23. Het oordeel over Babylon – De zeven koppen van het beest

 

Openbaring 17:1-11

En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, kwam en sprak met mij en zei tegen mij: Kom, ik zal u het oordeel over de grote hoer laten zien, die aan vele wateren zit. Met haar hebben de koningen van de aarde hoererij bedreven en de bewoners van de aarde zijn dronken geworden van de wijn van haar hoererij’ 1,2.

In Openb.16:19 werd gezegd, dat het grote Babylon voor God in herinnering gebracht werd. Hoofdstuk 17, 18 en 19 geven nu een ruimere omschrijving van de eindgeschiedenis en van de ondergang van Babylon. Het begin van de geschiedenis van Babylon vinden wij in hoofdstuk 6 bij de beschrijving van de vier ruiters. In het laatste Bijbelboek gaat het immers om de ware gemeente, de vrouw van het Lam, die tot volle gerechtigheid komt en om de afgevallen kerk, de hoer, die volkomen slecht wordt. Zonder enige verzachting wordt het wezen van de verbasterde kerk blootgelegd. Zoals Johannes het ontwikkelingsproces van de ware gemeente tekende in de vrouw die zwanger was en onder grote pijnen de mannelijke zoon voortbracht, zo wordt hier de hoererende kerk geschilderd, die haar dieptepunt bereikt in de gemeente van de antichrist. De aardse kerk heeft haar wettige man, Christus, verlaten en verhoudingen aangeknoopt met de ‘koningen van de aarde’. In de laatste instantie zijn deze koningen dan de tien, die één uur met het beest de macht ontvangen. De kerk heeft de wereld en alles wat deze te bieden heeft lief gekregen. De koningen van de aarde zijn de machthebbers in het politieke, wetenschappelijke en culturele leven. Zij worden geleid door de wereldgeesten, dat zijn de geesten van mensen, die verbonden zijn met de zienlijke wereld, maar onder supervisie staan van de overste van deze wereld. De uitdrukking ‘grote hoer’, wijst erop, dat deze gedegenereerde kerk enorm veel macht en invloed heeft. Zij is overal aanwezig en toch wordt zij weinig onderkend. Wie spreekt of schrijft over haar en wie durft haar te identificeren?

Dwalingen zijn de zuilen waarop Babylon rust. Een dwaling is een leerstuk, dat niet de volkomen en volmaakte mens op het oog heeft naar de maat van de volwassenheid van Christus, maar die de weg naar dit goddelijke doel op de een of andere manier blokkeert. De hoer zit niet aan de rivier van het Levenswater, die uit de troon van God ontspringt in de hemelse gewesten, maar zij wordt verzadigd door veel waterstromen met verschillende oorsprong. Niet de ware vrouw wordt ‘groot’ genoemd, maar de hoer. Deze laatste domineert in de geschiedenis van de kerk hier op aarde. De wereld heeft het beeld van Jezus in haar niet ontdekt en zij heeft de grote opdracht om de mensheid te redden, te verlossen en te genezen in zijn Naam, niet volvoerd. De tekens die de Meester volgden, zijn haar niet gevolgd. Zo zijn degenen, die op de aarde wonen, misleid, want zij konden het onkruid niet van de tarwe onderscheiden. Zij werden dronken van de wijn van haar hoererij, dat wil zeggen hun geest werd bedwelmd door de dwalingen die de kerk bracht en ieder helder geestelijk inzicht ontbrak. Ongelooflijk scherp wordt hier aan Johannes het mysterie van de overspelige kerk getoond. Omdat zij de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon niet predikte, is zij aan de wereld gelijkvormig geworden. Daarom valt zij onder het oordeel en onder de vloek in de tijd dat de zonen van God hun heerlijkheid ontvangen.

En in de geest bracht hij mij weg naar een woestijn. En ik zag een vrouw zitten op een scharlakenrood beest, dat vol van godslasterlijke namen was, met zeven koppen en tien horens 3.

Terwijl Johannes in geestvervoering is, voert de engel hem weg om hem het oordeel te tonen over de valse kerk. Later ziet hij in geestvervoering, staande op een hoge berg, op dezelfde wijze de vrouw van het Lam (21:9,10). De woestijn is een dor land, waar alle leven wijkt en sterft. Zij is beeld van de wereld waar geen waarachtig, geestelijk leven is en waar de honger van de mens niet wordt gestild door het Levensbrood en zijn dorst niet wordt gelest door het Levenswater. De ware vrouw wordt in deze woestijn bewaard en door Christus zelf gevoed en verzorgd. In zijn hogepriesterlijk gebed sprak de Heer: ‘Ik bid niet, dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze’ (Joh.17:15). De ware eindtijdgemeente kent in haar strijd tegen de draak maar één uitweg: zij vlucht naar de woestijn (12:6). Zij wordt weer de ‘ekklesia’, dat is de gemeente die door God uit deze wereld geroepen en uitverkoren is (Hand.7:38). Dit betekent dat zij geestelijk alle contacten met de wereld verbreekt en door God zelf onderhouden wordt. In de woestijn leeft zij van het manna uit de hemel. De overwinnaars ontvangen daar het verborgen manna (2:17). Daar krijgen zij ook het water, de Heilige Geest, uit de rotssteen, Jezus Christus. In de woestijn kan zij alleen buiten het gezicht van de slang blijven, omdat zij gevoed wordt door Woord (Manna) en Geest (Levenswater).

