13. De twee getuigen – Beeld van de Zoon

 

Openbaring 11:1-11

En mij werd een meetlat gegeven, die op een staf leek. En de engel was erbij komen staan en zei: Sta op en meet de tempel van God, het altaar en hen die daarin aanbidden 1.

De openbaring van Jezus Christus vindt plaats door middel van de gemeente. Christus is nooit van zijn ‘lichaam’ te scheiden. Daarom laten wij ons dit gedeelte uit het laatste Bijbelboek niet ontnemen door allerlei stelsels en uitleggingen die het wezen van dit principe aantasten. Wat in het Oude Testament beschreven en voorspeld werd, was schaduw van de toekomende dingen. Alle profeten hebben over de voor óns bestemde genade geprofeteerd: ‘Wat die redding inhoudt, probeerden de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen’ (1 Petr.1:10). Omdat wij in deze genade staan, weigeren wij terug te keren tot de schaduw. Als de Heer spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning (Hebr.8:13). Israël was de kerk van het oude verbond en de gemeente is die van het nieuwe verbond. De eerste kerk was schaduwachtig en voorbijgaand, Jezus Christus’ gemeente is de blijvende werkelijkheid.

De eerste was natuurlijk, aards; de tweede geestelijk, hemels. Het Aäronitische hogepriesterschap was het tijdelijke en verdwijnende, dat van Jezus Christus is eeuwig en blijvend. Ook de priesters in het oude verbond waren een schaduw van het ware priesterschap, waarvan Petrus zegt: ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis (van het heidendom) heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken (aan zijn volk)’ (1 Petr.2:9,10). Wie wil geloven dat ergens in het Midden-Oosten volgens een letterlijke verklaring van Jesaja 2:2 op de hoogste berg van de wereld een tempel gebouwd zal worden, waarin de natuurlijke afstammelingen van Aäron en dan onder leiding van een Hogepriester uit de stam van Juda, hun diensten opnieuw zullen verrichten, moet de Bijbelse klok duizenden jaren terugzetten en het geografisch onmogelijke geloven. In het nieuwe verbond wordt gesproken over het nieuwe Jeruzalem en daarmee wordt de kerk van alle eeuwen aangeduid: ‘Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn’ (Hebr.12:22). De tempel is het beeld van de Nieuw Testamentische gemeente, zoals er staat: ‘Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest’ (Ef.2:21,22).

De schrijvers van het Nieuwe Testament brachten hun lezers niet in verwarring door op dubbelzinnige manier over de tempel te schrijven. Zij hadden radicaal met de aardse, oude tempeldienst gebroken en kenden nog slechts één huis van God, de gemeente van Jezus Christus. Er ontstaat een geestelijke chaos, wanneer men het oude verbond naast het nieuwe verbond laat voortbestaan. De geestelijke tempel vindt zijn voltooiing bij het einde van de zesde bazuin; dan zijn de zonen van God geopenbaard. Aan Johannes werd een rietstengel gegeven. Met deze maatstaf moest hij de tempel van God meten. Deze rietstengel als meetstok, is dezelfde als de grote meetstok uit hoofdstuk 21:15. Er is geen andere maatstaf voor de kinderen van God dan ‘de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volwassenheid gekomen volheid van Christus’ (Ef.4:13). De groei van de gelovigen en mét hen van de gemeente, wordt naar het beeld van Jezus Christus afgemeten en vastgesteld. Hij is de meetstok en de eindtijdgemeente bereikt de volle maat van groei. Het gouden altaar stelt de gemeente voor in haar heiligste gemeenschap met God, waarbij haar lof en aanbidding opstijgen. Deze eer en lof worden de Heer niet alleen toegebracht met de mond, maar in het bijzonder door de volkomenheid van hun innerlijke mens, hun existentie.

De voorhof prijsgegeven

Maar laat de buitenste voorhof van de tempel erbuiten en meet die niet, want die is aan de heidenen gegeven. En zij zullen de heilige stad vertrappen, tweeënveertig maanden lang 2.

