6. De apocalyptische ruiters – De eerste vier zegels geopend

Openbaring 6:1-8

En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie! 1.

De opening van de zeven zegels is een ontsluiering van de geschiedenis van de kerk vanaf de vleeswording van het Woord (Joh.1:1), tot het tijdstip dat Jezus Christus zijn gemeente, na het zevende zegel en bij de laatste of zevende bazuin, tot zich neemt. Na het zevende zegel breekt het tijdperk aan, waarvan gezegd wordt: ‘En zij zullen als koningen heersen op de aarde’ (Op.5:10). Telkens wanneer een nieuw zegel verbroken is, wordt weer een ander aspect in de ontwikkeling van de opnieuw geboren en Geestvervulde gemeente getoond en wordt ook gezien wat de tegenstander onderneemt om het plan van God te weerstaan en te laten mislukken. De hele schepping is bij deze ontwikkeling ten nauwste betrokken, want zij verlangt naar de volle openbaring van de zonen en dochters van Gods, dat is de gemeente (Rom.8:19). Het is daarom, dat telkens een van de vier dieren in verlangen naar de verwezenlijking van het doel van God uitroept: ‘Kom en zie!’ Het eerste dier kondigt nu met een stem als van een donderslag de eerste Ruiter aan, naar wiens verschijning de hele schepping uitziet. Hij is het begin van de nieuwe schepping en de eersteling van de gemeente, waarvan de Openbaring het ontwikkelingsproces onthult. Hij is de grondlegger van het nieuwe verbond met de mensheid.

Een wit paard

En ik zag en zie, een wit paard en Hij Die erop zat, had een boog. En Hem was een kroon gegeven en Hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen 2.

Toen onze Heer Jezus van zijn leerlingen afscheid nam, sprak Hij dat Hem alle macht gegeven was, zowel in de onzienlijke als in de zienlijke wereld. Jezus had gestreden en overwonnen. Hij had tijdens zijn leven op aarde en bij zijn sterven de werken van de duivel verbroken, de overheden en machten ten toon gesteld en over hen gezegevierd (Col.2:15). Hij had zijn leven vrijwillig gegeven als offer om de hele wereld met God te verzoenen en de schuld te betalen. Het plan van God tot herstel van de hele schepping begon met Hem, zoals er staat: ‘De genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen’ (Joh.1:17). In het begin was Hij nog de eenzame ruiter, maar als het vleesgeworden Woord van God zou Hij de wereld doortrekken om veel broers en zusters tot heerlijkheid te leiden. Velen zouden Hem aannemen en gaan volgen. Jezus troostte zijn leerlingen dat Hij met hen zijn zou tot aan de voleinding van de wereld. Daarom gaf Hij hen op de Pinksterdag Gods Heilige Geest. Door deze Geest hebben zij gemeenschap met Jezus en in Hem met God de Vader. Zij ontvingen daardoor ook de kracht om satans demonen te overwinnen. Vanaf dat ogenblik ging in vervulling dat Jezus aan de rechterhand van God zat en dat Hij komende was op de wolken van de hemel. Deze wolkenformaties zijn het beeld van de gemeenten, van zijn volk en zij getuigen van de heerlijkheid en kracht van God in de onzienlijke wereld.

Johannes ziet een ruiter aan wie een kroon gegeven werd en die als eerste uittrekt, overwinnende en om te overwinnen. De boog die de eerste ruiter bezit, wijst erop dat hij een strijder is. Hij is Jezus Christus die op een wit paard zit, beeld van de kracht van de Heilige Geest, waarop Hij als het Woord van God oorlog voert in gerechtigheid. Wanneer dit Woord zegevierend uittrekt, heeft het tweeërlei werking: voor die verloren gaan een doodslucht ten dode, voor die gered worden een levensgeur ten leven. Hij voert een boog met zich mee, waarmee de pijlen afgeschoten worden, die de vijanden van waarheid en gerechtigheid ten dode toe treffen. De psalmist zegt hiervan: ‘Treed op in uw glorie en begin de strijd voor waarheid, deemoed en recht. Laat uw hand geduchte daden verrichten. Uw pijlen zijn gescherpt en treffen de vijanden van de koning in het hart, volken vallen dood voor u neer’ (Ps. 45:5,6). Opmerkelijk is dat de pijlen van Gods boog in de psalmen meestal gericht zijn als kracht van de waarheid tegen die van de leugen en laster. Van lasteraars wordt gezegd: ‘Maar plotseling treft God hen met een pijl’ (Ps.64:8). Van leugenaars: ‘Werp uw pijlen en breng hen in verwarring’ (Ps.144:6b).

Ook ontvangt deze ruiter een (gouden) kroon. Zij is de kroon van het eeuwige leven, die Jezus zelf draagt en die Hij ook belooft aan degenen die Hem volgen, zoals er staat: ‘Ik zal u de kroon van het leven geven’ (Op.2:10). Het Woord van God trekt uit om een volk te verzamelen, dat losgemaakt is uit de heerschappij van de satan. In Openbaring 19:11-16 wordt ons het resultaat van deze tocht getoond: ‘En de legers, die in de hemel zijn, volgen Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen’ (de rechtvaardige daden van de heiligen). Bij de openbaring van de zonen en dochters van God zonen wordt deze overwinning volkomen. Door deze helden in de hemelse gewesten worden al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd. Dan is ook de oogst van de aarde geheel rijp geworden: die van het verderf en die ten leven. Deze ruiterstoet is dan het beeld van hen, die aan de Zoon van God gelijkvormig geworden zijn. Met Jezus zijn zij overwinnaar; overwinnende en om te overwinnen. In deze zegetocht gaat het niet alleen om het overwinnen van geestelijke vijanden. In Habakuk 3:13 gaat het over redding van mensen. Andere vertalingen spreken van bevrijding, verlossing, bescherming en hulp. Het Hebreeuwse grondwoord is afgeleid van het werkwoord jasja. Dat betekent: redden, verlossen, helpen, bewaren, bevrijden, behouden, overwinnen, de overwinning geven, in de ruimte brengen, heil brengen, zalig maken. Van dit werkwoord is de naam ‘Jezus’ afgeleid. Het slotakkoord in de brieven aan de zeven gemeente is voortdurend: ‘Wie overwint’. Het hoogtepunt van deze zegetocht is: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, zoals ook Ik heb overwonnen en met mijn Vader op Zijn troon zit’ (Op.3:21).

