. de verschrikkelijke indoctrinatie vandaag in het onderwijs. De dagen van Mao, Pol Pot, Hitler, Stalin en nog wat schoften, herleven. Wij zien hoe de wereldgeesten hun gezag verliezen, omdat de demonen vooral op de jeugd beslag leggen. De jonge mensen in Babylon vallen bij de eerste stormloop als een gewillige prooi in handen van de vijand. Maar tegelijkertijd is er voor de jeugd van de zonen en dochters van God een speciale belofte van Gods Geest. Waar de ouderen nog verzet aantekenen, gaat de jeugd voorop, want: ‘Aan het einde van de tijden, zegt God, zal Ik over alle mensen (die voor God leven) mijn Geest uitgieten. Dan zullen uw zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten’ (Hand. 2:17). Prijs de Heer, want er is verwachting voor onze jeugd. Zij zijn de eersten op wie de Heilige Geest beslag legt en van wie de Heilige Geest zich in deze wereld bedient. Dan wordt vervuld: ‘Om de harten van de vaders te keren tot de kinderen’.

De satan uit de hemel van de gemeente geworpen

En de tweede engel blies op de bazuin en er werd iets als een grote berg, die van vuur brandde, in de zee geworpen. En het derde deel van de zee werd bloed. En het derde deel van de schepsels in de zee, die leven hadden, stierf. En het derde deel van de schepen verging 8,9.

Ook bij de tweede bazuin zullen wij ons opnieuw moeten realiseren, dat het boek Openbaring een aaneenschakeling van visioenen is. Door middel van beelden wordt inzicht geschonken in de onzichtbare wereld. De verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen worden ook hier door middel van gelijkenissen geopenbaard. Daarom geldt ook Openbaring voor de natuurlijke, vleselijke christen, het woord van Jezus: ‘Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen’ (Matth.13:13). Johannes zag hoe iets als een grote berg, brandend van vuur, in de zee geworpen werd. Waar deze visioenen betrekking hebben op de gemeente en de geestelijke wereld, is het dwaas hier te gaan denken aan een atoombom, die bovendien als hij in de zee geworpen wordt, niets van een berg heeft en bij voorkeur op het land en niet in de zee gedeponeerd wordt. Bergen zijn beelden van geestelijke machten. Zo wordt de Heilige Geest voorgesteld als ‘een grote en hoge berg’, waarop de gemeente, de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, ligt (21:10). Geen enkele macht is met deze berg te vergelijken. Wanneer de zonen van God geopenbaard worden, is dit alleen mogelijk, omdat Gods Geest ongeremd door hen kan werken. In Jesaja 2:2 staat: ‘En het zal gebeuren in de laatste dagen: dan zal de berg van het huis van de Heer vast staan als de hoogste berg en hij zal verheven zijn boven de heuvelen’.

Nu is de tempelberg of de Sion ongeveer 740 meter boven de zeespiegel gelegen. Door hem – een letterlijke vertaling aanhoudende – boven de hoogte van de Mount Everest (8840 meter) te verheffen, zou Jeruzalem met recht onbewoonbaar worden. Met zulke naïeve verklaringen houden wij ons niet op: ’Wij zijn genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (Hebr.12:22). Ook in Daniël 2:35 staat dat deze berg de hele aarde vervulde. Wanneer bergen in zee liggen, worden zij eilanden genoemd. In Openbaring 6:14 wordt vermeld dat de geestenwereld geschud werd, zodat ‘alle bergen en eilanden van hun plaats gerukt werden.’ In paniek roepen allen die zich niet geborgen weten in ‘het verborgene van zijn tent’ de bescherming van hun afgoden aan: ‘Zij zeiden tot de bergen en tot de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem, die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?’ In Openbaring 16:20 zien wij hoe de demonen, die eeuwen lang het schijnchristendom overheerst hebben, wijken: ‘En alle eilanden vluchtten weg en bergen werden niet meer gevonden’.