De verbasterde kerk is ook in de woestijn. De vrouw op het beest presenteert zich dus alsof zij niet van de wereld is en Woord en Geest kent. Maar tegelijkertijd zit zij aan veel waterstromen en hoereert met de koningen van de aarde. Zij wordt niet bewaard in de wereld, want zij hoort erbij. Zij heeft daar contacten en leeft van haar schatten. De ware gemeente steunt op het fundament Jezus Christus, maar de hoererende kerk zit op een hoofdmacht van het rijk van de duisternis. Zij is rechtstreeks verbonden met het beest, de geest van de antichrist, waaruit alle valse religies en dwalingen afkomstig zijn, Apollyon, de koning van de afgrond. De kleur van dit beest is scharlakenrood. Zoals wit het beeld is van heiligheid, zo is scharlaken dit van duivelse activiteit en geladenheid en van hartstocht. De godslasterlijke namen waarmee dit monster en speciaal zijn koppen bedekt zijn, getuigen van felle, onbedekte haat tegen God. De valse kerk is verbonden met alles wat godslasterlijk en duivels is en met wat zich verzet tegen Gods plan. De zeven koppen en tien horens wijzen erop, dat wij hier te doen hebben met het beest uit de zee, dat Johannes al in hoofdstuk 13:1 zag. Aan de apostel wordt dus enerzijds het beeld van de ware gemeente in de eindtijd getoond en wel vol van Heilige Geest en anderzijds dat van de afgevallen kerk, waarin de dwaling tot de volle ontplooiing gekomen is.

‘n de vrouw was bekleed met purper en scharlaken en getooid met goud, edelgesteente en parels en zij had een gouden drinkbeker in haar hand, vol van gruwelen en van onreinheid van haar hoererij 4.

Purper en scharlaken zijn tekens van aardse macht en invloed. In deze kleuren werden vroeger de gewaden van de vorsten geverfd. Wat de aardse kant betreft, ontbreekt het de hoererende kerk dus niet aan rijkdom. Zij verzamelt geen schatten in de hemel, maar hier op de aarde. Haar religieuze gemeenschappen hebben zich verbonden met de koningen van de aarde en met de wereldse cultuur en met alles wat groot en indrukwekkend in deze wereld is. Zij bouwt machtige kathedralen, die de mensheid imponeren en de duizenden toeristen trekken. Haar leiders zijn geen vissers uit het Galiléa van de heidenen, door de Heer zelf onderwezen, maar koningen van de wetenschap met titels, predicaten en onderscheidingen van aardse gouvernementen. Zij zoekt de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een trots leven, die geen van alle uit de Vader zijn. De hoer is bang om in de woestijn om te komen en daarom heeft zij zich verbonden met wereldse macht, aanzien, politiek, geld, handel en wereldgeesten. In haar hand heeft zij een gouden beker, maar de vrucht van de Geest wordt daarin niet gevonden. Zij heeft zich afgegeven met allerlei machten en de vrucht van deze gemeenschap zijn gruwelen en onreinheden. Haar beker is er vol van.

En op haar voorhoofd stond een naam geschreven: Geheimenis, het grote Babylon, de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde. En ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus 5,6a.

Op de voorhoofden van de overwinnaars in de strijd tegen de demonen in de hemelse gewesten staat de naam van de stad van God, het nieuwe Jeruzalem (3:12). Op het voorhoofd van de hoer staat de naam: het grote Babylon. De kerk van de afval verbergt een mysterie of verborgenheid. In een van zijn gelijkenissen over het Koninkrijk der hemelen verhaalt Jezus hoe deze onzichtbare wereld overeenkomt met iemand die goed zaad zaaide in zijn akker. Terwijl de mensen echter sliepen, kwam zijn vijand en deze zaaide onkruid tussen het graan. Dit onkruid, de dolik, heeft scherpe, grasachtige bladeren, die iets smaller zijn dan die van de tarwe en blauwgroen van kleur. Zolang alleen de bebladerde halmen te zien zijn, is de overeenkomst met de tarwe groot. Zodra de aren echter tevoorschijn komen, is verwisseling uitgesloten. De aar van de dolik is korter en losser van bouw. De opgroeiende dolik lijkt zo verbijsterend veel op het goede graan, dat men haar – om vergissingen te voorkomen – moet laten staan. In de loop van de kerkgeschiedenis zou het mogelijk zijn veel verschillen tussen kerk en wereld aan te wijzen en veel kwaad op te ruimen. Maar het zou ook gebeuren dat naast de kinderen van het Koninkrijk van God, kinderen van de satan zouden leven, die uitwendig haast niet van de ware christenen te onderscheiden zouden zijn. Dezen zijn er niet toevallig, maar speciaal door de satan in grote hoeveelheid gezaaid.

Naast de ware gemeente in het Koninkrijk der hemelen zou in de onzichtbare wereld een kerk verrijzen, die uiterlijk de schijn zou hebben ook bij het Koninkrijk van God te horen. Iedere poging om deze twee te scheiden, moest op teleurstelling uitlopen: ‘Hij antwoordde: Nee, want dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken’ (Matth.13:29). In de kerkgeschiedenis is het onmogelijk gebleken de ware kerk van dolik te zuiveren. Wanneer dit toch geprobeerd werd, heeft men veel tarwe uitgezuiverd en weinig onkruid. Pas in de oogsttijd zou tot de maaiers gezegd worden: ‘Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden, maar breng het koren bijeen in mijn schuur’ (Matth.13:30).