Veel schriftuitleggers verwonderen zich over het feit, dat de ruiter op het witte paard zich in zo’n slecht gezelschap bevindt. Na hem trekken de andere apocalyptische ruiters op het rode, het zwarte en het vale paard uit. Maar de exegeten van deze eeuw zijn niet de enigen die zich verwonderen moeten. Wanneer onze Heer Jezus over de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen sprak, deelde Hij in een gelijkenis mee, dat er onkruid tussen de tarwe gezaaid was. De slaven van de eigenaar zeggen met verbazing: ‘Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid?’ (Matth.13:27). Naast de ware gemeente ontwikkelt zich ook een afvallige kerk, het grote Babylon. In de Openbaring ziet Johannes naast het beeld van de ware vrouw van het Lam, ook de hoer, het grote Babylon. En hij verbaasde zich met grote verbazing (Op.17:6).

Bijbels Fundament afgewezen

Er wordt geen rekening gehouden met het feit dat naast de opnieuw geboren gemeente van Jezus Christus, er in het kerkdom veel geïndoctrineerden bestaan die zeker niet hun wandel in de hemel hebben, geen verborgen omgang met God kennen en volkomen onbekend zijn met de strijd in de hemelse gewesten. Bekering, nieuwe geboorte, besnijdenis van het hart, opstanding tot een nieuw leven, doop in Heilige Geest, spreken in nieuwe talen, profeteren, gezichten zien, uitdrijven van demonen, handoplegging op zieken, wonderen en tekens en een geheiligd en gereinigd leven worden in Babylon sporadisch gevonden en dan ook nog tegengewerkt. Het enige Bijbelse fundament weigert men daar te leggen en wordt ook nooit onderwezen. Zij die dit wél in hun leven hebben gelegd worden veracht als melaatse paria’s. In Babylon, de grote hoer, wordt een evangelie gepredikt dat losgemaakt is van de persoon en het werk van Jezus Christus zoals wij Hem uit de evangeliën leren kennen. Babylon is ontstaan, doordat het kerkdom haar werkterrein in de hemelse gewesten verlaten heeft en dit verplaatst heeft naar de aarde. Babylon is het beeld van de gemeente die als verworden kerkdom uit de hemel op de aarde gevallen is. Vandaag krijgen wij een goed inzicht in het wezen van dit afvallige gedrocht, omdat Jezus’ gemeente haar plaats in de hemelse gewesten weer gaat innemen. De Joëlsprofetie voorspelt dit. Jezus sprak: ‘Toen het graan opkwam en vrucht zette, toen pas kwam ook het onkruid te voorschijn’ (Matth.13:26).

De duisternis meer liefhebben dan het licht

De openbaring van het geheimenis van Christus wordt tegengewerkt door satan en Dood, met inzet van al hun kracht, macht én de vrijwillig meewerkende mens op aarde. Zij die met een zelf dichtgeschroeid geweten de duisternis meer liefhebben dan het licht. Men ziet ze dagelijks voorbij komen en horen via allerlei staatspropaganda. Ook zij willen op uiterst geraffineerde wijze slechte werken verrichten in de levens van de nog goedwillende mens. Ook zij willen een doel bereiken met mens en schepping. Maar dit gaat rechtstreeks in tegen het werk van Jezus en staat lijnrecht tegenover het doel van God. Zij willen vèrhullen in plaats van ónthullen. Zij bewerken ongerechtigheid in plaats van gerechtigheid, neergang in plaats van opgang. Zij (de gevallen engelen én de vrijwillig meewerkende mens) brengen geen leven, maar de dood. Zij voeren niet tot verheerlijking, maar tot verderf. Satans demonen willen in, door en mét de vrijwillige medewerking van mensen, een ‘geheimenis’ verwezenlijken in hemel en op aarde: het geheimen van de wetteloosheid.

Miljarden engelen

Om ons door deze tegenstand heen te leiden opent Jezus de volgende zegels van de boekrol. In drie korte, profetische beschrijvingen karakteriseert Hij het wezen en werk van de geesten die dit duivelse complot tegen zijn gemeente vormen. Jezus openbaart het hele scala van antigoddelijke en antichristelijke werkingen: drie ruiters te paard trekken uit om het werk van de ruiter op het witte paard in levens van mensen te verwoesten. Het gaat bij deze onthullingen niet alleen om drie afzonderlijk te noemen grootvorsten uit het leger van satan; er zijn in de hemel méér dan drie grootvorsten actief: het beest uit de zee telt alleen al zeven koppen (Op.13:1), de draak ook (Op.12:3). Zelfs het getal zeven is beeld van een nóg grotere hoeveelheid. Het zijn drie profetische typeringen die samen een beeld geven van de vele werkingen die binnen het geheimenis van de wetteloosheid onderscheiden kunnen worden. Zoals ieder mens die ooit geleefd heeft, vanaf zijn geboorte een engel mee krijgt als bescherming bij zijn geboorte (ook de geaborteerde embryo’s), zo zijn er ook miljarden demonen die de mensheid willen vernietigen. Het gaat hier over goede en kwade engelen, die niet aan tijd, plaats en afstand gebonden zijn en al meer dan 13 miljard jaar bestaan.

