19. Het Lam en zijn vrijgekochten – De aankondiging van het oordeel

 

Openbaring 14:1-13

En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en bij Hem 144.000 mensen met op hun voorhoofd de Naam van Zijn Vader geschreven 1.

Nadat Johannes in hoofdstuk 13 in visioenen en beelden de opkomst van de antichristelijke kerk zag, toont de Geest hem nu een vriendelijker toneel. Hij ziet de voltooiing van de ware gemeente, die aan het beeld van de Zoon gelijkvormig is. Hij beschrijft het ogenblik dat de eindtijdgemeente in een ondeelbaar ogenblik van de aarde wordt weggenomen. Het zijn dezelfde 144.000 waarvan wij in hoofdstuk 7:4 lazen dat zij verzegeld werden; dus gedoopt in Heilige Geest. Nu zien wij hoe deze verzegelden door de grote verdrukking zijn heengegaan en door de Heilige Geest bekrachtigd, de overwinning behaald hebben. Wat een enorm troostboek is de Openbaring voor de gemeente in de eindtijd! In talrijke beelden wordt getoond dat na de grote beproeving ook de grote uitkomst gegeven wordt. Het is duidelijk dat de berg Sion niet geografisch gezien mag worden. Wij moeten hem in de geestelijke wereld verklaren, zoals wij ook de woorden Lam, 144.000 en de naam geschreven op de voorhoofden niet letterlijk opvatten, maar moeten zien als aanduidingen van geestelijke werkelijkheden. In het tijdperk van de schaduwen lag op de Sion de tempel.

In de Psalmen wordt gesproken over ‘Sions God gewijde top’ en de profeet Jesaja zegt: ‘De Heer van de hemelse machten, die op de Sion woont’ (8:18). In het nieuwe verbond is de Sion opnieuw de tempelberg, maar dan in de geestelijke en onzienlijke wereld. Wij zagen dat bergen beelden zijn van geestelijke machten en de Sion is dus symbool van de macht van de Heilige Geest. Op deze berg wordt de ‘woonplaats van God in de geest’ gebouwd (Ef.2:22). Jezus zelf is de Hoeksteen. De gelovigen moeten rusten en gebouwd worden op deze steen, zoals in Romeinen 9:33 staat: ‘Kijk, in Sion leg ik een steen neer waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot. Maar wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.’ Ook Petrus gaat van deze geestelijke betekenis uit. Hij werkt dit beeld uit, als hij schrijft: ‘Voeg u bij Hem, bij de levende steen die door de mensen werd afgekeurd maar door God werd uitgekozen om zijn kostbaarheid en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilig priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn. In de Schrift staat immers: In Sion leg Ik een hoeksteen die Ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, zal niet beschaamd worden  (1 Petr.2:3-6).

De tempel van God ontstaat dus doordat op Jezus Christus als eerste steen de andere levende stenen gebouwd worden, terwijl deze tempel wordt gedragen door de Heilige Geest, de berg Sion. Ook Hebreeën 12:22 verwijst ons naar de geestelijke berg: ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion’. Deze moet op geestelijke wijze beklommen worden, zoals de Psalmist de vraag stelde: ‘Wie klimt de berg van de Heer op? Wie zal de godgewijde top voor het oog van Sions God betreden?’ en antwoordt: ‘De man die rein van hart en hand, zich niet aan de ijdelheid verpandt en geen bedrog pleegt in zijn eden’ (24:2 oude berijming). Hoevelen zijn bij het bestijgen van de Sion niet teruggevallen, omdat de weg van het geloof te moeilijk voor hen was (verslapping of backsliding). Maar de gemeente in de eindtijd bereikt de top en daarmee dus het einddoel van het geloof. Dit is mogelijk omdat er een Lam is, waarvan in het begin van de Openbaring geschreven staat: ‘Hem, die ons liefheeft en ons uit onze zonden verlost heeft door zijn bloed – en Hij heeft ons tot een koninkrijk, tot priesters voor zijn God en Vader gemaakt – Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in alle eeuwigheden! Amen’ (1:5,6). Aan deze 144.000 is bewaarheid: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God’. Het is het geheim van de laatste dagen, als Gods Geest overvloedig uitgestort wordt om het werk van Jezus Christus op aarde in zijn verlossing, heling en vervulling te realiseren. Wij schreven al bij hoofdstuk 7 over deze 144.000 verzegelden uit de hele rijke schakering van het Israël van God. Nu hebben zij het einddoel van hun geloof, het totale behoud van ziel en geest bereikt. De tempel van God in de geestelijke wereld is voltooid. De geweldige zuilengalerij, die dit bouwwerk omgeeft, laat zien, wie deze zonen van God in de eindtijd zijn. In hoofdstuk 3:12 staat: ‘Wie overwint maak Ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de Naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen en ook mijn eigen nieuwe Naam’.