De dolik is slechts in twee fasen duidelijk als onkruid te onderkennen: aan het zaad dat in de aarde gevallen is en aan de vrucht, die het in de oogsttijd voortbrengt. Zaad en vrucht zijn identiek. Hoewel bij het opgroeien uiterlijke overeenkomsten bestaan, die misleidend zijn, vertegenwoordigen tarwe en dolik toch twee geheel verschillende grassoorten. Het zaad dat verborgen is, is de beslissende factor. De ware en de valse kerk kunnen uiterlijk overeenkomen, maar hun fundamenten zijn totaal verschillend. Ook aan de vrucht kent men de boom. Uiteindelijk zal de ware gemeente goede vruchten van volmaaktheid voortbrengen, terwijl de verkeerd gefundeerde kerk kwade vruchten zal opleveren. Er bestaat onkruid dat duidelijk aanwijsbaar is en gemakkelijk te wieden. Paulus schrijft in 1 Timotheüs 5:24: ‘Van sommige mensen zijn de zonden zo duidelijk, dat zij voor hen uitgaan naar het gericht, bij anderen komen zij achteraan’. Bij een alcoholist en een hoer maken de zonden duidelijk zichtbaar dat zij niet bij het rijk van God horen. De religieuze mens echter spreekt over zijn kerk, over zijn kring en over zijn leer. Hij neemt het niet gemakkelijk en ieder kent zijn kerkelijk besef. Maar zijn godsdienstigheid komt niet voort uit het goede zaad. Daarom kan hij nooit de vruchten voortbrengen van vrede, gerechtigheid en blijdschap. De valse kerk heeft een schijn van godsvrucht, maar verloochent de kracht ervan. Zij heeft daarom nooit overwinning op de zonde en op de ziekte.

Wij willen nog opmerken dat wij bij de uitdrukking ‘valse kerk’ geen bepaalde richting op het oog hebben. Zij openbaart zich in de rooms-katholieke kerk en protestantse denominaties, maar evengoed in pinksterkringen waar de vrucht van de Geest gemist wordt. Niet de naam is beslissend, want deze is een uiterlijk teken, maar de verbondenheid met het goede zaad onder de oppervlakte, dat is de onzienlijke wereld. Evenmin bestaat op aarde een aanwijsbare, ware vrouw. Jezus sprak: ‘Als dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of hier, geloof het niet’ (Matth.24:23). Er zijn wel kerken die duidelijk kenmerken vertonen van de vrouw op het beest, zoals er ook zijn die ernaar streven het lichaam van Christus zichtbaar te doen zijn op aarde. Wanneer wij opgewekt worden om ons bij de ware kerk te voegen, geldt dit in eerste instantie in de geestelijke wereld. In de zichtbare wereld zullen wij ons voegen bij die gemeente, die volkomen staat op het fundament, Jezus Christus en die in de genade van Christus wil opgroeien tot de volmaaktheid.

Er is dus in de geestelijke wereld een ware stad van God en er is een grote stad Babylon. De laatste is de geestelijke realiteit in de hemelse gewesten van het uiterlijk godsdienstige Jeruzalem, dat geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar de apostelen en profeten gedood werden en waar ook onze Heer gekruisigd werd (11:8). In dit Babylon woont de natuurlijke mens, die godsdienstig is, maar die geen gemeenschap met Jezus Christus heeft, dus niet één geest met Hem is. Kaïn, Ezau, Ismaël en de leiders van Jezus’ dagen hebben in deze stad gewoond. Over haar inwoners werd geprofeteerd: ‘Al het onschuldige bloed dat op aarde is vergoten zal jullie worden aangerekend, vanaf het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zecharja, de zoon van Berechja, die jullie vermoord hebben tussen het heiligdom en het brandofferaltaar’ (Matth.23:35). Deze martelaren vielen dus in het centrum van de godsdienstige ceremoniën!

Ook in de christelijke kerk heeft het bloed van de martelaren met stromen gevloeid. Babylon is dronken geworden van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. In de eerste zes zegels van hoofdstuk 6 zien wij op welke wijze dit gebeurd is. In Babylon vloeide het bloed van de martelaars, de ‘ketters’ en de ‘extremen’. In deze stad waren de inquisitie, de brandstapels, de excommunicaties. De kerkgeschiedenis is de historie van Babylon, waarin ware kinderen van God als ballingen verbleven en uitzagen naar het hemelse Jeruzalem, waarheen zij verlangden terug te keren. Het grote Babylon is de moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde. Het hoort dus niet bij het lichaam van de Heer en onderscheidt dit ook niet. Daarom vindt men in de beker van deze hoer alle zonden, ongerechtigheden en ziekten, die samen de gruwelen zijn van het leven op aarde. Babylon heeft geen enkele oplossing voor de nood van de mensen en voor de wereldproblemen. Om haar Godverlatenheid te dekken, pleegt de vrouw overspel met de koningen van de aarde en met de wereldgeesten. Zij is de moeder van de hoeren, want uit haar komen de dwaalleringen en de leringen van boze geesten, met wie zij gemeenschap onderhoudt. Zij is de oorsprong van de dwaling, die uit haar ontstaat en aan welke zij het leven geeft. De totaliteit van de valse leringen die in alle kerken en groepen gevonden wordt, bereikt haar volkomenheid en rijpheid in de stad Babylon. Johannes ziet Babylon als het eindstadium van toenemende verbastering.