Jezus trekt als ruiter op het witte paard verder op in de hemelse gewesten. Hij gaat ons voor op de levensweg. Jezus neemt hierin zélf het initiatief. Niemand anders dan Jezus is tot deze onthullingen ten aanzien van de hemelse werkelijkheid in staat. Alleen het Lam – de overwinnaar over het rijk van satan en dood – kan de boekrol openen en haar zegels verbreken (Op.5:3-5). Hij doorziet het werk van zijn tegenstanders, in welke samenstelling zij dit ook uitvoeren. Hij doorgrondt elke opzet en kent hun doel. Jezus verbreekt daarom achtereenvolgens drie zegels om de werking van dit geheimenis in zijn volle omvang te tonen. Hij laat zien dat er in onze hemel ook andere paarden dan het witte paard ten strijde trekken, dat daar ook andere geesten dan de Geest van God hun werk willen doen. Hij wil degenen, die Hem op witte paarden volgen, gaandeweg zicht geven op alle krachten en werkingen in de geestelijke wereld, op alle aanwezige ‘machtsgebieden’ in de hemelse gewesten. Daarbij ons ook alle geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen doen kennen en hierbij elke sluier vernietigen en iedere bedekking wegnemen (Matth.13:11; Jes.25:7). 

Een vuurrood paard

En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! En een ander paard, dat rood was, trok uit en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven 3,4.

De paarden die nu komen, zijn niet wit, maar gekleurd en daarmee beelden van de machten van de duisternis. Wij bevinden ons immers met Johannes, de ziener, nog steeds in de geestelijke wereld (Op.4:1). De rossige, vuurrode kleur waardoor dit tweede paard zich kenmerkt, komt in de Openbaring vaker voor. De grote draak die Johannes in Openbaring 12:3 te zien krijgt, is ook rossig of vuurrood. Hetzelfde geldt voor het beest met zeven koppen en tien horens dat in Openbaring 13:1 uit de zee opkomt: het is scharlakenrood (Op.17:3). De vrouw, de grote hoer, die op dit beest zit, is ook gehuld in purper en scharlakenrode kleding (Op.17:4). Ook de harnassen van de ruiters op de paarden in Openbaring 9:17 kenmerken zich door deze rossige, vuurrode kleur. Jesaja koppelt deze kleur aan de zonde: al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (1:18). Nahum spreekt in hoofdstuk 2 van het optrekken van de verstrooier en vernieler, een geest die samen met zijn onderdanen een vernietigend werk verricht: het schild van zijn helden is rood van kleur, de dapperen zijn in scharlaken gekleed. In tegenstelling tot de kleur wit staat rood in het boek Openbaring voor onzuiverheid en onreinheid, voor zonde, onheil en verderf. Rood spreekt van onvrede en ongerechtigheid, van slechtheid en wetteloosheid, van disharmonie en verdeeldheid. Het wijst daarmee op de groep demonen in de hemelse gewesten die deze rampen in mensen bewerken. Rood is ook de kleur van alles wat ‘aards’, dus van de aarde is (vergelijk Genesis 4:10).

Met de rossige, (vuur)rode kleur van het paard laat Jezus ons het wezen zien van de geest die hier uittrekt. Het is een macht die sterke gelijkenis vertoont met de grote draak – met satan (Op.12:9, 20:2). Het rode paard wijst dus niet op de duivel zélf, maar op een vertegenwoordiger van de overste van de wereld die in rangorde dichtbij hem staat. Het is een grootvorst uit het leger, die – in opdracht van satan – mensen tot zonden en ongerechtigheden brengt. Het is een ‘wereldbeheerser’ uit het rijk van de duisternis, die wetteloosheid en verdeeldheid bewerkt in levens van mensen met als doel hen in het verderf te storten. Deze geest verstrooit en vernielt, vervreemdt mensen van het leven met God. Uiteindelijk drijft hij hen buiten het bereik van God en zijn Koninkrijk. Hij verzet zich met hand en tand tegen het plan van God met mensen en daarmee tegen het werk van Jezus Christus. Deze macht vertegenwoordigt het antigoddelijke en antichristelijke in de hemelse gewesten. De ruiter op het rode paard trekt uit in dezelfde ‘dimensie’ als de ruiter op het witte paard: in de hemel van mensen. Met het doel de vrede in hun leven weg te nemen. En daarmee de harmonie, de orde en de eenheid die God geeft en die Jezus bewerkt. Deze antigeest is erop uit het verbond tussen God en mensen te verbreken en het werk van Jezus in mensen te verhinderen. Daartoe strijdt hij met de zijnen in de hemel tegen mensen die naar Gods wil en bedoeling willen leven. Tegen hen, die vorm willen geven aan het lichaam van Christus en betrokken willen zijn bij Jezus’ openbaring in en door zijn gemeente. Hij is de zaaier van het onkruid tussen het koren (Matth.13:25). Hij is de leugenspreker en bedrieger, de oorzaak van iedere vorm van bedekking en verharding, de bron van elk verzet, etc.

De strijd tegen de heiligen en geliefden van God woedt al vanaf het begin van de schepping. Satan brengt hem zelf op gang in het paradijs. Daarna zetten de grootvorsten uit zijn leger deze strijd voort. De grootste en sterkste onder hen is Belial, dè geest van wetteloosheid en weerspannigheid. Deze grootvorst manifesteert zich telkens weer, in iedere tijd en in elke generatie. De Bijbel noemt hen kinderen of zonen van Belial. Steeds weer vindt dit ‘rode paard’ een geschikte ‘ruiter’. Steeds weer vindt hij mensen om zijn wetteloos werk (soms graag) te doen. De ruiter op het witte paard sprak eenmaal: ‘Vrede laat Ik u, mij n vrede geef Ik u’. Waar hij overwint, komen harmonie, blijdschap en gerechtigheid. Het naamchristendom heeft de vrede op aarde nooit gebracht en heeft haar zelfs niet binnen eigen muren kunnen bewaren. In de schijnkerk ‘hebben zij elkaar afgeslacht’. De kerkgeschiedenis is die van Babylon. ‘De vrouw was dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus’ (17:6). De rode bladzijden van de geschiedenis van de zogenaamde ketters en sektariërs vertellen van de martelaars binnen de christenheid. Dezen hebben binnen Babylon het lijden ter wille van de naam van de Heer ervaren. Op de straten van deze zeer grote stad werden zij allen vervolgd, die voor God wilden leven in Christus Jezus. De wandel in de hemelse gewesten en het drukken van de voetstappen van Jezus werden en worden gehonoreerd met vervolging en lijden. Zo groot was de angst en de afkeer van het bovennatuurlijke, dat vele duizenden onschuldige ‘heksen’ door rooms-katholieken en protestanten op gruwelijke wijze werden vermoord.