Deze overwinnaars zijn volkomen vernieuwd in hun denken. Zij bedenken alleen dingen die boven zijn, niet die zich op de aarde bevinden (Col.3:2). Om die reden kunnen zij ook in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, omdat hun onzienlijke, inwendige mens geheel vernieuwd is. Daarom is de naam van het Lam en van de Vader op hun voorhoofd geschreven, in tegenstelling met de volgelingen van de antichrist, die het merkteken van het beest op hun voorhoofd ontvangen. In hoofdstuk 7 worden de 144.000, knechten van God genoemd. Zij hebben immers de gestalte van het Lam, de knecht van de Heer uit Jesaja 53. Zij gingen immers dóór de grote verdrukking en zij komen uit de grote verdrukking (7:14). Zij zijn hun Heer gelijkvormig geworden. Op deze wereld hebben zij geen gedaante noch aanzien en geen gestalte, dat men hen verkiezen zou. Zij zijn veracht, de onwaardigsten onder de mensen en als zij verdrukt worden, zijn zij als lammeren naar de slachting geleid en zij doen hun mond niet open. In de hemelse gewesten zijn zij echter overwinnaars en verenigd met de Meester, die hen kocht met zijn bloed. Wanneer de satan komt, vindt hij in hen geen aanknopingspunt. Wat een heerlijke belofte ligt in dit visioen. In de laatste dagen zal God immers zijn Geest uitstorten als nooit tevoren. Dan wordt de Sion een zeer hoge, verheven berg: ‘In de laatste dagen zal het gebeuren, dat de berg van het huis van de Heer gevestigd zal zijn als de hoogste van de bergen, verheven boven de heuvels en alle volken stromen naar Hem toe’ (Jes.2:2). Het zal zijn een tijd van ‘bloed, vuur en rookzuilen’, van beproeving en verdrukking, van de grote en geduchte dag van de Heer, maar de belofte, gerealiseerd in dit visioen, is: ‘Dat iedereen die de naam van de Heer aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de Heer gezegd heeft’ (Joël 2:32).

Geweldige watermassa’s en donderslagen

En ik hoorde een geluid uit de hemel, als een geluid van vele wateren en als het geluid van een zware donderslag. En ik hoorde het geluid van citerspelers die op hun citers spelen. En zij zongen als een nieuw lied vóór de troon, vóór de vier dieren en de oudsten. En niemand kon dat lied leren behalve de 144.000, die van de aarde gekocht waren 2,3.

Johannes zag in zijn visioen de 144.000 staande op de berg Sion, maar hij hoorde bovendien hun stem in de geestelijke wereld. Hij vernam een geluid als het geruis van talrijke watermassa’s, als van een machtige waterval die zich in een diep ravijn stort. Het komt uit de mond van de zangers, ‘de onafzienbare menigte, die niet te tellen was, uit alle volken en stammen, natiën en talen’ (7:9). Deze menigte vormt dus een geestelijke eenheid, hoewel er een rijke schakering in het geluid is. Hun gezang wordt begeleid door harpspel. Er worden akkoorden aangeslagen die als het daveren van de donder in de oren klinken. In hoofdstuk 15:2 wordt erop gewezen, dat deze harpspelers aan de glazen zee staan en het lied zingen van Mozes, de knecht van God en het lied van het Lam. De doortocht door de Rode Zee is immers het beeld van de laatste fase van de grote verdrukking. Gods volk is dan juichend doorgetrokken op de weg naar zijn doel, terwijl de Farao-van-de-eindtijd met zijn wagens en zijn leger en de elite van zijn wagenhelden, in de vuurzee is achtergebleven en omkomt. Exodus 15:16,17 vermeldt: ‘Angst overviel hen, vrees beving hen toen zij hoorden van Uw machtige daden, zij werden stom als steen, terwijl Uw volk voorbijtrok, Heer, terwijl uw volk voorbijtrok, het volk door U geschapen.’ In dit lied van Mozes vinden wij dus de twee beelden van Gods zonen in één profetie. Het is het volk dat doortrekt en de veilige oever bereikt; het is ook het volk dat geplant wordt op de berg Sion.