En ik verbaasde mij met grote verbazing. En de engel zei tegen mij: Waarom verbaast u zich? Ik zal u het geheimenis vertellen van de vrouw en van het beest dat haar draagt, dat de zeven koppen heeft en de tien horens 6b,7.

In de gelijkenis van de tarwe en het onkruid vragen de slaven: ‘Heer, hebt u niet goed zaad in uw akker gezaaid? Hoe komt hij dan aan onkruid?’ Zij verwonderden zich dus daarover. Dezelfde verwondering vinden wij bij Johannes op Patmos. Wanneer hij deze vrouw op het beest ziet zitten, verbaast hij zich met grote verbazing. Hoe kan zo’n afval plaats vinden? Hoe is het mogelijk dat deze verborgenheid nooit aan het licht kwam? In wat voor Egyptische duisternis hebben de kinderen van God verkeerd, dat zij dit geheim nooit ontrafelden? De oorzaak lag in het feit, dat zij geen visie hadden op de onzienlijke wereld. Alleen deze kennis geeft een helder en duidelijk beeld van de situatie, waarin de kerk zich alle eeuwen bevonden heeft. Maar het is aan de gemeente in de eindtijd vergund de sleutels van het Koninkrijk der hemelen weer ter hand te nemen. Zij ziet klaar en helder wat een geraffineerd spel de satan gespeeld heeft. Zoals de slaven in de gelijkenis antwoord ontvangen op hun verwonderde vragen, zo ontvangt Johannes de toezegging dat het mysterie van deze vrouw door hem ontsluierd zal worden, net als haar verbondenheid met het lugubere beest uit de afgrond.

Het beest dat was en niet is, hoewel het is; en het zal opkomen uit de afgrond en naar het verderf gaan. En zij die op de aarde wonen, van wie niet vanaf de grondlegging van de wereld de naam geschreven staat in het Levensboek, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat was en niet is, hoewel het er toch is 8.

Er is een geheimenis van de ware gemeente en er bestaat er een geheimenis van de valse kerk (vers 7). Het mysterie van de gemeente is, dat deze met Christus is opgewekt en met Hem een plaats ontvangen heeft in de hemelse gewesten. Daar maakt zij aan de overheden en machten de veelkleurige wijsheid van God bekend en daar ligt haar overwinning op zonde, ziekte en dood. Het geheim van de afvallige kerk is haar verbondenheid met het rijk van de afgrond. Wij zagen al bij hoofdstuk 13:1 dat het beest, dat uit de afgrond opkomt (Apollyon), de geest van de antichrist is. Deze macht zal zich duidelijk openbaren en is nu al in de wereld. Zoals dit beest eerst onder de oppervlakte van het water verblijft en in de eindtijd omhoog stijgt, zo heeft de geest van de antichrist in het verborgen zijn werk al gedaan: ‘Dat is de geest van de antichrist, waarvan u hebt gehoord dat hij zal komen – nu al is hij in de wereld’ (1 Joh.4:3). Johannes schrijft in zijn brieven verder dat er al veel antichristen zijn uitgegaan en zelfs ook dat zij uit ons midden zijn weggegaan (1 Joh.2:18,19). Hieruit concluderen wij dat de antichristen zich eerst bij de gemeente van Christus gevoegd hebben en daarna de gemeente hebben verlaten en zich aangesloten hebben bij de grote hoer.

De Statenvertaling luidt hier dan ook: ‘Het beest dat was en niet is, hoewel het is’. In de eindtijd wordt duidelijk zichtbaar dat de valse kerk rechtstreeks vanuit het rijk van de duisternis geïnspireerd wordt. Het onkruid en het goede graan zijn dan herkenbaar. Ook van de Heilige Geest zou gezegd kunnen worden, dat Hij was en niet is, hoewel Hij is en Hij in de laatste tijden opnieuw krachtig uitgestort zal worden. In de eeuwen die voorbijgingen, werkten zowel de Heilige Geest als de geest van de antichrist in het verborgen in de kerk. Maar in de eindtijd valt de kerk duidelijk in twee delen uiteen: de ware gelovigen trekken, geleid en bekrachtigd door de Heilige Geest, uit Babylon en de Heilige Geest openbaart Zich dan op spectaculaire wijze in de zonen van God. Babylon valt en is er niet meer. De verwarring heeft opgehouden, maar de geest van de antichrist is niet verdwenen, maar gaat zich ook op spectaculaire wijze openbaren in de zonen van het verderf.

Wij schreven bij hoofdstuk 9:1 uitvoerig over de betekenis van de afgrond. In de diepte van de duistere vloed, in het rijk van de afgrond ligt de ‘leviathan, de kronkelende slang, het monster in de zee’ (Jes.27:1). Dit gedrocht is als een prehistorisch reptiel met tien horens en zeven koppen. Later lezen wij dat het naar het verderf vaart, wanneer het met de valse profeet (de antichrist), in de vuurpoel geworpen wordt. Het opstijgen van het beest uit de afgrond betekent dat de geest van de dwalingen belichaamd wordt in de antichrist en zijn gemeente. Dan zit hij in de mens, de tempel van God en geeft zichzelf voor een God uit (Ez.28:2-5; 2 Thess.2:4). Zij die de aarde bewonen, zullen zich verbazen, als zij de openbaring van dit beest in de antichristelijke kerk waarnemen. Zij zien de krachten, de wonderen en grote tekens van de antichrist.