Het beeld is ontleend aan de Herodiaanse tempel, die een restauratie en uitbreiding was van de tempel van Zerubbabel. Hij bestond uit het eigenlijke tempelhuis, omringd door de voorhof van de Israëlieten en die van de vrouwen. Daarbuiten lag de grote voorhof die ook wel voorhof van de heidenen genoemd werd, omdat hij het enige gedeelte van de tempel was, waar ook de vreemdelingen toegelaten werden. Daarom beschouwden de joden dit plein niet als heilig. Het was de plaats waar de offerdieren verkocht werden en waar de tafel van de geldwisselaars stonden, die door Jezus tweemaal omgekeerd werden. Een soort traliewerk vormde de scheiding met de gewijde grond, waar alleen de joden mochten komen. Dit was de tussenmuur die scheiding maakte (Ef.2:14). Na het sterven van Jezus viel deze tussenmuur weg en Jood en heiden kregen nu op gelijke wijze deel aan de redding en verlossing. Deze middelmuur van de afscheiding tussen Jood en heiden wordt nooit meer hersteld. Beiden volken worden op gelijke wijze behouden door Jezus Christus. In het beeld van de gemeente van God is opnieuw sprake van een tempel met een voorhof die aan de heidenen gegeven wordt en van een scheiding, die tussen beide opgetrokken wordt. Er is hier dus sprake van de ware gemeente, die een heilige tempel vormt en een naamchristendom of valse kerk, die geheel overgegeven wordt aan de demonen van de duisternis.

Het is een vreemd verschijnsel wanneer Nieuwtestamentische gemeenten in Nederland zich met de term ‘De Voorhof’ betitelen. Dit kan alleen maar verklaard worden vanwege hun Oudtestamentische ‘inzichten’ en de daaraan gekoppelde belijdenisgeschriften. Herziende Statenvertaling of niet, de rampzalige boodschap blijft dezelfde – in oud of nieuw Nederlands, maakt niets uit. Een onberekenbare, straffende en despotische god die doodt en doet herleven. Die kanker en droogte geeft, klappen uitdeelt, geneest, maar ook mensen vér voor hun tijd ‘thuishaalt’. Waar dit ‘thuis’ is weet niemand. Zijn wegen zijn immers ondoorgrondelijk en zijn werken onnaspeurbaar. Vul de rest zelf maar in. De verblindheid blijft.

De voorhof zoals die al negatief werd beschreven door de profeten

  • ‘Maar zij spanden samen tegen hem en op bevel van de koning stenigden zij hem op de voorhof van het huis van de Heer. Zo weinig dacht Joas nog aan alle weldaden die Jojada, Zekarja’s vader, hem bewezen had, dat hij zijn zoon liet vermoorden. Stervend riep deze nog: ‘De Heer moge het zien en het wreken!’ (2 Kron.24: 21,22).
  • ‘Er ging geen dag voorbij of Mordekai (de joodse massamoordenaar) wandelde langs de voorhof van de vrouwenverblijfplaats om navraag te doen, hoe Ester het maakte en wat er met haar gebeurde’ (Ester 2:1).
  • ‘Zo spreekt de Heer van de hemelse legermachten, de God van Israël: Ik breng over deze stad en over de andere steden al de rampen waarmee Ik gedreigd heb, want ze weigeren hardnekkig om naar Mij te luisteren’ (Jeremia 19:15).
  • ‘Zo spreekt de Heer: Als u niet naar Mij luistert en niet leeft volgens de wet die Ik u heb gegeven, als u niet luistert naar mijn dienaren, de profeten die Ik telkens weer, maar vergeefs, naar u toestuur, dan doe Ik met dit huis hetzelfde als Ik met Silo heb gedaan en maak Ik deze stad tot een vloek bij alle volken op aarde'(Jeremia 26:4).