Zo is ook hier weer het oude verbond de schaduw van het nieuwe. De Rode Zee, de tempelberg en de priesters waren niet de werkelijkheid, maar alleen de afbeelding van de hemelse dingen, die Johannes in visioenen zag. Maar ook een gezicht is niet de betekenende zaak, maar een gelijkenis ervan. Wie de voorstelling letterlijk neemt, maakt het gezicht tot een chaos en komt in zijn eigen uitlegging tot allerlei warrigheden. Een letterlijke verklaring zou ervan moeten uitgaan, dat 144.000 mensen zich samen op de top van een berg bevinden, allen met namen op hun voorhoofd en allen met een harp in de hand, om maar niet te spreken van het lam dat zich te midden van deze menigte bevond! Wie zo’n uitleg geven, laten blijken dat zij nooit een visioen hebben gehad, noch de geestelijke waarde ervan begrijpen. Voor hen die zeggen: men moet lezen wat er staat en geloven wat er staat, geldt: ‘Daarover spreken wij, niet op een manier die ons door menselijke (die leeft buiten de onzienlijke wereld) wijsheid is geleerd, maar zoals de Geest het ons leert: wij verklaren het geestelijke met het geestelijke. Een mens die de Geest niet bezit, aanvaardt niet wat van de Geest van God komt, want voor hem is het dwaasheid. Hij kan het ook niet begrijpen, omdat het geestelijk (in verband met de wereld van de geesten) moet worden beoordeeld’ (1 Cor.2:13,14).

Hoofdstuk 7:9 zegt, dat deze overwinnaars ‘stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen’. Het beeld is dus: het Lam, staande als geslacht, in het midden van de troon en van de vier dieren en te midden van de oudsten (5:6). De 144.000 staan nog vóór de troon. Zij zijn wel overwinnaars op de aarde, maar zullen met het Lam de laatste slag in de hemelse gewesten, die van Armageddon, nog moeten winnen, voor zij hun plaats óp de troon kunnen innemen (20:4). De vertegenwoordigers van de schepping (de vier dieren) en de oudsten van het nieuwe Jeruzalem hebben deel aan de vreugde van de tempel van God die voltooid is. Duidelijk wordt erop gewezen dat wij hier te doen hebben met een bijzondere categorie gelovigen. Te midden van de grote verdrukking hebben zij de volkomenheid naar ziel en geest bereikt. Als zij het lied van de verlossing zingen, kan niemand de inhoud ervan overnemen. De voltooide gemeente die gereed staat om in een ondeelbaar ogenblik van de aarde te worden weggenomen, zingt een lied, dat in geen enkele zangbundel voorkwam en voor zal komen. Het is een geestelijk lied.

Het zingen met de geest in veel nieuwe talen is een gave van de menselijke geest, die door de inwonende Heilige Geest wordt gebruikt. Als geruis van talrijke watermassa’s en het daveren van geweldige donder klinkt de hymne van de losgekochten van de aarde, dit wil zeggen van hen wier wandel tijdens hun verblijf op de aarde geheel in de hemel is. Hun lichamelijke transfiguratie is nabij en ook nu nog zingen zij een lied met de geest, zoals Paulus dit deed en ook wij dit doen. Nooit werd op aarde echter zo’n lied in nieuwe talen gezongen, want er klinkt een nieuw lied. De grote menigte zingt het overwinningslied, de verwoording in veel talen van een volkomen zegetocht. Het was één lied en de stem van veel watermassa’s ziet op de vele geestelijke, nieuwe talen, die representatief zijn voor de vele volken (vergelijk 7:9 en 17:2). De menigte overwinnaars hoort bij de terugkomst van de Heer tot de mederegeerders in het zogenaamde duizendjarige rijk: ‘Zij zullen als koningen heersen op de aarde’ (5:10) en ‘zij werden weer levend en heersten als koningen met Christus duizend jaar lang’ (20:4). Wij merken nog op, dat de Openbaring zich juist bezighoudt met de gemeente in de eindtijd, die een belangrijk deel van de tempel van God is en deze voltooit.

Zij zijn het die niet met vrouwen bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen waar Het ook naartoe gaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden, want zij zijn smetteloos voor de troon van God 4,5.