Opgemerkt wordt dat de namen van deze bewonderaars niet geschreven zijn in het Levensboek van de grondvesting van de wereld af. De uitdrukking ‘het Levensboek’ kwam ook voor in hoofdstuk 3:5 en staat ook in hoofdstuk 20:12,15. Verder is er tweemaal sprake van ‘het Levensboek van het Lam’ (13:8 en 21:27). Wij geloven dat ieder kind, wanneer het als een onschuldig mensje op de wereld komt, wordt ingeschreven in het Levensboek. Wanneer het echter bij het opgroeien als een onrechtvaardige of wetteloze gaat leven, dus dood is in zonden en misdaden, wordt zijn naam uit dit boek verwijderd. Zo bad David toen hij in doodsgevaar verkeerde over zijn vijanden: ‘Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade (door schuldbelijdenis en schuldvergeving), schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen’ (Ps.69:28,29). Ook sprak de Heer tot Mozes, die zijn leven wilde inzetten om het volk te behouden: ‘Wie tegen Mij gezondigd heeft, zal Ik uit mijn boek schrappen’ (Ex.32:33). Allen wier namen bleven opgetekend in dit Levensboek, dus allen die gerechtigheid liefhadden, zullen niet in de vuurpoel komen, maar zij zullen op de nieuwe aarde een verdere levensontplooiing meemaken (20:15).

Wanneer er namen geschreven zijn in ‘het Levensboek van het Lam’, duidt dit op een aparte categorie mensen, die hun rechtvaardigheid ontvingen door hun geloof in het bloed van Jezus Christus, dat hun schuld wegneemt. Toch wordt voor deze groep ook wel kortweg gesproken van ‘het Levensboek’ zonder toevoeging ‘van het Lam’. In Filippenzen 4:3 schrijft Paulus m.b.t. zijn medewerkers, dat hun namen stonden geschreven in ‘het Levensboek’. In ‘het Levensboek van het Lam’ staan alleen de namen van de volmaakt rechtvaardigen door het geloof. Daarom zullen eenmaal allen die nog in het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan, moeten geschreven worden in ‘het Levensboek van het Lam’ (21:27). Dit boek is ‘de burgerlijke stand’ van de heilige stad! Beide boeken vormen een register dat voortdurend bijgehouden wordt. Deze boeken zijn geen historisch onveranderlijke documenten met een van eeuwigheid vastgestelde lijst met namen. Zo’n opvatting leidt tot de fatalistische gedachtegang: wanneer ik er niet bij hoor, is alles toch tevergeefs. Er is een voortdurend inschrijven of uitwissen van namen mogelijk (3:5).

Met ‘alle mensen die op aarde leven’ worden natuurlijk niet alle wereldbewoners bedoeld, maar diegenen in het grote Babylon, wier namen zelfs niet ingeschreven waren in het Levensboek. Zij leefden niet als natuurlijke rechtvaardigen, zoals bijvoorbeeld de Egyptische vroedvrouwen Sifra en Pua, die ‘God vreesden’ en die weigerden de zuigelingen van het mannelijke geslacht van de Israëlieten te doden (Ex.1:15-20). Denk ook aan Ebed-Melech, de Ethiopiër, die Jeremia het leven redde (Jer.38:7-13 en 39:15-18). ‘Alle mensen die op aarde leven’ bezitten alleen nog een natuurlijk leven in verband met eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven, dus zaken die het aardse leven in standhouden (Matth.24:38). De natuurlijke mensen die geen besef hebben van God en zijn plan, worden nu verlokt door de openbaring van de occulte machten de kracht van het beest en zij gaan de antichrist volgen in de geestelijke wereld. De overspelige kerk verklaart God voor dood, vergoelijkt of animeert de zonde en inspireert de mens tot ongerechtigheid. Degenen die nu al ogen hebben om in de onzienlijke wereld de geesten te onderscheiden, zullen zich echter niet verbazen, maar dit degeneratieproces begrijpen.

De zeven koppen van het beest

Hier blijkt het verstand dat wijsheid heeft. De zeven koppen zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. Ook zijn het zeven koningen: vijf zijn er gevallen, een is er, de andere is nog niet gekomen en wanneer hij komt, moet hij een korte tijd blijven 9,10.

Om de beschrijving van de koppen te verstaan, is inzicht nodig, die met wijsheid gepaard moet gaan. Het gaat hier om kennis van de pijlers, waarop de valse kerk rust. De ware gemeente is gegrondvest op de zuilen, die in Hebreeën 6:1 en 2 genoemd worden, namelijk: bekering, geloof in God, de doop in water, de doop in de Heilige Geest, oplegging van de handen, opstanding van de doden en het eeuwige oordeel. Bij de anti-kerk verheffen zich vanuit de onzichtbare diepten van de afgrond, als bergen of eilanden in de zee, de koppen van de geestelijke machten waarop zij steunt. Zolang deze koppen in de wereld hun duivelse opdracht volvoeren, zijn ze gekroond (12:3). Daarom heten ze ook koningen. Hun haat tegen het ware rijk van God blijkt uit de godslasterlijke namen, die op hun koppen voorkomen (13:1). Omdat de valse kerk onder invloed van deze demonen staat, wordt de naam van God onder de volken gelasterd. De macht en de invloed van de schijnkerk bestaan niet in de openbaring van de Heilige Geest door middel van de geestelijke uitingen, maar de hoer lastert de heerlijkheden van God, waaronder de volkomenheid. Zij wil niets te maken hebben met de gaven van de Heilige Geest, hoewel God deze bedoelde tot reiniging en tot opbouw van de gemeente. Allen die ernaar streven, vervolgt zij.