Babylon wordt uitgebeeld als gefundeerd op zeven bergen of vorsten van het rijk van de duisternis (17:9,10). Wie de symbolische betekenis van de bergen verstaat, begrijpt ook dat het mogelijk is bergen te verzetten en in de zee (of in de afgrond) te werpen. De apostel Paulus sprak in verband met de geestelijke gaven: ‘Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis en had ik het geloof dat bergen kan verplaatsen – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn’ (1 Cor.13:2). Het is immers mogelijk in Jezus’ naam boze geesten uit te drijven en toch een werker van de ongerechtigheid te zijn! Groot is het aantal beelden in de Openbaring, dat ontleend is aan het scheppingsverhaal. Er is sprake van licht en duisternis. In het nieuwe Jeruzalem zal geen nacht meer zijn. De sterren, de zon en de maan, de wilde dieren naar zijn aard, hebben alle hun geestelijke tegenhanger. Zo zijn de watermassa’s het beeld van het religieuze (geestelijke) leven en de aarde is het beeld van het natuurlijke leven. De mens leeft immers in deze twee sferen. Wij spreken van geestelijke stromingen en nooit van natuurlijke stromingen. In ons vers is tot driemaal toe sprake van de zee. Deze stelt de geestelijke en godsdienstige wereld van de mensen voor. Soms waaien de winden dit water hoog op, zoals vandaag islam zich manifesteert met massaslachtingen. De winden zijn beeld van duivelen die het geestelijke leven in beweging brengen. Paulus spreekt in Efeziërs 4:14 van allerlei winden van leer.

Op de Pinksterdag was er een geluid als van een geweldige windvlaag. De zee is dus beeld van het geestelijke leven, dat onder de macht van de duisternis staat en in het bijzonder onder die van de dood (de afgrond). Hij behoort nog tot deze aarde, hoewel wij ons op het terrein van de onzichtbare wereld bevinden, waar veel satanische machten opereren. De zee krioelt van wezens, waarvan de watermassa’s wemelen, ieder naar zijn aard (Gen.1:20,21). In deze geestelijke wereld bevinden zich de grote zeedieren, zoals het beest met de tien horens en zeven koppen, dat uit de zee opkomt (Op.13:1). Maar er bevinden zich ook geesten in die ‘leven’ of letterlijk een ziel hebben. Hier is dus sprake van mensen, in tegenstelling met boze geesten, die geen ziel hebben. Iedere ziel die niet gered is, bevindt zich in de zee en is onderworpen aan de heerschappij van de dood. Het is het werk van Christus, allen te bevrijden, die ‘gedurende hun hele leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’ (Hebr.2:15).

Er is maar één uitweg om aan de overheersing van deze boze geesten te ontkomen en behoud te vinden, namelijk wanneer ziel en geest overgeplaatst worden uit de zee naar de hemelse gewesten, om ingevoegd te worden in de witte wolk (zie verder 14:14). Het parallelgedeelte van de verzen 8 en 9 luidt in hoofdstuk 12:7-9: ‘Toen brak er oorlog uit in de hemel. Michaël en zijn engelen bonden de strijd aan met de draak. De draak en zijn engelen boden tegenstand maar werden verslagen; sindsdien is er voor hen in de hemel geen plaats meer. De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt. Samen met zijn engelen werd hij op de aarde gegooid.’

Net als bij de eerste bazuin krijgt Johannes ook nu het resultaat te zien van het tweede bazuinsignaal in hemel en op aarde: de overwinning op de draak en zijn engelen wordt een feit; ook deze grote berg – de laatste en grootste van de bergen – wordt van zijn plaats gerukt. Het vergaat satan in deze strijd met Jezus’ gemeente tijdens het zevende zegel als al zijn grootvorsten, heersers, machthebbers en kwade geesten vóór hem tijdens het zesde zegel. Ook de satan verliest elke plaats, elke invloed in de hemel van de gemeente. De tweede bazuin roept op tot de strijd, tot standhouden in deze beslissende strijd.  Voor de zonen van God gaat het er in deze confrontatie met de draak en zijn engelen om bij hun keuze te blijven het Lam te volgen, waar Hij ook heengaat, om ook onder déze omstandigheden in zijn voetsporen te blijven stappen. De geestelijke volwassenheid wordt gebaard na het blazen van de eerste bazuin. Na het blazen van de tweede bazuin komt de geestelijke volmaaktheid openbaar van de zonen van God. Voor hen geldt dan: ‘Wanneer het volmaakte komt zal wat beperkt is verdwijnen. Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben, heb ik al het kinderlijke achter me gelaten’ (1 Cor.13:10,11). Deze oorlog met de draak is voor Gods zonen het laatste deel van hun vuurdoop, het slotstuk in een reeks van verzoekingen en beproevingen waarmee zij te maken hebben vanaf het begin van hun leven met Jezus. Net als in alle eerdere verzoekingen kunnen zij ook in deze laatste confrontatie standhouden. Het is echter geen schijnvertoning, geen strijd die ‘niets’ voorstelt. Het kan nog steeds misgaan, zelfs in dit stadium van de geestelijke ontwikkeling. Dat kon destijds bij Jezus’ verzoekingen in de woestijn ook. Daar handelt Jezus op volwassen wijze als Zoon van God en Knecht van de Heer. De eerste verzoeking pareerde Hij met Gods woord (Matth.4:4). In de tweede verzoeking handelde Hij naar Gods wil (vs.7). Bij de derde verzoeking bleef Hij wandelen op de weg van God en Hij kon zeggen: ‘de overste van de wereld komt en heeft aan Mij niets’ (Joh.14:30).