Prijsgegeven aan de demonen

De Oudtestamentische voorhof is niet een kerk, Rome of de Bijbelbelt waar mensen nooit verlost, vrijgemaakt of opnieuw geboren worden en daarmee de tempel bedoelen (Psalm 110:4), maar een plaats waar de profeten werden vermoord. Het is een vrijblijvend niemandsland die vandaag in alle belijdenisgeschriften en catechismussen past. Nooit heeft de voorhof enig leven voortgebracht. Toen niet en vandaag nog steeds niet. Zij wordt daarom prijsgegeven aan de demonen: ‘Wie niet voor Mij is tegen Mij en die niet bijeen vergadert die verstrooit’. Hedendaagse kerken die zich bewust of onbewust vereenzelvigen met de satan en zijn demonen gaan daarom verloren en worden prijsgegeven aan de machten wiens naam zij zichzelf opplakken. Wee hun leiders zonder enig Bijbels fundament, die niet zijn wedergeboren en Geestvervuld, maar alleen een raamopleiding hebben gevolgd tot theoloog: ‘Hun herders zal ik ter verantwoording roepen en niet mijn schapen!’ 

Jezus Christus, het Hoofd van zijn opnieuw geboren en Geestvervulde gemeente

De openbaring van Jezus Christus vindt plaats door middel van Zijn gemeente. Jezus Christus is nooit van zijn ‘lichaam’ te scheiden. Daarom laten wij ons dit gedeelte uit het laatste Bijbelboek niet ontnemen door allerlei stelsels en uitleggingen die het wezen van dit principe aantasten. Wat in het Oude Testament beschreven en voorspeld werd, was de schaduw van de toekomende dingen. Alle profeten hebben over de voor óns bestemde genade geprofeteerd: ‘Wat die redding inhoudt, probeerden de profeten te achterhalen toen ze profeteerden over de genade die u ten deel zou vallen. Zij probeerden vast te stellen op welke tijd en op welke omstandigheden Christus’ Geest, die in hen werkzaam was, doelde toen deze hun zei dat Christus zou lijden en daarna in Gods luister zou delen’ (1 Petrus 1:10). Omdat wij in deze genade staan, weigeren wij terug te keren tot de schaduw. Als de Heer spreekt van een nieuw verbond, heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning (Hebr.8:13). Israël was de kerk van het oude verbond en de gemeente is die van het nieuwe verbond. De eerste kerk was schaduwachtig en voorbijgaand, de tweede gemeente is de blijvende werkelijkheid. De eerste was natuurlijk, aards; de tweede geestelijk, hemels. Het Aäronitische hogepriesterschap was het tijdelijke en verdwijnende, dat van Jezus Christus is eeuwig en blijvend. Ook de priesters in het oude verbond waren een schaduw van het ware priesterschap, waarvan Petrus zegt: ‘Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van Hem die u uit de duisternis (van het heidendom) heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijke licht. Eens was u geen volk, nu bent u Gods volk; eens viel Gods ontferming u niet ten deel, nu wordt zijn ontferming u geschonken (aan zijn Nieuw Testamentische volk)’ (1 Petrus 2:9,10).

De Christus in het aards Jeruzalem?

Wie wil geloven dat ergens in het Midden-Oosten volgens een letterlijke verklaring van Jesaja 2:2 op de hoogste berg van de wereld een tempel gebouwd zal worden, waarin de natuurlijke afstammelingen van Aäron en dan onder leiding van een Hogepriester uit de stam van Juda, hun diensten opnieuw zullen verrichten, moet de Bijbelse klok duizenden jaren terugzetten en het geografisch onmogelijke geloven. In het nieuwe verbond wordt gesproken over het nieuwe Jeruzalem en daarmee wordt de gemeente van alle eeuwen aangeduid: ‘Nee, u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en voor duizenden engelen die in vreugde bijeen zijn’ (Hebr.12:22). De tempel is het beeld van de Nieuw Testamentische gemeente, zoals er staat: ‘Vanuit hem groeit het hele gebouw, steen voor steen, uit tot een tempel die gewijd is aan Hem, de Heer, in wie ook u samen opgebouwd wordt tot een plaats waar God woont door zijn Geest’ (Efeze 2:21,22). De schrijvers van het Nieuwe Testament brachten hun lezers niet in verwarring door op dubbelzinnige manier over de tempel te schrijven. Zij hadden radicaal met de aardse, oude tempeldienst gebroken en kenden nog slechts één huis van God, de gemeente van Jezus Christus.