De bergen waarop deze vrouw zit, vormen de ondergrond van haar openbaring in deze wereld. Wanneer wij de vertegenwoordigers van de valse kerk op aarde willen leren kennen, zullen wij nauwkeurig de beschrijving moeten lezen, die de apostelen gaven, wanneer zij de valse leraars en profeten schilderden. Zonder deze bergen kan de vrouw niet bestaan, want zij rust op dit fundament en zij ontvangt er haar inspiratie uit. Deze machten maken het haar mogelijk de zielen van mensen te verleiden en deze in een betoverende en ijzeren greep te binden. Op het voorhoofd van de hoer staat de naam Babylon. Zij brengt een en al geestelijke verwarring en haar geheim is, dat zij nooit iemand redt, verlost, geneest, bevrijdt of vervult met de heerlijkheid van God.

Wij kunnen proberen ons een inzicht te vormen van deze grootmachten uit het rijk van de duisternis, die voorgesteld worden door bergen. Als we echter enkele machten proberen te duiden, sluit dit niet uit dat ook andere geesten uit de afgrond het denken van de valse kerk infiltreren. Het getal zeven zien wij als symboliek, dus is het aantal gemakkelijk met andere kenmerkende eigenschappen te vermeerderen. Wij realiseren ons dat wij, bij het noemen van enkele bergen, wij dit doen vanuit de situatie en tijd waarin wij nu leven. De opsomming is dan ook niet compleet. Te denken valt aan machtsvertoon, uiterlijkheden, leergeesten en traditie die allen een belangrijke waarde hebben in de vele valse kerken. Maar ook aan een schijnchristendom dat via de aardse weg zich een plaats probeert toe te eigenen in de huidige maatschappij. Denk daarbij aan politieke en maatschappelijke instellingen. Wij hebben daar al uitgebreid over geschreven bij de uitleg van Openbaring 13.

Er zullen koppen verdwijnen, ook nu is het getal 5 symbolisch. Dit betekent dat in de eindtijd bergen, waarop de valse kerk haar macht in deze wereld gebouwd heeft, onder haar worden weggeslagen. De gemeente van de antichrist die zich uit haar ontwikkelt, zal op andere pijlers rusten dan die van Babylon. De hoer heeft ondanks haar afval altijd de schijn van christelijke kerk weten te handhaven. De geest van de antichrist veegt echter dit surrogaat-christendom van de kaart. In onze tijd zien wij, hoe de macht van de valse kerk aan het verdwijnen is. Haar gezag in de wereld wordt steeds minder. Wanneer al deze bergen zullen wegvallen, kan de kerk van de antichrist op de puinhopen een volkomen nieuwe religie ontwikkelen. De vrome geesten die eeuwenlang de kerken hebben beheerst zijn nu al volop geïncarneerd in de nieuwe, totalitaire, politieke correctheid en het cultureelmarxisme. Daar gaan zij verder met het verwoesten van hele continenten, gesteund door de van God losse deugmens met zijn ‘maakbaar’ Utopia.

De laatste periode van Babylons bestaan is met nog enkele machten verbonden, waarvan er een is en altijd blijft, terwijl de andere komt en na een korte tijd weer verdwijnt. Wanneer alle machten, waarop deze vrouw steunde, verdwenen zijn, blijft die ene kop. Er is maar één antwoord mogelijk op de vraag naar de naam van deze blijvende macht uit het rijk van de duisternis: het gaat hier om het occultisme. Zij is typerend voor Babylon, de moeder van alle hoeren. Babylon heeft niet alleen met de koningen van de aarde gehoereerd, maar het pleegde overspel in de onzienlijke wereld. De zonde van de afgoderij en toverij worden de hele Bijbel door als hoererij getekend. De grondslag van Babylon was al occult. In het Hebreeuws betekent Babel ‘verwarring’, maar in de taal van de Babyloniërs: De poort van God. Jacob droomde eenmaal dat op de aarde een ladder opgericht was, waarvan de top tot aan de hemel reikte en waarlangs de engelen van God opstegen en neerdaalden. Bij het ontwaken noemde hij deze plaats ook de poort van de hemel, huis van God (Gen.28:17).

De toren van Babel was de kathedraal van de oudheid, ‘waarvan de top tot de hemel reikte’ (Gen.11:4). Hij was de ladder waarmee men de poort van de onzienlijke wereld probeerde binnen te gaan. In zijn bovenste vertrekken zocht men gemeenschap met de geestenwereld. Daarom is Babel de tegenhanger van Pinksteren, maar beide hebben ook iets gemeen. Het pinkstergebeuren en Babel leggen beide contact langs bovennatuurlijke weg in de onzienlijke wereld. In Babel zochten de waarzeggers, de tovenaars, de spiritisten en de astrologen in gemeenschap te komen met de machten van het rijk van de duisternis. Op Pinksteren echter werd de hemel geopend en ontvingen de leerlingen de Heilige Geest. Deze gaf hun een rechtstreekse verbinding met de levende God. Vanaf dat moment is de naam van Babel verbonden met het occultisme. De profeet Jesaja voorspelde zijn verwoesting, onder de aanklacht: ‘Ga maar door met je bezweringsformules en met de talloze toverkunsten waarmee je je van jongs af aan hebt afgemat: misschien kun je nog iets uitrichten, misschien laat het onheil zich afschrikken’ (47:12).