De eindtijdgemeente heeft maar één doel, namelijk ‘Zij volgt het Lam waar Hij ook heengaat’. Zij kiest de weg van het Lam en denkt zoals Hij dacht, spreekt zoals Jezus sprak, doet wat Hij deed, leeft zoals Hij leefde en heeft dezelfde strijd tegen de geestelijke boosheden als Hij had. Deze overwinnende menigte heeft radicaal met de ongerechtigheid van de aarde gebroken. Zij hebben zich niet met vrouwen besmet, want zij zijn maagden. Hier wordt niet van vrouwen gezegd, dat zij maagden zijn, maar gesproken van de zonen van God, die een gemeente vormen waarin geen onderscheid is tussen man en vrouw. Bedoeld wordt dat zij geestelijk niet met dwalingen gehoereerd hebben. Deze gemeente, die door de grote verdrukking ging, is maagdelijk, want zij is trouw aan haar ene Heer gebleven. Zij heeft zich niet gevoegd bij het grote Babylon, de moeder van de hoeren. Door het werk van de Heilige Geest is deze vrouw van het Lam: ‘Stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet’ (Ef.5:27). Jezus Zelf vergeleek deze ware gemeente met vijf wijze maagden, die haar lampen op het middernachtelijke uur in orde brachten (Matth.25:1-13). De lamp is het Woord van God dat ‘het pad verlicht, het donker op doet klaren’. Deze lamp kan niet schijnen, als er geen olie van het geloof in is. De gemeente in de eindtijd gelooft het hele Woord van God en vertrouwt erop en daarom volgen haar de tekens, die ook de prediking van Jezus vergezelden. Door het geloof heeft dit Woord van God gewerkt als een zaad, dat op de akker van het hart viel, daarin wortel schoot en vrucht voortbracht, dertig-, zestig- en honderdvoud. De 144.000 zijn gekocht uit de mensen.

In hoofdstuk 5:9 wordt van het Lam gezegd: ‘Want U bent geslacht en met Uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal.’ Na de zondeval was de aarde met de mens onder de heerschappij van de duivel, verkocht onder de zonde. Met zijn bloed, dat is zijn leven, heeft Jezus de mens vrijgekocht. De 144.000 hebben de genade in haar volle rijkdom aanvaard. God neemt geen engelen aan, maar alleen de mens. Deze zal voor eeuwig met Hem regeren en in of op zijn troon zitten. De troonverwervers zijn gekocht uit de mensen en niet uit de engelen. Zij worden eerstelingen genoemd voor God en het Lam, omdat zij bij de gemeente van opnieuw geborenen horen en de Vader (God) en de Zoon (het Lam) woning in hen gemaakt hebben door Heilige Geest, zoals er staat: ‘Naar zijn raadsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord van de waarheid, om in zekere zin eerstelingen te zijn onder zijn schepsels’ (Jac.1:18). Zij zijn allen vol geloof en Heilige Geest. Hier is geen sprake van een halm, of een aar, maar van rijp graan. ‘In hun mond is geen leugen gevonden’. Hun priesterlijk gewaad is onbezoedeld. Uit de mond, die het nieuwe lied aanheft, welt geen zoet en bitter water samen op (Jac.3:11). In hen wordt bewaarheid: ‘Dat is uw roeping; ook Christus heeft geleden, om uwentwil en u daarmee een voorbeeld gegeven. Treed dus in de voetsporen van hem die geen enkele zonde beging en over wiens lippen geen leugen kwam’ (1 Petr.2:21,22). ‘Zij zijn onberispelijk’ is een vervulling van wat staat in 1 Thessalonicenzen 5:23,24: ‘Mag de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mag heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus. Hij die u roept is trouw en doet zijn belofte gestand’.

De aankondiging van het oordeel

En ik zag een andere engel, die hoog aan de hemel vloog. En hij had het eeuwig Evangelie, om dat te verkondigen aan hen die op de aarde wonen en aan elke natie, stam, taal en volk. En hij zei met een luide stem: Vrees God en geef Hem eer, want het uur van Zijn oordeel is gekomen. En aanbid Hem Die de hemel, de aarde, de zee en de waterbronnen gemaakt heeft 6,7.