Een geestelijke chaos, wanneer men het oude verbond naast het nieuwe verbond laat voortbestaan

Er ontstaat een geestelijke chaos, wanneer men het oude verbond naast het nieuwe verbond laat voortbestaan. De geestelijke tempel vindt zijn voltooiing bij het einde van de zesde bazuin; dan zijn de zonen van God geopenbaard. Aan Johannes werd een rietstengel gegeven. Met deze maatstaf moest hij de tempel van God meten. Deze rietstengel als meetstok, is dezelfde als de grote meetstok uit hoofdstuk 21:15. Er is geen andere maatstaf voor de kinderen van God dan ‘de eenheid van de volmaakte mens, van de tot volwassenheid gekomen volheid van Christus’ (Efeze 4:13). De groei van de gelovigen en mét hen van de gemeente, wordt naar het beeld van Jezus Christus afgemeten en vastgesteld. Hij is de meetstok en de eindtijdgemeente bereikt de volle maat van groei. Het gouden altaar stelt de gemeente voor in haar heiligste gemeenschap met God, waarbij haar lof en aanbidding opstijgen. Deze eer en lof worden de Heer niet alleen toegebracht met de mond, maar in het bijzonder door de volkomenheid van hun innerlijke mens, hun existentie.

Het beeld van de voorhof is ontleend aan de Herodiaanse tempel, die een restauratie en uitbreiding was van de tempel van Zerubbabel. Hij bestond uit het eigenlijke tempelhuis, omringd door de voorhof van de Israëlieten en die van de vrouwen. Daarbuiten lag de grote voorhof die ook wel voorhof van de heidenen genoemd werd, omdat hij het enige gedeelte van de tempel was, waar ook de vreemdelingen toegelaten werden. Daarom beschouwden de joden dit plein niet als heilig. Het was de plaats waar de offerdieren verkocht werden en waar de tafel van de geldwisselaars stonden, die door Jezus tweemaal omgekeerd werden. Een soort traliewerk vormde de scheiding met de gewijde grond, waar alleen de joden mochten komen. Dit was de tussenmuur die scheiding maakte (Ef.2:14). Na het sterven van Jezus viel deze tussenmuur weg en Jood en heiden kregen nu op gelijke wijze deel aan de redding en verlossing. Deze middelmuur van de afscheiding tussen Jood en heiden wordt nooit meer hersteld! Beiden volken worden op gelijke wijze behouden door Jezus Christus.

De ware en valse gemeente

In het beeld van de gemeente van God is opnieuw sprake van een tempel met een voorhof die aan de heidenen gegeven wordt en van een scheiding, die tussen beide opgetrokken wordt. Er is hier dus sprake van de ware gemeente, die een heilige tempel vormt en een naamchristendom of valse kerk, die geheel overgegeven wordt aan de machten van de duisternis.

Waarom is er sprake van heidenen?

Omdat dit mensen betreft die met demonen verbonden zijn. Zo is ook de valse kerk verbonden met het beest, dat uit de afgrond opkomt (17:8,9). De gemeente in de eindtijd bestaat alleen uit verzegelden, dat wil zeggen uit met Gods Geest gedoopte christenen, omdat dezen alleen de mogelijkheid in zich hebben te blijven staan in de verschrikkelijke dag. Natuurlijk bedoelen wij hier niet mee dat allen die in Gods Geest gedoopt zijn en in nieuwe talen spreken, tot deze gemeente gerekend moeten worden. Het feit doet zich immers voor, dat velen die deze gave van God ontvingen, nooit verder dan dit gedeeltelijke fundament kwamen. Zij stelden de doop in Heilige Geest als einddoel, terwijl hij in wezen alleen een begin is om naar de wil van God te kunnen leven. Hier is sprake van een gemeente, die op het fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente en niet met hout, hooi of stro. Wanneer de apostel Paulus hierover spreekt, merkt hij op: ‘Want de dag (van de Heer) zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur (van de grote verdrukking door de demonen) uitmaken’ (1 Cor.3:13).