Bekend zijn de wreedheden van de inquisitie, de godsdienstoorlogen, de scheuringen, de verbanningen, de excommunicaties, de schavotten en de brandstapels. De ruiter op het rode paard, die niet nader geïdentificeerd wordt, had een groot zwaard, maar dit was niet het zwaard van de Geest, het Woord van God; het waren de valse leringen waardoor de massa uit de gemeenschap van Jezus Christus getrokken werd. Het waren leningen van mensen, de ceremonieën, het aankweken van kerkbesef ten opzichte van aardse instellingen, de uitspraken van concilies en synoden. Hoe heeft bijvoorbeeld de leer van de uitverkiezing niet haar duizenden verslagen en deze mensen belet de genade en de verlossing aan te nemen. Hoeveel tienduizenden zijn alleen al vanwege de Bijbelse doop IN water gemarteld, ter dood gebracht en verguisd. Het grootste percentage van de martelaars, ook in Nederland, behoort tot de dopers. Hoewel de overheid haar zwaard nu niet meer aan de kerkelijke autoriteiten leent, worden zij die zich op Bijbelse wijze laten onderdompelen, in veel kerken, familie- of dorpsgemeenschappen, nog steeds op allerlei manieren gediscrimineerd als paria’s en uitgesloten. De ruiter op het witte paard en de andere ruiters trekken samen uit. Jezus sprak over het samen opgroeien van tarwe en onkruid. Beide moeten tot hun volle ontwikkeling komen, zodat in de tijd van de oogst geen verwarring mogelijk is.

Met de opening van het tweede zegel geeft Jezus zicht op de acties van het rode paard, op de werkingen van deze wetteloze en weerspannige geest in de hemel van mensen. Juist voor hen die Hem op witte paarden willen volgen is het van groot belang de acties van het rode paard in eigen hemel en gemeente(!) te onderscheiden. Om al bestaande werkingen te doorzien en hiervan los te komen en nieuwe of hernieuwde werkingen te pareren en te overwinnen. Het naamchristendom weerstaat het wandelen met Gods Geest; ook het met Jezus opklimmen en verder vervuld worden met Gods Geest. Gaven van de Geest komen daar niet tot ontplooiing en de vrucht van de Geest niet tot ontwikkeling.

Er zijn veel kerkgangers die gevoelig blijken te zijn voor de werkingen van het rode paard en zijn ruiters. Zij blijven niet bij de ene, ware Levensbron, bij één man: Christus; ze laten zich meevoeren met veel rivieren (17:1), ze gaan drinken van veel (geestelijke) bronnen. Zij laten zich misleiden door het pseudo-christelijke en verzaken hun eerste liefde (Op.2:4). Zij vallen van hun hoogte (Jesaja 14) en komen in de geestelijke wereld tot ‘hoererij’. Zij komen steeds meer onder invloed van het rode paard en daarmee onder de macht van het scharlakenrode beest. Hierdoor worden zij in de hemel verdreven uit het ‘land’ waarin ze (geestelijk) geboren zijn en in ‘ballingschap’ gevoerd. Zij komen – geestelijk gezien – terecht in Babel, de grootste stad op aarde. Het is een typering voor een manier van denken en leven. Het grote Babylon is hiermee in de geestelijke wereld het tegenbeeld van het nieuwe Jeruzalem. Net zoals de hoer de tegenhanger is van de vrouw en dolik (onkruid) het tegenbeeld is van tarwe (goede zaad). In de tarwe, de vrouw en het nieuwe Jeruzalem, werkt Jezus Christus.

Een zwart paard

En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een zwart paard en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand. En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe 5,6.

De ruiter op het witte paard schenkt het leven, omdat hij als het vleesgeworden Woord van God (niet 1/3e deel van God), het levensbrood uitdeelt. De valse kerk doet de menigten van honger omkomen. Veel eeuwen heeft men de Bijbel aan de leken onthouden. Er zijn zelfs tijden geweest dat de naam ‘Bijbel’ onbekend was of alleen in verband met het Oude Testament gebruikt werd. De eerste Bijbel die in de Nederlandse taal gedrukt werd, miste het Nieuwe Testament, het boek Psalmen en de profetische boeken. Is het een wonder dat de christenen in de grootste duisternis leefden? De reformatie schonk het volk de Bijbel weer terug. Het licht kon toen weer schijnen, maar al spoedig kwamen de belijdenisgeschriften, waarmee men moest instemmen en die men moest ondertekenen. Zo ontstonden veel dogma’s en leringen van de voorvaders en de doden regelden voortaan de inzichten en de visies van de levenden. Doordat men zich steeds aan uitspraken van reformatoren conformeren moest, werd het levende Woord van God steriel en levenloos gemaakt. Zo verleende men in alle kerken, groepen en bewegingen gezag aan de inzichten van gestorven ‘heiligen’, die voor hun tijd de raad van God vervulden. Onze Heer gebruikte echter de uitdrukking: ‘In ieder seizoen op zijn tijd eten geven!’ (Matth.24:45).

De ruiter op het zwarte paard hanteert geen groot zwaard, net als de ruiter op het rode paard. Hij heeft een weegschaal in zijn hand. Hij weegt tarwe en gerst af en drijft de prijs ervan op. Door zijn acties krijgt hij invloed op de geestelijke voedselvoorziening, op de doorwerking van woord en Geest. Dit kan op meerdere wijzen gestalte krijgen. Bijvoorbeeld door ‘zwarte’ werkingen bij de luisteraar: de blijde boodschap van leven en geluk bereikt het hart niet meer, iedere boodschap wordt ‘gewogen’ en te ‘licht’ bevonden. Ezechiël profeteert over de gevolgen van deze geestelijke hongersnood in het geestelijk Jeruzalem: ‘Zij zullen brood eten, in afgewogen hoeveelheid, met kommer; water zullen zij drinken, in afgemeten hoeveelheid, in stomme smart. Zodat zij aan brood en water gebrek hebben, met elkaar verbijsterd staan en in hun ongerechtigheid wegkwijnen (Ez.4:16-17).