Johannes ontving zijn openbaring door middel van de engel van de Heer (1:1 en 22:16). Zoals Mozes de wet ontving ‘door bemiddeling van engelen gesproken’ (Hebr.2:2), zo staat ook Johannes te midden van een engelenbediening. Paulus noemt deze mogelijkheid, als hij schrijft: ‘Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, een evangelie verkondigen’ (Gal.1:8). Bij de wisseling van het tafereel ziet Johannes nu in een visioen een engel vliegen in het midden van de hemel. Na de engel die de zevende bazuin blies, is sprake van ‘een andere engel’. Deze beweegt zich in het midden of het centrum van de onzienlijke wereld bij de troon van God. Deze machtige geest moet een eeuwig evangelie verkondigen aan hen die de aarde bewonen. Het bepalende woordje ‘eeuwig’ wijst erop, dat er geen tweeërlei evangelie is. Het evangelie zoals Jezus Christus het gepredikt en geopenbaard heeft, is het enige, ware evangelie. Het is eeuwig, omdat het het werk betreft van het Lam, ‘dat geslacht is, sinds de grondvesting van de wereld’ (13:8). Het betreft de dingen die van eeuwigheid bekend zijn’ (Hand.15:18).

De wijdverbreide misvatting gebaseerd op de Bedelingenleer en alle variaties daarop, dat de aardse joden ná de opname van de gemeente, alsnog een evangelie op aarde gaan brengen, wordt nog steeds door honderdduizenden in Nederland en ver daarbuiten aangehangen. De Vader zou dan een plan B achter de hand hebben, omdat het evangelie van zijn Zoon Jezus Christus niet het juiste effect heeft gehad en Hij eigenlijk heeft gefaald. Vrijwel alle eindtijdsites incl. hun visies zijn op deze dwaling gebaseerd. Zij aanbidden hiermee massaal een aards joods volk, dat dan ná de opname van de gemeente, plotseling een evangelie gaat brengen zonder de Zoon van God, Gods Heilige Geest en een (onvolmaakt) opgenomen gemeente. Dezen zijn dan op de aarde niet meer te vinden, maar men meent dat het aardse joodse volk dan kan evangeliseren, zonder de Vader, zijn Zoon en Gods Geest! Werkelijk een rampzalige en demonische dwaling, waarvan Paulus terecht schrijft: ‘Vervloekt is hij (of zij), die dit brengen!’ (Gal.1:8b).

Het eeuwige evangelie dat Jezus bracht, is in de loop van de eeuwen ook in de kerken door onwetendheid en afval verloren gegaan. Wie het in onze tijd brengen wil, wordt bewust niet begrepen of geaccepteerd. De wijze maagden ontwaken echter uit hun slaap. Op bovennatuurlijke wijze ontvangen gelovigen weer kennis en inzicht in de hemelse zaken. In de laatste dagen stort God van zijn Geest uit en zijn er weer profetieën en gezichten, tekens en wonderen. In de naam van Jezus worden weer demonen uitgeworpen, legt men op zieken de handen en worden de kinderen van God in Heilige Geest gedoopt. Van dit eeuwige evangelie, dat de gelovigen van het Oude Testament slechts ‘uit de verte hebben gezien en begroet’ (Hebr.11:13), sprak Jezus: ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matth.24:14).

Deze woorden stemmen overeen met de opdracht aan de engel ‘dat hij bekend moest maken aan de mensen op aarde, uit alle landen en volken, van elke stam en taal.’ Nee, de gemeente gaat niet als een neergeslagen vlam uit, maar zij heeft een geweldige en heerlijke toekomst. De hele wereld zal eenmaal de woorden horen, die Jezus gesproken heeft en de wonderen zien, die Hij gedaan heeft en zelfs grotere (Joh.14:12). Alleen als men vasthoudt aan dit evangelie kan men de satan weerstaan. Dit visioen toont ons de opdracht, die de eindtijdgemeente volvoeren moet. Ook kondigt de engel aan dat het uur van het oordeel gekomen is. De scheiding tussen Babylon met haar voortzetting in de antichristelijke kerk enerzijds en de gemeente van God anderzijds, wordt tot stand gebracht, want oordeel (Grieks: ‘krisis’) betekent scheiding maken. De kloof wordt duidelijk aanwijsbaar. Tegenover de aanbidding van het beeld en het beest staat het aanbidden van God, want er wordt geroepen: ‘Heb ontzag voor God en aanbidt Hem’. God alleen is groot en Hij is de Almachtige, de Heer van de hemelse legers, die de zienlijke en de onzienlijke dingen geschapen heeft. Ook de waterbronnen zijn door Hem gemaakt en dit herinnert aan het oordeel van de zondvloed, toen deze kolken van de grote waterdiepte opengebroken werden en allen die de Heer God niet vreesden en dienden, omkwamen. In deze eindtijd zullen echter door de prediking van de laatste getuigen miljoenen ontwaken, want er is sprake van een grote menigte die niemand tellen kon. Het eeuwig evangelie is de boodschap van het geloof in het onmogelijke. Dit geloof overwint de wereld.