Zonder de geestelijke gaven, waaronder het spreken in vreemde talen, kan de wedergeboren mens nooit de volkomenheid bereiken, omdat hij dan het Bijbelse instrument mist om zichzelf te stichten en de gemeente op te bouwen. Niet voor niets staat er geschreven: ‘Ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog (in de geestelijke of onzienlijke wereld) voert’ en: ‘Jaagt de liefde na en streeft naar de gaven van de Geest’ (1 Cor.12:31; 14:1). De liefde en de kwaliteiten van de Geest zijn onafscheidelijk verbonden. De stad van God, het christelijke erf, wordt prijsgegeven aan de ‘heidenen’ uit de voorhof. Hier wordt een uitbeelding gegeven van de toenemende afval. Duidelijk zien wij in onze dagen hoe de kerk steeds meer verwereldlijkt. Iedere zonde wordt in haar gevonden en vaak ook goedgepraat. In haar is zelfs plaats voor mensen die leren, dat God dood is. De orthodoxie, die met versleten leuzen werkt, heeft geen vat meer op de menigte en de wereldgelijkvormigheid neemt zienderogen toe. Bekering en wedergeboorte worden veelal beschouwd als verouderde begrippen.

Tweeënveertig maanden of drie en een halfjaar wordt de heilige stad vertrapt. De demonen, door wie de goddeloze en afvallige leiders gebruikt worden, doen hun werk en beheersen de voorhof en de stad. De tweeënveertig maanden wijzen op het tijdperk van de grote verdrukking, wanneer de bazuinen geblazen worden. Deze periode van drie en een halfjaar komt in de Openbaring meer dan eens voor. Het is het tijdperk dat het rijk van God op aarde belaagd wordt door de macht van de antichrist, die in het begin de afgevallen kerk gebruikt tot eigen doeleinden. In Daniël wordt de uitdrukking gebruikt ‘tijd, tijden en een halve tijd’, die net als in Openbaring 12:14 dezelfde periode aanduidt. Na deze tijd is de heilige tempel gezuiverd en voltooid: ‘Wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen (door de boze geesten) van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn’ (Daniël 12:7). Waarom wordt hier van de heilige stad gesproken, terwijl deze toch overgegeven wordt aan de demonen? Wij merken op dat hier sprake is van het geestelijke Jeruzalem op aarde, waarin de tempel van God is, namelijk de ware gemeente die gedoopt en vervuld is met Gods Geest, de vrouw van het Lam. Degenen die wel opnieuw geboren zijn, maar deze verzegeling niet kennen, dus verder niet ontwikkeld zijn, horen bij de heilige stad die onder zware verdrukking wordt prijsgegeven aan de boze geesten. Zij waren wel afgezonderd van deze wereld, maar konden geen voldoende weerstand bieden aan de vijand. Deze niet-verzegelden verliezen dan alles wat zij nog bezaten.

En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven en zij zullen, in rouwkleding gekleed, twaalfhonderdzestig dagen lang profeteren 3.

Op welke wijze komt de gemeente tijdens de zes bazuinen tot haar volkomenheid? Dit is het mysterie van de zeven donderslagen (Op.10:4). Natuurlijk gebruikt de Heer daar ook zijn dienstknechten voor (Amos 3:7). Door hun werk komt de scheiding tot stand tussen voorhof en tempel. Zij prediken in de geünificeerde wereldkerk, die onder leiding staat van het beest uit de afgrond. Hun roep is: ‘Ga uit van haar, mijn volk, zodat u geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen’ (18:4). Door hun getuigenis gebeurt hetzelfde als in de apostolische tijd. Een overblijfsel trekt uit de dode kerkgemeenschap en wordt gedoopt en vervuld in Heilige Geest. De opdracht van Gods zonen is om te getuigen in de straat van het geestelijke Jeruzalem. Zij prediken in de eindtijd het eeuwig evangelie en roepen op tot bekering, zoals eenmaal Petrus op de Pinksterdag deed: ‘En met nog meer andere woorden getuigde hij: ‘Laat u behouden uit dit verkeerde geslacht’ (Hand.2:40). En Paulus schreef na zijn bekering over zo’n getuige: ‘En toen het bloed van uw getuige Stefanus vergoten werd’.