Satan moet wijken uit de hemel van Gods zonen. Net als destijds bij Jezus (Lucas 4:13). Ondanks al zijn pogingen om hen te ‘verslinden’ en sterren van de hemel ‘mee te slepen’ (Op.12:4). Ondanks de stroom water die hij (na de baring) als een rivier achter de vrouw aan werpt om haar daarin mee te sleuren (Op.12:15). Hij wordt samen met zijn engelen op aarde geworpen (Op.12:9). Als grote berg wordt hij in zee geworpen (8:8). Daarna hoort Johannes een luide stem in de hemel zeggen: ‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid’ (12:12). Na de tweede bazuin richt satan zijn woede op de ‘aarde’ en de ‘zee’. Hij stort zich op aardsgerichte gelovigen: naamchristenen die geestelijk ‘in de voorhof’ leven, ‘in Babel’ wonen. Hij haalt zijn gram in ongelovigen, in mensen die ‘als ongelovigen’ leven (Fil.3:18). Zij wonen in de zee: zij leven in het machtsgebied leven van zonde en dood. In het leven van deze mensen ontstaat wél schade: Een derde deel van het water werd bloed, ‘een derde deel van alle in zee levende wezens ging dood en een derde deel van de schepen verging.’ Satan wil deze mensen ontnemen wat zij nog aan ‘leven’ hebben.

Worden deze mensen aan hun lot overgelaten? Nee, de overwinnaars waarschuwen hen: De duivel is naar jullie afgedaald! Hij is woedend. Ze roepen hen op uit Babel weg te trekken, alle verwarring en innerlijke verdeeldheid los te laten en deel te krijgen aan de volle verlossing dat Jezus in zijn gemeente openbaart. Zij nodigen hen uit niet langer in de voorhof te blijven, maar de tempel binnen te gaan. De ‘aarde’ en al het aardsgerichte los te laten en daadwerkelijk tot Jezus te komen. Zij wijzen de weg om geheel verlost te worden van zonden, overgeplaatst te worden vanuit de dood in het (volle) leven. Komen alle zonen van God door deze verzoekingen heen? Bereikt satan helemaal niets in deze oorlog? Wordt geen van de sterren van de hemel op aarde geworpen? Helaas niet. Daar geeft de derde bazuin duidelijkheid over: één wordt er ontrouw. Die valt als een grote ster, brandend als een fakkel, waar de volgende verzen op wijzen.

En toen de derde engel op de bazuin blies, viel er een grote ster uit de hemel, die brandde als een fakkel. Hij viel op het derde deel van de rivieren en op de waterbronnen. En de naam van de ster was Alsem. En het derde deel van de wateren veranderde in alsem. En veel mensen stierven van dat water, omdat het bitter was geworden 10,11.

Met het blazen van de eerste bazuin komen de eerste volwassen zonen van God in de gemeente van Jezus openbaar. Openbaring omschrijft dit met: ‘weggevoerd naar en onderhouden door God in de woestijn’ (12:5-6,14). De tweede bazuin roept op stand te houden in deze beslissende confrontatie met het rijk van de duisternis: Zie op Jezus, op de werkelijkheid van Christus. Voor hen loopt de tweede bazuin uit op de jubelroep vanwege de volledige overwinning in deze oorlog op de draak en zijn engelen. In het leven van deze overwinnaars heeft satan geen enkele invloed meer (Op.12:8).