En een andere engel volgde, die zei: Zij is gevallen, zij is gevallen, Babylon, de grote stad, omdat zij alle volken van de wijn van de hartstochtelijke hoererij heeft laten drinken 8.

Wanneer het oordeel of de scheiding bij het huis van God begint, blijkt al direct dat Babylon aan de zijde van de veroordeling komt. Er is een vervulling met Heilige Geest, waardoor de mens hemelsgezind wordt, maar er is ook een drinken van de wijn van de hartstocht, die tot geestelijke ontucht voert. Het rijpe onkruid en het rijpe graan worden nu bij elkaar gebonden. De afvallige wereldkerk is gevallen. De kerk die miljoenen verleidde en tot afval bracht, wordt uitgerangeerd. Babylon bestáát en er wordt opgemerkt dat het een zeer grote stad is. Het heeft alle volken op listige wijze van de ware God laten afhoereren. Laat daarom geen enkele kerk menen dat zij met Babylon niets te maken heeft. De geest van Babylon, de geest van de leugen en dwaling, is doorgedrongen in de hele christenheid. Gods volk leeft in ballingschap. Het is weggevoerd uit de hemelse gewesten en gebracht in een stad die in de zichtbare wereld haar invloed en stem doet gelden. Babylon kent geen wandel in de hemelse gewesten, geen strijd aldaar en verzamelt geen schatten in de hemel. Babylon kent geen doop in Heilige Geest, geen streven naar de geestelijke gaven. Zijn inwoners kennen geen vrede, geen gerechtigheid en geen blijdschap die bewerkt wordt door de Heilige Geest. Met Babylon bedoelt de Schrift niet een bepaalde kerk, maar het hele systeem van wereldgelijkvormigheid in cultuur, kennis, macht, aanzien en wetenschap. Babylon lokt de mens uit de geestelijke wereld en geeft hem een surrogaat uit de natuurlijke wereld in kerkbesef, theologie, dogmatiek, liturgie, traditie, gewijde personen, gebouwen en voorwerpen. Over bekering, wedergeboorte, vervulling met Heilige Geest, verlossing, bevrijding, genezing en heiligmaking wordt in Babylon niet gesproken. Babylon wordt weggevaagd door de zich ontwikkelende antichristelijke macht. Zijn kathedralen, universiteiten, concilies, synoden, zijn invloed, cultuur en wijsheid worden door het beest uit de afgrond en zijn valse profeet overgenomen. De grote verwarring heeft dan opgehouden. Van nu aan staan twee grootmachten tegenover elkaar: Jezus Christus en zijn gemeente en de antichrist met degenen die het beest en zijn beeld aanbidden.

En een derde engel volgde hen, die met een luide stem zei: Als iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, dan zal hij ook drinken van de wijn van de toorn van God, die onvermengd is ingeschonken in de drinkbeker van Zijn toorn en gepijnigd worden in vuur en zwavel voor het oog van de heilige engelen en van het Lam. En de rook van hun pijniging stijgt op tot in alle eeuwigheid en zij die het beest en zijn beeld aanbidden, hebben dag en nacht geen rust, evenmin als iemand die het merkteken van zijn naam ontvangt 9-11.

Hoofdstuk 14 is het begin van het einde. De laatste plagen worden ingeluid. Babylon, de grote verwarring, is van de aarde weggevaagd. Het vlees van de grote hoer is door de antichristelijke macht gegeten (17:16). Haar rijkdom, haar organisaties en haar invloed, zijn overgenomen door de zonen van het verderf. De scheiding tussen licht en duisternis is nu aanwijsbaar. Het Lam met zijn vrijgekochten staan aan de ene kant en de antichrist met zijn gemeente aan de andere. Beide groepen hebben een merkteken: de eerste de doop in Heilige Geest en de laatste de doop in de geest van het beest uit de afgrond. Er wordt op hoog niveau gestreden: Geest tegenover geest, geloof tegenover geloof en geestelijke kracht tegenover geestelijke kracht. Door het teken van de verbondenheid met het beest worden de zonen van het verderf bij elkaar gevoegd en wordt vervuld wat Jezus zei: ‘En in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Haal eerst het onkruid bijeen en bindt het in bossen om het te verbranden’ (Matth.13:30). Wie het beest aanbidt en gedoopt wordt in zijn geest, zal de wijn van Gods woede moeten drinken. De zeven laatste plagen beschrijven de ondergang van het rijk van de antichrist. De wijn moet onvermengd gedronken worden, dat wil zeggen zonder water en onversneden. In deze plagen is niets dat hun uitwerking verzacht. Iedere vorm van genade ontbreekt bij dit oordeel.