Toch werden alle eeuwen door aan de olie en aan de wijn geen schade toegebracht. Olie en wijn zijn beelden van de Heilige Geest en de geïnspireerde Woorden van God. Hoewel niet alle woorden van God konden meewerken, hield Gods Geest nog leven in stand. Zoals in het oude Babel aan de Eufraat het volk van God van het oude verbond nog stand hield, zo leefde ook in het Nieuwtestamentische Babylon de gemeente van Jezus Christus in het verborgene voort. Zo werd door Gods Geest het leven nog in stand gehouden. De geschiedenis van de kerk kan men met de groei van een plant vergelijken. Jezus sprak: ‘Eerst komt de halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar’. De halm en de aar bezitten het leven niet in zichzelf, maar geven dit slechts door. De vrucht echter heeft het leven blijvend in zich. Wanneer men de halm afsnijdt, verdort hij. Maar wanneer de vrucht rijp is, verliest hij ieder contact met de moederplant en met de aarde. Men kan de graankorrel zelfstandig bewaren en hij behoudt het leven.

Net als bij de opening van de vorige zegels wijst ook nu de kleur van het paard op een geestelijke realiteit. Zwart vormt de grootst mogelijke tegenstelling met wit. In diep zwart is niets te vinden van helder wit. Zwart wijkt dus nog verder af van wit dan rood. Zwart staat lijnrecht tegenover wit: het spreekt van duisternis in plaats van licht, van dood in plaats van leven. Het wijst op de geestelijke nacht in plaats van op de volle dag. Zwart is dus net als rood een kenmerkende kleur voor werkingen vanuit het rijk van satan en Dood. Zwart staat in de Bijbel voor alles wat bij de geestelijke duisternis en dood hoort. Het wijst op het ontbreken van licht en leven, van blijdschap en hoop, van ruimte en vrijheid. Op de (totale) afwezigheid van het klimaat van Gods Koninkrijk. Zwart is de kleur van treuren en rouw. Jeremia zegt: ‘Juda treurt, zijn poorten verkommeren, ze liggen in het zwart gehuld ter aarde en het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog’ (14:2). Zwart staat dus voor alles wat neerdrukt en het leven ‘zwaar’ en ‘onmogelijk’ maakt, het is de kleur van de dood. Zwart wijst op somberheid, neerslachtigheid, zwaarmoedigheid, moedeloosheid, uitzichtloosheid, etc. Zwart is verbonden met het negatieve denken en spreken, met een negatieve instelling. Zwart duidt ook op geestelijke verdrukking en onderdrukking. Op de ‘knoet’, op het leven onder de wet, het moeten voldoen aan allerlei geboden en verboden, zoals: raak niet, smaak niet, roer niet aan (Col.2:21). Denk in dit verband eens aan de kerkgangers die zich in het zwart (moeten) kleden. We kennen zelfs – zoals dat in de volksmond heet – een ‘zwartekousenkerk’.

Aanbeden nederigheid en zelfkastijding  

De kleur zwart is op grond van het bovenstaande verbonden met uiterlijke vroomheid en Farizeïsme. Met alles wat de schijn ophoudt, zoals gewilde nederigheid en zelfkastijding van het lichaam (Col.2:18,23). Denk hierbij ook aan allerlei godsdienstige gewoonten en plichtplegingen, aan religieus ceremonieel. Het is opgeblazen en ijdel. Het leven met God is er niet in aanwezig, integendeel. Het is onvruchtbaar, aards, vleselijk, huichelachtig en vooral afstotelijk. Daardoor wordt Gods naam juist gelasterd onder de goedwillende heidenen. De uitspraken van Jezus over Farizeeën en wetgeleerden mogen in dit kader worden geplaatst en verstaan (Lucas 11:37-52). Dit typeert de notoire ‘zwartrokken’. Zwart wijst niet alleen op wetticisme maar ook op het onwettige – het ontduiken van het (slechte) geweten. Zwart is ook de kleur van toverij: ‘zwarte magie’. Je kunt door geesten die binnen het geheimenis van de wetteloosheid werkzaam zijn ‘betoverd’ worden (Gal.3:1). Deze werkingen verblinden en leiden tot ongehoorzaamheid aan de waarheid. Deze ‘zwarte’ krachten en machten nemen Gods Koninkrijk weg (Matth.21:43). Vanuit de Bijbel zijn er nog meer symbolische betekenissen van zwart te ontdekken. De kleuren wit en zwart worden in de tijd van het Nieuwe Testament gebruikt bij de rechtspraak: een witte steen duidt op vrijspraak, een zwarte steen op veroordeling. Jezus geeft ons een witte steen met daarop onze nieuwe naam (Op.2:17). We leiden hieruit af dat satan alleen zwarte stenen uitreikt, met daarop onze oude naam. Hij klaagt ons dag en nacht aan (Op.12:10).

Bovenstaande werkingen staan niet op zichzelf. De ruiter op het zwarte paard trekt niet alléén uit in de hemel van mensen. Hij doet dit samen met de ruiter op het rossige (rode) paard en de ruiter op het vale (geelgroene) paard. De betekenissen en werkingen die we bij zwart kunnen onderscheiden staan niet los van die van rood en geelgroen. In het slechte en onwettige van zwart zien we een verbinding met de ongerechtigheid en het wetteloze van rood. In het doodse en betoverende van zwart ligt een koppeling met het verderfelijke en occulte van geelgroen. In de strijd tegen het witte paard vult het zwarte paard het rode paard naadloos aan. De ‘vermenging’ die door het rode paard wordt ingezet, wordt door de ‘verduistering’ van het zwarte paard verder aangezet; de tegenstelling met het zuivere ‘wit’ wordt verder opgevoerd. Nog meer dan rood is zwart in staat om al het aanwezige wit te bedekken en uit te schakelen. Het vale paard voegt hier het ‘zijne’ aan toe.