De geschiedenis herhaalt zich. De kerk van het nieuwe verbond begon met een exodus uit het natuurlijke Jeruzalem en zal eindigen met een uittocht uit het geestelijke Jeruzalem. Jeruzalem werd door een heidens volk verwoest en heidenen zullen ook de heilige stad in de eindtijd vertrappen. De kerk begon met een Pinksteren en eindigt met een overblijfsel dat net als Stefanus en zijn broeders ‘vol van geloof en Heilige Geest is, vol van genade en kracht’. De getuigen zijn met een zak bekleed. Wanneer iemand zich in een zwarte kameelharen zak hulde, betekende dit dat hij in grote rouw was. In dit beeld betekent het dus dat zij hun getuigenis onder grote verdrukking moeten brengen. Met de psalmist kunnen zij zeggen: ‘Om u moet ik smaad verduren en bedekt het schaamrood mijn gezicht. Ik ben voor mijn broers een vreemde geworden, een onbekende voor de zonen van mijn moeder. De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen. Ik huilde tranen toen ik vastte, maar wat ik oogstte was hoon, ik hulde mij in een boetekleed, maar verachting werd mijn deel. In de stadspoort wordt over mij gepraat, en de liedjes van drinkers spotten met mij’ (Psalm 69:8-13).

Terwijl de oordelen, aangekondigd door de zes bazuinen, over de aarde gaan, profeteren deze zonen van God in de afvallige kerk, getuigende en strijdende in de geest, terwijl God meewerkt door tekens en wonderen. Het is hun opdracht te profeteren, dat is: om de waarheid van God te verkondigen inzake het verleden, heden en toekomst. Zij doen dit twaalfhonderdzestig dagen lang. Dit tijdperk vinden wij onder het beeld van tweeënveertig maanden in vers 2, waar het wijst op een periode van geweldige afval. Deze tijd van drie en een halfjaar (tijd, tijden en een halve tijd) is de ware gemeente in de woestijn en buiten het gezicht van de slang (Op.12:14). Dit duidt op de scheiding tussen de ware christenen, die zich geheel stellen onder de leiding van de Heilige Geest en gebroken hebben met elke vorm van ongerechtigheid en degenen die met de wetteloosheid in wat voor vorm dan ook heulen. Het is ook het tijdperk van de grote verdrukking (13:5). Deze tijdsduur herinnert ons ook aan de goddeloosheid onder Achab en Izebel en het tijdperk van grote droogte tijdens het optreden van de profeet Elia: ‘Elia was slechts een mens zoals wij en hij bad een gebed, dat het niet regenen zou en het regende niet op het land, drie jaar en zes maanden lang’ (Jacobus 5:17).

Zij zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die voor de God van de aarde staan. En als iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en dat verslindt hun vijanden. En als iemand hun schade wil toebrengen, moet hij op dezelfde manier gedood worden 4,5.

Het nieuwe Jeruzalem

Deze getuigen herinneren ons aan tweemaal twee dienstknechten van God uit het oude verbond. Allereerst denken wij aan Jozua, de hogepriester en Zerubbabel, de landvoogd, een nakomeling van David. Zij waren de tempelbouwers na de Babylonische ballingschap. Zij waren de twee gezalfden die  voor God op de aarde mochten staan om Zijn tempel te bouwen (Zach.4:14). Zij waren dus uitvoerders van Gods wil en van zijn plan. Ook de ware gemeente verbleef eeuwen lang in Babel, maar zij zal terugkeren op eigen bodem en de (geestelijke tempel, de gemeente) zal herbouwd worden naar Gods plan. Jozua en Zerubbabel worden in de nachtgezichten van Zacharia vergeleken met een kandelaar en twee olijfbomen.

Het is natuurlijk dwaasheid te veronderstellen dat deze mannen in de eindtijd weer levend zouden worden. In onze tekst gaat het niet om Jozua en Zerubbabel als personen, maar om de geest die in hen was. Er staat: ’En de Heer wekte de geest op van Zerubbabel en de geest van Jozua en de geest van het overblijfsel van het volk’ (Haggai 1:14). De tweede (Oud-Testamentische) tempel werd bovendien niet alleen gebouwd door deze twee Godsmannen, maar zij waren de leiders van het overblijfsel van het volk dat dezelfde geest of gezindheid bezat. Duidelijk wijst de Oudtestamentische profeet op het feit, dat mannen met zo’n geest of gezindheid in de laatste dagen zullen opstaan om het huis van de Heer (Jezus’ gemeente), te bouwen (Haggai 2:7-10 en 22-24). Ook hier komt uit, dat de profeten Zacharia en Haggai ‘niet zichzelf, maar de gemeente dienden met deze dingen’ (1 Petrus 1:12), zodat wij nu verstaan waar de Vader op doelde in die dagen.