Deze woede komt niet over de gemeente. De schalen van Gods woede worden uitgegoten over ‘de mensen die het merkteken van het beest hadden en die zijn beeld aanbaden’ (16:2). De doop in de geest van het beest maakt de mensen immuun voor iedere goddelijke beïnvloeding. Het merkteken van het beest maakt hen één met het rijk van de duisternis. Zoals de zonen van God aan hun Heer gelijk geworden zijn, zo ook de zonen van het verderf aan hun meester. Daarom is hier geen sprake meer van goddelijke verdraagzaamheid en geduld. De dienaars van de antichrist leven en bewegen zich buiten God; daarom wordt zijn rijk in de vuurpoel gesmeten. Eenmaal werden de steden Sodom en Gomorra door God omgekeerd, terwijl de Heer vuur en zwavel deed regenen (Gen.19:24,25). Op hun onnatuurlijke, vleselijke zonden, die zij in arrogantie en valse rust bedreven, volgde een straf in de zichtbare wereld. Bij de antichrist ligt de zonde veel dieper: zij wordt daar geboren uit de bewuste gemeenschap met het beest uit de afgrond. Daarom zal het voor de steden van Sodom en Gomorra draaglijker zijn in de dag van het oordeel dan hen die het merkteken van het beest dragen. De wereld van de eindtijd heeft de tekens en de wonderen van Gods zonen gezien en toch bekeerden haar inwoners zich niet. Zij hebben de leugen liefgehad boven de volle waarheid en de dwaling, boven de prediking van het eeuwig evangelie. Eenmaal riepen de demonen: ‘Bent U gekomen om ons te pijnigen vóór de tijd?’ De antichrist met zijn gemeente ondergaat al op aarde de volheid van de helse folteringen. Haar leden worden volledig overgeleverd aan het vuur en aan de zwavel, beelden van de demonische machten met hun ontbindende, vergiftigende en verstikkende werking.

Er is een eeuwig evangelie dat niet ophoudt en geldig is tot in alle aeonen, maar er is ook een eeuwig vuur dat de mens een eeuwige pijn veroorzaakt en waarvan rook opstijgt tot in de eeuwen der eeuwen. Bij de laatste plagen wordt deze walm steeds dichter. De dienstknechten van de antichrist leven al in de hel en zij blijven in deze toestand in alle eeuwigheid. Wanneer zij zich niet bekeren bij de prediking van het eeuwig evangelie zoals Jezus dit eenmaal bracht en de zonen van God het in de eindtijd openbaren, welke roepstem zal dan machtig genoeg zijn om hen tot bekering te brengen? Zij zijn één geworden, zoals de duivel en het beest één zijn. In hen is geen verlangen naar redding, geen dorst naar gerechtigheid en geen wil om tot God te komen. Wie het evangelie bewust verwerpt, kan nooit meer gered worden, omdat God geen andere blijde boodschap meer heeft. Zoals van de vier dieren in hoofdstuk 4 gezegd wordt, dat zij dag noch nacht rust hadden van de lof en aanbidding en van hun voortdurende zinsverrukking, zo achtervolgt de onrust deze zonen van het verderf dag en nacht. De aanbidders van het beest en van zijn beeld liggen onder een eeuwige vloek. Zij dragen de naam van het beest en in zijn naam bezitten zij ook zijn wezen. Waar het beest is, zijn zij en zij blijven met hem verbonden in de vuurpoel die eeuwig van zwavel brandt.

Hier zien we de volharding van de heiligen. Hier komen openbaar die de geboden van God en het geloof in Jezus in acht nemen. En ik hoorde een stem uit de hemel tegen mij zeggen: Schrijf: Zalig zijn de doden die in de Heer sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, zodat zij rusten van hun inspanningen en hun werken volgen met hen 12,13.

Vers 12 begint met ‘hier’, wat betekent: in deze tijd. In de eindtijd zullen de heiligen volharding moeten openbaren. De heiligen zijn degenen die gered, gereinigd, verlost en genezen zijn. Heilig betekent afgezonderd voor God, gescheiden van het kwaad en genezen of geheeld. Een heilige zou men kunnen vergelijken met een gaaf kind, dat echter nog op moet groeien tot de volwassenheid. Er is standvastigheid nodig om in deze wereld op te groeien tot de mannelijke volwassenheid en steeds gaaf te blijven, dat wil zeggen niet meer aangetast te worden door de satan. In 1 Timotheüs 4:1 staat: ‘Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen’. Er is dus een afval van de heiligen of van de geheelden, van hen: ‘die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de Heilige Geest en het goede woord van God en de krachten van de toekomende eeuw geproefd hebben’ (Hebr.6:4,5).