De val van een grote zoon van God, de antichrist

Naast deze blijdschap ontstaat er ook intense droefheid in de gemeente. Eén van Gods zonen houdt geen stand in deze strijd, maar gaat wél in op het hetzelfde aanbod wat de satan aan Jezus deed in de woestijn. Ondanks het duidelijke geluid van de tweede bazuin laat hij zich tot opstand verleiden. Hij wordt ontrouw aan God en verloochent Jezus die hem vrijkocht. Hij verlaat de hem toegewezen plaats in de hemel. Verheft zich tegen Jezus en zijn gemeente en stelt zich op tegenover degenen waarmee hij voorheen in Heilige Geest verbonden was. Hij laat zich bekleden met alle macht en kracht van satan. Ontvangt zijn koninkrijk, zijn troon, zijn gezag. Hij wordt de nieuwe overste van de wereld, de aanvoerder van het demonenleger, de machthebber over dood en dodenrijk en oppermachtig. Hij is in staat het hele wereldgebeuren naar zijn hand te zetten. Waar de Heer destijds de satan overwon, valt deze grote zoon van God uit de hemel op de aarde, als een hond die terugkeert naar zijn uitbraaksel (Matth.4:1-11; 2 Petr.2:22; Judas 6).

De Geest zegt nadrukkelijk dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers’ (1 Tim.4:1). Paulus zegt: De dag van de Heer breekt niet aan voordat de wetteloze mens verschenen is.   Johannes schrijft: U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Hij zal uit ons midden voortkomen (1 Joh.2:18-19). Johannes ziet een grote ster vallen. Dit is een mens die hoog is opgeklommen in Gods Koninkrijk. Een lid van het lichaam van Christus die als een grote, lichtende ster in deze wereld heeft geschenen (Fil.2:15). Geproefd heeft van de hemelse gave. Deel gekregen heeft aan de heilige Geest. Het goede woord van God heeft gesmaakt. De krachten van de toekomende eeuw heeft ervaren (Hebr.6:4-5). Dit is een volwassen zoon van God, één van de eerstelingen uit de gemeente.

De ster staat in brand. Het vuur van de draak heeft vat op hem gekregen. Deze grote ster valt uit de hemel. Deze mens verlaat zijn verkregen positie in Christus. De naam van deze ster is Alsem. Absint of Alsem is de naam van een plant, waaruit een bittere, etherische olie werd getrokken. Deze bittere smaak wordt in de Bijbel in tal van plaatsen genoemd: Deut.29:18; Spr.5:4; Klaagl.3:19. In overdrachtelijke zin komt dit kruid voor in Jer.9:15; 23:15; Amos 5:7; 6:12. Hoewel de plant Alsem niet giftig is, wordt hij hier als dodelijk voorgesteld. Er is een bittere wortel opgeschoten in zijn hart, een giftige kiem (Hebr.12:15). Hij stapt moedwillig uit het licht waarmee Jezus hem beschijnt. En verliest daarmee alle licht en leven in hemzelf. Hij wordt de belichaming van de duisternis, de representant van dood en verderf. Hij valt terug op aarde, brandend van vuur en vol van bitterheid.

Deze mens drinkt niet langer van het levende water uit de bron: Jezus Christus en verenigt zich niet langer met Gods plan met zijn leven. Hij verzet zich tegen Gods woorden, verwerpt de raad van de Allerhoogste (Ps.107:11). Verloochent zijn waterdoop, zegt néé tegen God en Jezus. Hij neemt heel andere woorden in zich op, laat zich dopen in heel ander water: hij verzwelgt de stroom die de draak uit zijn bek heeft geworpen (Op.12:16). Hij zondigt tegen de Heilige Geest door zich te laten vervullen met een heel andere geest. Daarmee maakt hij de Zoon van God openlijk te schande (Hebr.6:6) en drijft hij de spot met Jezus en zijn werk. In deze mens vindt een totale wezensverandering plaats. Door de geest die in hem huist, wordt hij een ‘beest’ en manifesteert zich na zijn val uit de hemel als het ‘beest uit de aarde’. Op.13:18b zegt: ‘met dit beest wordt een mens aangeduid’. In latere hoofdstukken typeert Openbaring deze mens als ‘de valse profeet’ (16:13; 19:20; 20:10). Letterlijk: pseudoprofeet. Hij is de laatste en grootste van de valse profeten waarvoor Jezus waarschuwt (Matth.7:15; 24:11,24). Jesaja noemt hem de profeet die de leugen onderwijst (9:14): een pseudoleraar, een dwaalleraar (2 Joh.1:7). Als beest uit de aarde doet hij zich voor als het Lam (Op.13:11): als pseudo-christus (valse christus). Hij draagt álle kenmerken van het pseudo – en daarmee van het anti – in zich. Hij is de antichrist, de uiteindelijke tegenstander van Jezus Christus, die in de eindtijd opstaat en in de wereld rondgaat.