Door zicht te geven op het zwarte paard laat Jezus zien dat wij in het antichristelijke meerdere werkingen kunnen onderscheiden. Deze volgen elkaar op en versterken elkaar. In de uitvoering van het geheimenis van de wetteloosheid voert Belial een leger aan dat niet alleen uit ‘rode’ divisies bestaat, maar ook uit ‘zwarte’ en ‘vale’. Door zijn ‘rode’ divisies bewerkt hij wetteloosheid en verdeeldheid, blokkeert hij de doorgaande vernieuwing en handhaaft hij allerlei vleselijke werkingen. Door de geestelijke lichtbronnen af te schermen zet hij aan tot een geestelijke zons- en maansverduistering in de hemel van mensen (Hand.2:20). Met de zijnen werkt hij toe naar het zwart worden van de zon, zoals ook beschreven bij de opening van het zesde zegel (Op.6:12). Mede door dit zwarte paard staat hij aan de basis van de verduistering van zon, maan en sterren, zoals genoemd bij het blazen van de vierde bazuin, ten tijde van het zevende zegel (Op.8:12). De processen waarop Jezus met het verbreken van het tweede, derde en vierde zegel zicht geeft, krijgen na de opening van het zesde en zevende zegel hun volle doorwerking. Het werk van de geesten die werkzaam zijn in het rode, zwarte en vale paard, komt dan in en door de antichrist en zijn antichristelijke gemeente geheel openbaar.

De ruiter op het zwarte paard wil de mens van licht beroven, in duisternis laten wandelen en in pijn doen neerliggen (Jes.50:10-11). Hij wil de mens geestelijk ‘in het zwart’ doen gaan: een kwijnende geest bezorgen in plaats van een lofgewaad, in rouw dompelen, in plaats van in vreugdeolie, as geven en dus geen hoofdsieraad (Jes.61:3). Hij wil de actieve inzet om Jezus te volgen tegenwerken door teleurstelling in (de hoop van) het evangelie. De geesten die Jezus aanwijst met het ‘zwarte paard’ zetten de mens geestelijk onder druk, maken lusteloos en moe, ontnemen de vreugde en vrede van Christus, doen het leven met Hem als ‘moeilijk’ en ‘zwaar’ overkomen. Ze willen de liefde laten verkillen, het geloof laten verflauwen, de mens lauw laten worden, door matheid van ziel laten verslappen (verg. Matth.24:12, Rom.4:19, Op.3:16, Hebr.12:3). Zodat na verloop van tijd de eerste liefde wordt verzaakt en de mens van zijn hoogte valt (Op.2:4-5). Belial wil mensen sceptisch maken en negatief ten aanzien van de verdere ontwikkelingen van Gods koninkrijk. Kritiek en negativisme zijn bittere en besmettelijke wortels. Zij doen mensen verachteren van de genade van God (Hebr.12:15).

Een vaal paard

En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie: een vaal paard en die erop zat, zijn naam was de dood en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde 7,8.

Het vierde paard is ‘vaal’ van kleur. In de grondtekst staat chloros: (licht)groen of geelgroen, bleekgroen of vaal. Dit woord is afgeleid van chloe: jonge plant, jong gras. In de betekenis ‘lichtgroen’ wijst chloros daarom op de karakteristieke kleur van jonge planten: van het gewas (Op.9:4) en van het groene gras (Marc.6:39; Op.8:7). In de betekenis ‘geelgroen, bleekgroen, vaal’ duidt chloros echter op de kleur aan van (zee)water, van het gezicht van een zieke en van een lijk. In het verlengde hiervan typeert het – ook in buitenbijbels Grieks – onder meer de dood. Deze laatste betekenis is van toepassing in Openbaring 6:8. In de vale, geelgroene kleur van het vierde paard blijkt al de relatie met de dood en het dodenrijk die in hetzelfde vers worden genoemd. In de Kanttekeningen op de Statenvertaling wordt bij dit vers gesproken van bleekgroen, de kleur van verdorrende bladeren. De twee betekenissen van chloros lijken in eerste instantie niets met elkaar gemeen te hebben: wat heeft de frisheid van het nieuwe, jonge en gezonde leven te maken met het ongezonde en ziekelijke uiterlijk van een stervende? Hoe kan met één woord zowel het lichtgroene uiterlijk van jonge bladeren worden aangeduid alsook het bleekgroene uiterlijk van verdorrende bladeren?

Je moet bij chloros goed opletten. Als je alléén op de kleur afgaat, bespeur je op het eerste gezicht geen verschil tussen nieuwe, zich ontwikkelende bladeren en oude, verdorrende bladeren: allebei geelachtig groen. Wanneer je beide bladeren echter wat nauwkeuriger beziet, ontdek je al snel het immense verschil tussen leven en dood, tussen nieuw en oud, tussen het oplevende, vooruitgaande en het verdorrende, achteruitgaande. Jezus wil met het woord chloros de geestelijke werkelijkheid van het vierde zegel nauwkeurig beschrijven. Hij wil helder licht werpen op díe werkingen binnen het geheimenis van de wetteloosheid die de schijn van (nieuw) leven wekken, maar in feite rechtstreeks naar de dood voeren. Op demonen die zich voordoen als engelen van het licht maar in de grond van de zaak als grimmige wolven de gemeente willen binnendringen om de kudde te verscheuren (2 Cor.11:14; Hand.20:29).