Wij weten dat de hoofdzonde van het volk Israël in het Oude Testament de afgoderij was. In 2 Koningen 23:5-24 lezen wij bijvoorbeeld over afgodspriesters, over hen die voor de Baäl, de zon, de maan, de sterrenbeelden en alle hemelse machten offers ontstaken. Over de dodenbezweerders, de waarzeggers, de terafim, de afgodsbeelden en al de gruwelen, die in het land van Juda en te Jeruzalem aangetroffen werden. Was het een wonder dat dit overspelige volk naar het centrum van de afgoderij gebracht werd? God gaf hen over aan de koning van Babel, aan de heerschappij van de afgoden die zij gediend hadden. Na de ballingschap leek het alsof het volk veranderd was. Geen Jood zou zich voor beelden buigen of zijn voet in een afgodstempel zetten. Maar de afgoderij keerde terug in meer verfijnde en gecamoufleerde vorm en zelfs met meer kracht. Jezus noemde het volk weer ‘een boos en overspelig geslacht’ (Matth.12:39) en vergeleek het met een mens, waar de onreine geest was uitgevaren. Deze keerde echter terug met zeven andere geesten, bozer dan hijzelf. Zij kwamen binnen en woonden daar en het laatste van die mens werd erger dan het eerste. Veelbetekenend voegde de Heer eraan toe: ‘Zo zal het ook gaan met deze verdorven generatie’ (Matth.12:43-45).

Israël werd een ‘vroom’ volk. Uiterlijk dienden de leiders de ware God, maar innerlijk werden zij tot kinderen van hun vader, de satan (Joh.8:44). Hun godsdienst berustte op uiterlijk vertoon. Zij meenden op deze wijze gemeenschap met God te kunnen hebben, maar zij kregen rechtstreeks contact met de machten uit de afgrond. Hun bidden was met omhaal van woorden, zoals bij de heidenen. Zij meenden door de veelheid van woorden verhoord te worden. De leiders aten de huizen van de weduwen op, terwijl zij voor de schijn lange gebeden tot God uitspraken. Door de occulte handelingen werden zij kinderen van de hel. De gebedsriemen van de Farizeeën hadden magische betekenis. Zij dienden als voorbehoedmiddel (phulasso) tegen boze invloeden (het boze oog). In verband met hun verbondenheid met het rijk van de duisternis sprak Jezus van slangen en adderbroedsel. Daarom doodde dit volk de profeten, die waarachtig en op bovennatuurlijke wijze met God gemeenschap hadden en maakte het de maat zijn voorvaders vol. Een uitwendige godsdienst, waarbij het hart ver van God is, ligt in de occulte sfeer van het rijk van de duisternis. Daarom is Jeruzalem ‘de grote stad (Babylon), die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd werd’ (11:8). In 1 Corinthiërs 10:7 waarschuwt Paulus de gemeente van het nieuwe verbond tegen afgoderij. In vers 14 lezen wij: ‘Daarom dan, mijn geliefden, ontvlucht de afgoderij!’ Niet dat een afgod iets zou zijn, maar ‘deze baant de weg tot een gemeenschap met demonen’ (vers 20).

Afgoderij is de zonde tot de dood, dat wil zeggen dat de mens rechtstreeks op bovennatuurlijke wijze in contact met de afgrond komt. Waar in de kerken beelden zijn, staan deze in dienst van de religie en pleegt men afgoderij. De demonen zoeken een stoffelijk object om de aandacht en het geloof van de mensen tot zich te trekken. Zo gebruiken zij onder het religieuze volk gewijde voorwerpen, gewijde plaatsen, heilige gebouwen, rozenkransen (veelheid van gebeden), gewijde aarde, relikwieën en botten, gewijde kleding, wierook en gewijde boeken (Statenbijbel met Gotische letters). Ook ceremoniën, riten en liturgieën trekken de aandacht af van de levende God. Zij zijn dode vormen, die de boze geesten gebruiken om de zielen van mensen tot zich te trekken en af te houden van de gemeenschap met de levende Heer. De machten van de afgrond zoeken een blikvanger om de inwendige mens bezig te houden en op deze manier een open poort te krijgen voor duistere bindingen. Jezus zei echter, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden in geest en in waarheid (Joh.4:23). Ook het contact zoeken met de doden werd door God uitdrukkelijk verboden. Wie tot Maria bidt of een heilige aanroept, zoekt via gestorven mensen verbinding in de onzienlijke wereld en krijgt gemeenschap met demonen die de gestorvenen in hun leven hebben begeleid. Daarom is verering en aanbidding van heiligen op één lijn te stellen met het occulte spiritisme. Met deze kop van het beest uit de afgrond openbaart zich het rijk van de duisternis in zijn ware gedaante. Miljoenen zijn in deze occulte banden gevangen en de heilige plaatsen, heilige gebouwen met heilige relikwieën zijn niet anders dan poorten naar de duistere, onzienlijke wereld uit de afgrond.