Satan bekleedt deze mens met al zijn macht en kracht. Hij doopt en vervult hem met de geest die de ‘tegenpool’ vormt van Gods Heilige Geest. De antigeest: antigoddelijk en antichristelijk. De Bijbel spreekt over de geest van de antichrist (1 Joh.4:3). Hoewel er al veel valse profeten en valse christussen in de wereld zijn uitgegaan en de antigeest al vanaf het begin werkzaam is in de hemel van mensen, is nog nooit iemand in deze geest gedoopt, laat staan met deze geest vervuld. Daar heeft satan een geestelijk volwassen mens voor nodig: een grote ster, een eersteling. Hij vertrouwt zijn koninkrijk slechts toe aan een mens met volledige kennis van de geestelijke wereld. Met deze daad bootst satan het begin van Jezus’ bediening na. Na zijn doop in water wordt Jezus als eerste mens vervuld van Gods Geest. De Vader maakt Hem tot Heer en tot Christus (Hand.2:36). Jezus werkt vanaf dat moment met alle macht en kracht van God. Gaat mensen dopen in Heilige Geest, hen verzegelen aan hun voorhoofd met het zegel van de levende God.

De afgevallen eersteling wordt na zijn ‘doop in het water van de draak’ als eerste mens vervuld van de anti-geest. Satan maakt hem tot anti-heer en tot anti-christ. Vanaf dat moment werkt deze met alle macht en kracht van satan en gaat hij mensen dopen in de antichristelijke geest, het merkteken van het beest op hun rechterhand of hun voorhoofd zetten (Op.13:16). De imitatie is treffend; de tegenstelling volkomen. Door deze daad denkt satan het werk van Jezus Christus alsnog te keren. Bij deze doop en vervulling ontstaat een nieuwe, ongekende eenheid tussen een mens en een macht, tussen de antichrist en de antichristelijke geest, Apollyon, koning van de afgrond. De antichrist heeft hierdoor veel meer in handen dan alle ‘antichristen’ voor hem (1 Joh.2:18). Dat waren slechts typen, voorlopers. Hij is de definitieve verschijning van de tegenstander. Belichaamt het antichristelijke, wetteloze en verderfelijke in zijn volheid. Hij heeft alle mogelijkheden in het verspreiden en vermeerderen van het kwaad. Hij is dè mens van de wetteloosheid, dè zoon van het verderf (2 Thess.2:3-4).

De Vader en de Zoon met zijn gemeente, verder uit het zicht gewerkt door demonen

De vierde engel blies op de bazuin en het derde deel van de zon werd getroffen en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren, zodat het derde deel daarvan verduisterd werd en zodat de dag voor een derde deel niet licht werd en de nacht evenmin 12.

Bij zijn belofte aan Noach over het bestaan van deze aarde sprak de Heer bij zichzelf: ‘Nooit weer zal Ik de aarde vervloeken vanwege de mens, want alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, is nu eenmaal slecht. Nooit weer zal Ik alles wat leeft doden, zoals Ik nu heb gedaan. Zolang de aarde bestaat, zal er een tijd zijn om te zaaien en een tijd om te oogsten, zal er koude zijn en hitte, zomer en winter, dag en nacht – nooit komt daar een einde aan’ (Gen.8:21,22). Door de zondvloed werd het hart van de mens niet veranderd. In de laatste dagen gebruikt God daarom een geheel andere methode om de gemeente tot haar doel te leiden en de bozen te verdelgen. Wat heilig is, wordt dan nog meer geheiligd en wat vuil is, wordt dan nog vuiler, wanneer de boze geesten als een zondvloed over de aarde stromen. Wij verwachten daarom geen natuurtaferelen, waardoor het wezen van het aardse bestaan wordt aangetast. Als werkelijk een derde deel van de zon verduisterd zou worden, zouden er enorme veranderingen optreden in zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht. De Openbaring betreft echter de geestelijke wereld. Er is in de dag van de toorn sprake van de verduistering van de zon van de gerechtigheid.