Het geelgroene paard wordt bereden door een ruiter waarvan de naam wordt genoemd: de dood; het dodenrijk volgt in zijn spoor (Op.6:8). Trekt Dood hier zélf uit? Verlaat de koning van het dodenrijk zijn domein? Volgen zijn ondergeschikten, de cipiers of gevangenisbewakers, hem in deze uittocht? Laten zij het dodenrijk, de geestelijke gevangenis, ‘onbeheerd’ achter? Dood hemzelf en zijn cipiers, de doodsengelen, zijn niet toegerust voor een geestelijke strijd. Zij horen bij de gevallen serafs, niet bij de gevallen cherubs. Het zijn geen strijders, maar heersers. Zij zetten hun macht niet in om de mens aan te vallen en tot zonde te brengen, maar gebruiken hun kracht om de in zonde gevallen mens het ‘loon van de zonde’ uit te keren (Rom.6:23). Zij brengen de mens na zijn zonde in een andere, nieuwe situatie: gescheiden van God. Deze toestand wordt door hen ingesteld, bewaakt en in stand gehouden: zij heersen over allen die in hun machtsgebied terechtkomen. Vergelijk dit met een zwart gat in het heelal. Zelfs het licht kan daar niet uit ontsnappen. Dood en zijn doodsmachten kunnen dus niet uit hun rijk trekken. Ondanks alle vijandschap tegen het rijk van licht en leven zijn zij niet in staat om de strijd tegen de gemeente van Jezus Christus op te nemen. Van de geestelijke situatie waaraan zij samen gestalte geven – het dodenrijk – zou anders niets overblijven. Zij verzetten zich op een andere wijze dan satan, Belial en het leger van demonen tegen het werk van Jezus Christus, tegen de vestiging van het Koninkrijk van God in mensen. Zij stellen zich onverzettelijk op; zij zullen van hun plaats, hun machtspositie in de hemelse gewesten, verdreven moeten worden. Om deze reden spreekt de Bijbel over Dood als de ‘laatste vijand’ (1 Cor.15:25,26).

De geesten waarop Jezus bij het openen van het vierde zegel zicht geeft, zijn dus geen demonen van het dodenrijk, maar demonen uit het leger van satan die op bepaalde wijze met Dood en zijn dodenrijk verbonden zijn. Geesten die in de afgrond –  het duistere deel van het dodenrijk –  zijn geweest en daaruit op occulte wijze zijn losgekomen. Machten die een zekere tijdsperiode in de afgrondsituatie gevangen hebben gezeten en de overheersing van Apollyon, de verderver en zijn verderfengelen als een pijniging hebben ervaren. Het zijn occulte geesten. Na hun terugkeer blijven deze demonen zich de overheersing van het dodenrijk herinneren. De pijniging die zij in het machtsgebied van de verderver hebben ondergaan, blijft hen bij. Zij dragen de dreigende en verstikkende sfeer van de afgrond bij zich. In zekere zin blijven zij ‘verbonden’ met Apollyon. Zij zijn daarmee belast. Het is aan hun wezen ‘toegevoegd’.

Schorpioenen

Met het oog op deze occulte geesten spreekt Jezus in Lucas 10:19 over slangen en schorpioenen. Demonen zijn te vergelijken met slangen (Marcus 16:18). Demonen die op occulte wijze uit de afgrond worden opgeroepen, gedragen zich als schorpioenen (Op.9:5). Zij brengen het klimaat van het dodenrijk en de pijn van de afgrond over op hun prooi. De ruiter op het geelgroene paard vertegenwoordigt op grond van het voorgaande het aandeel van de occulte machten en grootvorsten in het antichristelijke leger van satan. Op het eerste gezicht lijken deze geesten nieuw ‘leven’ te bewerken, de gelovige nieuwe kansen en perspectieven te bieden, maar deze schijn bedriegt. Aan hen wordt macht gegeven om te doden, zegt Openbaring 6:8; hun werkingen zijn pseudo-christelijk, vals en bedrieglijk. Deze occulte demonen spiegelen een pseudowaarheid en werkelijkheid voor, maar doen de mens gaandeweg in het tegenovergestelde van de waarheid en werkelijkheid van Christus terechtkomen.

Occulte weerspannigheid

De werkingen van het geelgroene paard vullen de werkingen van het rode en zwarte paard aan in hun strijd tegen het witte paard. Het is daarom van belang de werkingen van zowel het rode als het zwarte samen met het vale paard te combineren, we kunnen ze niet los van elkaar zien. Waar rood en zwart samen het aanwezige wit bedekken en uitschakelen, biedt geelgroen de ‘alternatieven’ en ‘oplossingen’ aan in de ontstane situatie. De geestelijke hongersnood en armoede – door ‘vermenging’ en ‘verduistering’ ontstaan – wordt dan op bedrieglijke wijze gecompenseerd. Vergelijk hiermee o.a. de inmiddels dagelijkse hersenspoeling via allerlei media. Zelfverwerping, zelfdoding, het niets zijn en een hemeltergende weerspannigheid worden nu dagelijks voorgeschoteld. Het is al veel dichterbij dan men denkt. Alle ‘bespeelde’ en ‘omgebogen’ verlangens worden op pseudo-christelijke wijze bevredigd. Dit alles met een schijn van Godsvrucht, maar in werkelijkheid, alles verleugenend. Op het eerste gezicht lijken deze alternatieven en oplossingen veel in te houden: ze schijnen vernieuwing te bewerken. Ze blijken echter ‘niets’ aan te reiken. Nog erger: ze bewerken de vernietiging van mensen. Vaak onbewust, maar vanwege de weerspannigheid en geldingsdrang van mensen, ook bij velen geliefd. Jezus waarschuwt ons in Mattheus 24:23-26 voor deze valse en bedrieglijke werkingen:

‘Als dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of: Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse christussen (pseudochristos) en valse profeten (pseudoprophetes) opstaan en zij zullen grote tekens en wonderen doen, zodat zij, als het mogelijk zou zijn, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Als men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, gelooft het niet.