De kop die slechts korte tijd heerschappij uitoefent is een occulte grootmacht die het occultisme in haar laatste fase tot zeer grote kracht brengt. Wanneer de eerste vijf koppen hun invloed gaan verliezen, begint deze kop zich te verheffen. Deze geest is er altijd al geweest in verschillende gedaanten, maar nu komt hij met het opkomen van het beest uit de zee, tevoorschijn en wordt duidelijk zichtbaar. Deze kop opent de weg voor de tien koningen uit het oosten, die de antichrist, grote demonische prestaties laten uitvoeren.

Het beest dat was, en niet is, is zelf de achtste koning, al is het een van de zeven en het zal vernietigd worden 11.

Zolang Babylon bestaat, wordt de antichrist niet openbaar. Wel kan van zijn geest gezegd worden, dat hij al gecamoufleerd in de hoererende kerk werkzaam is. Deze geest bevindt zich immers nog onder de oppervlakte van de zee. In hoofdstuk 13:1 ziet Johannes hem in de eindtijd uit de zee opkomen. In 1 Johannes 2:18 schreef deze apostel al: ‘En zoals u gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan’. Van de géést van de antichrist kan dus gezegd worden, dat hij was, niet is, terwijl hij toch zal opstijgen uit de afgrond (vers 8). Door de zeven koppen heen was de invloed van deze geest al in de afgevallen kerk merkbaar.

Wij zagen dat zes van de zeven koppen waarop Babylon gefundeerd is, in de eindtijd weggeslagen worden. Dan blijft alleen de eigenlijke kop over, namelijk die van het occultisme. Nu is het tijdstip aangebroken, dat het beest uit de afgrond gestalte krijgt in dè mens van de zonde, dè zoon van het verderf. Het wordt als het ware diens inwendige mens, want het neemt vlees en bloed aan in de antichrist. De blijvende kop, die eenmaal de wond van het zwaard ontving, blijkt nu de eigenlijke kop van het beest uit de afgrond te zijn. De gemeente van de antichrist is immers door en door occult en heeft rechtstreeks op bovennatuurlijke wijze contact met de afgrond, dat is met het dodenrijk.

De blijvende kop is één uit de zeven en ook de achtste. Hoewel deze kop er altijd geweest is, wijst dit laatste getal op een nieuw tijdperk. Wij kunnen hier een parallel trekken met de doorwerking van de Heilige Geest in de ware gemeente. De Geest was er altijd, werd op de Pinksterdag uitgestort en zal aan de eindtijdgemeente op bijzondere wijze geschonken worden als de vervulling van de Joëlsprofetie. Door de rechtstreekse werking van de geest uit de afgrond enerzijds en die van de Heilige Geest anderzijds houdt iedere verwarring op. De kerk van de antichrist is op spiritistische wijze zodanig met de dood en het dodenrijk verbonden, dat geen bekering en behoud van haar leden mogelijk is. Door de doop in de geest van de antichrist, het merkteken van het beest, wordt men immuun voor de beïnvloeding van de Heilige Geest. De leden van de antichristelijke kerk worden één met de draak en met de antichrist, net zoals men door de doop in Heilige Geest gemeenschap krijgt met de Vader en met de Zoon.

Hoe stellen wij ons nu de schildering van dit beest met de zeven koppen voor? Het bezit eigenlijk maar één kop, die rechtstreeks met hem verbonden is. De zes andere koppen zijn om die ene kop gegroepeerd. Op deze koppengroep rust Babylon, de valse hoererende kerk. Deze wordt door de koppen geïnspireerd. Door deze koppen heen doortrekt de adem van het beest de hoer. De koppen bewerken ook de verwarring en verdeeldheid in Babylon. Als de meeste koppen verdwijnen, valt Babylon en dan rust de antichristelijke kerk, die de organisaties van de schijnkerk overneemt, alleen nog op de blijvende kop. Deze overblijvende kop heet nu de achtste en wordt rechtstreeks geïnspireerd door de geest van de antichrist, het beest uit de afgrond. Dit beest vaart naar het verderf wanneer de valse profeet, de antichrist, gegrepen wordt en met de geest die in hem woont, Apollyon, het beest uit de afgrond, in de vuurpoel geworpen wordt (19:20).

Wij wijzen er op, dat uitdrukkelijk vermeld wordt dat er doorzicht nodig is om de betekenis van deze koppen te verstaan. Johannes blikte in de onzienlijke wereld en hij transponeerde de geestelijke realiteit in aardse beelden. Het vraagt ‘hemelse’ wijsheid om uit deze beelden de geestelijke werkelijkheid weer terug te vinden. Wie de betekenis van bergen en eilanden verstaat, zal ook de wijsheid moeten bezitten om de zuilen van de valse kerk op aarde te onderkennen. Voor het verstaan van de Openbaring is inzicht nodig in de hemelse gewesten. Wat op aarde gebeuren gaat, is resultaat van wat in de onzienlijke wereld plaatsgrijpt. Zo was op Golgotha eenmaal de dikke duisternis het gevolg van de concentratie van duistere demonen in de onzienlijke wereld. Wie meent dat de zeven bergen de heuvels zijn waarop Rome ligt, zal zich ook moeten afvragen waar zich dan dat beest bevindt, waarvan die heuvels koppen zijn, welke heuvels wegvallen en welke heuvel nog zal opkomen en hoe het eruit ziet, als er nog maar één heuvel staat. Men kan echt niet het ene deel van het visioen stoffelijk nemen en de rest geestelijk.