Wanneer de reddingbeloften voor Sion ingaan, wordt in tegenstelling hiervan juist het licht van de hemellichamen versterkt: ‘Dan is het licht van de maan als het licht van de zon en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk. Op die dag verbindt de Heer de wond van zijn volk en geneest hij de striemen die het zijn toegebracht’ (Jes.30:26). Een letterlijke vervulling van deze belofte zou voor de aarde catastrofale gevolgen hebben! Ook in het enige profetische boek van het Nieuwe Testament geldt als in Psalm 84:12: ‘Want de Heer God is een zon!’ Hij is de ‘Opgang uit de hoogte’ (Luc.1:78). Van het Woord van God, Jezus Christus, wordt gezegd: ‘Het licht schijnt in de duisternis’. Dit is dus het beeld van de maan. ‘Deze is de afstraling van zijn Heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ (Hebr.1:3). De sterren zijn hier de heilige engelen en de zonen van God, de gemeente van Christus.

De betekenis is duidelijk. De tijd is aangebroken dat haast geen vlees / leven / mens meer behouden kan worden. Door de geweldige afval kan God slechts met moeite de mens bereiken. Het Woord van God wordt niet meer geloofd en deze lamp gaat als bij de dwaze maagden door gebrek aan geloof in het middernachtelijke uur uit. Het gevolg is dat ook de engelen, de sterren, niet meer als dienende geesten kunnen fungeren. Door ongeloof en zonde worden zij als helpers van de mensen uitgeschakeld. In Jesaja 59:1,2 wordt deze situatie getekend: ‘De arm van de Heer is niet te kort om te redden, zijn gehoor niet te zwak om te luisteren – uw wangedrag is het dat u en uw God uit elkaar heeft gedreven; door uw zonden houdt Hij zich verborgen en wil Hij u niet meer horen.’ De machten van de duisternis stellen zich tussen God en de mens en hierdoor wordt het zonlicht verduisterd. Maar voor het geestelijk Israël, dat bevrijd is van de demonen, zal de zon van de gerechtigheid helderder schijnen dan ooit tevoren.

En ik zag en hoorde een engel, die hoog aan de hemel vloog en met een luide stem riep: Wee, wee, wee hun die op de aarde wonen, vanwege de overige bazuinstoten van de drie engelen die nog op de bazuin zullen blazen 13.

Voordat de drie volgende bazuinen gestoten worden, ziet Johannes een adelaar vliegen. Deze beweegt zich in het midden van de hemel, de plaats waar ook de troon van God staat. Midden in en rondom dit machtscentrum had de ziener al vier dieren opgemerkt, waaronder een vliegende adelaar (Op.4:6,7). Bij de opening van het vierde zegel riep dit dier: ‘Kom!’ Toen zag Johannes het vale paard, de macht van het occultisme, bereden door de dood, terwijl het dodenrijk hem op de voet volgde. Ook nu horen wij weer de luide stem van deze adelaar, die een drievoudig wee aankondigt. Opnieuw zal de wereld geteisterd worden door het occultisme. In drie golven zullen de onzienlijke demonen over de aarde gaan, onder aanvoering van Apóllyon, de koning van de afgrond. De weeën worden uitgeroepen over hen die op de aarde wonen, wanneer de drie laatste engelen bazuinen zullen. Als de oordelen zwaarder worden en op een ander niveau komen te liggen, wordt de gemeente, die niet van deze aarde is, apart gesteld. Omdat de komende plagen in de eerste plaats geest en ziel aantasten, blijven de zonen van God, wier wandel in de hemel is, als zij volharden in het geloof, gespaard. Deze weeën zijn als oordelen over de aarde. De eerste twee weeën geven bovendien het aanzijn aan of de openbaring van Gods zonen en dochters, die hun volwassenheid bereiken. De oogst van de aarde is dan rijp, terwijl bij het derde wee het naam- en schijnchristendom ondergaat.