Paulus plaatst deze ‘krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ in het kader van de naderende komst van de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf (2 Thess.2:9). Veel kerkgangers in onze tijd zijn op zoek naar genezing, voorspoed en succes in het leven. Op slinkse wijze speelt de ruiter op het geelgroene paard in op deze al besmette, aardsgerichte verlangens. In (veelal massale) samenkomsten raakt men onder de indruk van de ogenschijnlijke resultaten en de (vaak) spectaculaire wijze waarop deze worden bereikt. Dat de onderbouwing vanuit het woord van God niet ‘sterk’ is, wordt niet meer zo belangrijk gevonden: dit ‘werkt’ tenminste! Het beleven van geestelijke werkingen wordt belangrijker dan het beproeven van de geesten die hierachter zitten. Veel harten gaan open voor al dit ‘nieuwe’. Men komt in beweging en opschudding; het fascineert. Men ‘valt’ en rust b.v. in de Geest. Men geeft zich over aan allerlei ‘werkingen’ van de Geest… Maar ook nu geldt: schijn bedriegt! Door onvoldoende zicht op de werkelijkheid van Christus worden de pseudo-christelijke werkingen niet onderscheiden. Door gebrek aan kennis nemen gelovigen geen afstand van iets waarvan zij menen dat God erin werkt. Het voert hen echter niet omhoog in de ‘hemel’, maar werpt hen neer op ‘aarde’.

Vandaag de dag is er onder de gelovigen ook een steeds sterker wordende belangstelling voor het ‘spirituele’ en ‘alternatieve’ in therapieën en geneeswijzen. Maar weet men wel uit welke bronnen reiki, acupunctuur en yoga voortkomen en op welke grondslagen de homeopathie berust? Heeft men daar een helder en Bijbels zicht op? Net als bij schorpioenen kunnen occulte geesten de gelovige geruime tijd biologeren. De pijnigende steek komt later. Dit geldt met name voor de werkingen van de ruiter op het geelgroene paard. Gedurende de betovering lijkt alles ‘goed’ te gaan. Occulte machten laten hun prooi echter niet zo makkelijk meer los. Zij nemen de mens in hun dodelijke greep en slaan in een later stadium verder toe. Zij voeren hem uit het hemels Jeruzalem – het werkterrein van Christus – en brengen hem in ‘Babel’ – het machtsgebied van Belial. Zonder dat de gelovige het beseft, wijkt de hemel voor zijn ogen gaandeweg terug als een boekrol die wordt opgerold (Op.6:14). Wat hij geestelijk in handen heeft, wordt hem langzaam aan ontnomen.

Door de gezamenlijke werkingen van het rode, zwarte en geelgroene paard raken mensen steeds meer verstrikt in het ‘Babelse’. Samen met andere ballingen worden zij uiteindelijk een ‘woonplaats van duivelen, een schuilplaats van onreine geesten’ (Op.18:2). Als er geen verandering komt in hun situatie krijgen zij uiteindelijk ook deel aan de pijn en de plagen die Babylon treffen, aan de dood en het verderf dat Belial en de zijnen bij zich dragen en dat Babylon ten onder doet gaan (Op.18:4). Het werkterrein van occulte geesten is breed. Je komt deze demonen ook tegen in de ‘lieve’ en ‘vrome’ hoek van het evangelische denken, muziek, films, reclame en in allerlei vormen van (geestelijke) verslaving. Denk ook aan toverij, waarzeggerij en afgoderij, spiritisme en magnetisme. Deze opsomming is verre van compleet. Bovendien kunnen zich vandaag of morgen weer nieuwe vormen ontwikkelen. Steeds weer brengen deze occulte demonen de mens eerst onder een zekere ‘bekoring’: zij fascineren en betoveren de niet-waakzame mens. Direct daarna nemen zij hem in een ijzige greep met de bedoeling hem te ‘doden’.

In de opsomming aan het einde van Openbaring 6:8 wijst het zwaard terug naar vers 4 (tweede zegel), de honger naar vers 6 (derde zegel), terwijl de dood en de wilde dieren verwijzen naar het eerste deel van vers 8 (vierde zegel). Onder leiding van Belial stellen alle divisies zich in slagorde op, spannen alle duistere machthebbers samen tegen de Heer en zijn gezalfde – tegen Jezus en zijn gemeente (Ps.2:2). Samen richten satans demonen zich op het ‘doden’ van mensen op aarde; vanuit allerlei invalshoeken werken zij aan de uitvoering van het geheimenis van de wetteloosheid. Ook bij de opening van het vierde zegel roept Jezus ons op Hem te volgen in het door Hem ontstoken licht, om als zonen van het licht te wandelen en de onvruchtbare werken van de duisternis te ontmaskeren: Laat niemand u misleiden met drogredenen; toets wat de Heer welbehaaglijk is (Ef.5:6-10). Bij dit toetsen moeten we niet af gaan op het feit dat anderen het ook beleven als ‘van God’. Wij moeten ons baseren op het woord van God, het evangelie van Jezus Christus, op wat de Heer ons door woord en Geest in zijn gemeente aanreikt, met name door het verbreken van de zegels van de boekrol.

Wij mogen alle aanslagen van Belial leren doorzien, of ze nu voortkomen uit de rode, de zwarte of de geelgroene divisies van zijn antichristelijke leger. Jezus geeft ons macht om slangen en schorpioenen te vertrappen, met de belofte dat niets ons enig kwaad zal doen (Luc.10:19). Vanuit onze verbondenheid met Jezus mogen wij in de verdergaande ontwikkeling alle bergen en eilanden van hun plaats rukken; hen elke macht en invloed in onze hemel ontnemen (Op.6:14b). Wij mogen hierbij ook denken aan de occulte geesten die werkzaam zijn vanuit familie of voorgeslacht, aan grootvorsten die in meerdere geslachten werken, of door de eeuwen heen zelfs hele volksstammen en naties onder hun macht hebben gekregen. Wij hoeven geestelijk niet in Babel terecht te komen. Wij mogen wonen in het land waarin Hij ons plaatst, het land dat God voor ons bedoelt, het hemelse Jeruzalem (Ps.37:3). Met het openen van het tweede, derde en vierde zegel maakt Jezus het voor iedere gelovige mogelijk om weg te trekken uit Babel, om los te komen van elke verwarring, van iedere bedekking en van alle vormen van betovering: Ga uit van haar, mijn volk, zodat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen (Op.18:4). De Heer wil alle schade die in Babel tot stand is gebracht, herstellen. Hij wil zelfs de jaren die we in Babel hebben moeten doorbrengen, vergoeden (Joël 2:25). Wat een liefde en genade van God komt hierin openbaar.