Maar er is ook een volharding van de heiligen. Wanneer men de mogelijkheid van de afval van de heiligen loochent, ziet men gewoonlijk ook niet de noodzakelijkheid voor de volharding. Als de apostel spreekt over het openbaar worden van de zonen van God en over de strijd om het beoogde doel te bereiken, zegt hij: ‘Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden’ (Rom.8:25). De ware gemeente ziet niet allereerst uit naar de komst van Jezus, maar zij streeft ernaar om te beantwoorden aan het doel waartoe zij geroepen is: ‘Zodat de mens van God volkomen is en tot alle goede werken volkomen toegerust’. Van deze heiligen wordt gezegd dat zij de geboden van God bewaren. Zij wandelen naar de Geest en daarom wordt de eis van de wet in hen vervuld (Rom.8:4). Zij geloven in Jezus, hebben Hem lief en daarom bewaren zij zijn woord (Joh.14:15), want geloof moet zich altijd hechten aan wat gesproken is. Zij blijven in zijn liefde en worden volkomen in het volharden op deze weg. Jezus is immers de Voleinder van het geloof, die het mogelijk maakt de wedloop met volharding te lopen (Hebr.12:1). De gemeente in de eindtijd is een strijdende en overwinnende gemeente. In haar wordt vervuld: ‘Mag de God van de vrede zelf uw leven in alle opzichten heiligen en mogen heel uw geest, ziel en lichaam zuiver bewaard zijn bij de komst van onze Heer Jezus Christus’ (1 Thess.5:23). In 1 Petr.1:9 wordt opgemerkt, dat het einddoel van ons geloof het behoud van onze ziel is. Wij worden niet gered of zalig door ons sterven, want de dood is onze vijand, maar wij bereiken het einddoel door ons geloof in Jezus. Vertrouwende op zijn Geest en zijn kracht zullen wij de volkomenheid bereiken. Paulus schreef aan de Filippenzen over deze volmaaktheid: ‘Broeders en zusters, ik beeld me niet in dat ik het al heb bereikt, maar één ding is zeker: ik vergeet wat achter me ligt en richt mij op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: de hemelse prijs waartoe God mij door Christus Jezus roept’ (3:13,14).

Paulus streefde naar de geestelijke gaven en hij jaagde naar de liefde, niet om de Heer in de lucht te ontmoeten, maar om tot de volkomenheid te komen, ‘de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus’ (Ef.4:13). De gemeente in de eindtijd bereikt dit doel. Het onmogelijke is bij Jezus immers mogelijk: ‘Die u roept is trouw; Hij zal het ook (door de wetten van de Geest in u) doen’ (1 Thess.5:24). In deze tijd zullen zij die in de Heer (zijnde) sterven, zalig zijn, ook wanneer zij als martelaar een gewelddadig einde hebben. Van nu af aan zijn de stervenden (in Christus) volkomen of zalig. Hoevelen zijn niet als een onrijpe vrucht gestorven? Nu echter is de oogst van de aarde geheel rijp geworden (vers 15). De gelovigen gaan rusten van hun werk, letterlijk: harde arbeid, lijden, pijn of moeite (St. Vert.). Zij hebben in de hemelse gewesten schatten verzameld. Zij zijn aan het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden. Zij gingen de wereld door, ‘goed doende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren’ (Hand.10:38). Zij deden de werken die Jezus deed en zelfs grotere. Deze werken volgen hen na en vormen de grootte en de statuur van hun geestelijk of onzienlijk lichaam. Zij worden vergeleken met blinkend en smetteloos fijn linnen, waarmee de heiligen bekleed zijn: ‘Want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden van de heiligen’ (19:8). Met dit ‘fijne linnen’ bekleed nemen zij hun intrek bij Jezus in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Daar leven zij verder en bij leven horen activiteiten. Zij zetten hun werk tot volmaking van de schepping voort onder allen, die in de stad van God, het nieuwe Jeruzalem, verblijven. Zij worden daarbij niet meer gehinderd door de tegenwerking en de aanvallen van de demonen. Zij kunnen nu moeiteloos het werk dat hun lief is, voortzetten.