De twee getuigen vertegenwoordigen dus een categorie gelovigen, die tijdens de bazuinen het geestelijk huis van de Heer herstellen en voltooien. Zij worden waardig geacht om de verleidingen en verlokkingen van de wereld te ontvluchten en te staan voor de Mensenzoon (Lucas 21:36). Hun handen voltooien het huis van God (Zach.4:9). Zij zijn de priesterkoningen, die in tegenstelling met het Oude Testament, nu wel permanent gezalfd zijn met Heilige Geest en met kracht en die spreken zoals Jezus sprak en de werken doen, zoals Hij gedaan heeft, in zijn Naam. De kandelaars wijzen op het licht dat de eindtijdgemeente door deze zonen van God verspreiden, terwijl de olijfbomen wijzen op de olie, die het beeld is van de reddende en verlossende kracht van de Heilige Geest. Naast hun functie als gemeentebouwers hebben de getuigen ook een taak ten opzichte van de afvallige kerk. Wij denken daarbij aan twee andere figuren uit het Oude Testament, namelijk Mozes en Elia. De profeet Maleachi voorspelde: ‘Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van de Heer komt’ (4:5). Elia leefde in de tijd van de grote afval onder Achab en Izebel. Zo omvangrijk was de godsverlating, dat hij meende alleen overgebleven te zijn. Hij herstelde het altaar van de Heer dat omvergehaald was en op zijn gebed schoot het hemelvuur erop neer, zodat Israël zich bekeren mocht. God verwekte deze geest van Elia opnieuw in de laatste profeet van het oude verbond, Johannes de Doper. Van hem werd gezegd: ‘Hij is Elia, die komen zou’ (Matth.11:14). Maar ook wees Jezus erop, dat Elia opnieuw zou komen om alles te herstellen (Marcus 9:12).

De ‘god’ van de aarde

Bij de getuigen herhaalt zich de historie, maar nu in Nieuwtestamentische tijd en verbond (Hebreeën 8:8). Jezus Christus heeft nu alle macht ontvangen van God, zijn Vader. Alleen zijn gemeente moet de satan nog verslaan op eigen bodem, de aarde, waarop hij is neergesmeten (Ez.18; Jes.14). Het eeuwig evangelie wordt weerstaan en gehaat door álle geestelijke leiders op aarde die nu door de demonen worden geïnspireerd. Men probeert hen schade toe te brengen; dus hen te laten struikelen, van hun opdracht af te brengen en hun kleed van de gerechtigheid aan te tasten. Het beschadigen van de inwendige mens gebeurt altijd door de demonen. De afvallige kerk brengt deze zo nodig langs occulte weg tegen Gods zonen in beweging. Maar de gemeente is buiten het gezicht van de slang (Op.12:14) en het werk van Gods Geest in de laatste dagen gaat door. Het evangelie van het Koninkrijk der hemelen wordt door de laatste getuigen over de hele wereld gepredikt aan alle volken, natiën en talen. Men probeert hen te imponeren door de bedrieglijke wonderen en tekens van de antichrist en door de valse leringen die de gemeente beschadigen en in haar ontwikkeling tegenhouden, wanneer zij ermee in aanraking komt.

In 2 Thessalonicenzen 2:8 staat, dat de Heer door de adem van zijn mond de wetteloze machteloos maakt. Het woord van de zonen van God krijgt dus kracht door Gods Heilige Geest. Tot de profeet Jeremia sprak de Heer: ‘Ik maak mijn woorden in uw mond tot vuur en dit volk tot hout en het zal hen verteren’ (5:14). Obadja vult aan: Jacobs volk zal het vuur zijn, Jozefs volk de vlam en het volk van Ezau de stoppels. De stoppels gaan in vlammen op, het vuur zal ze verteren en niemand van Ezau’s volk zal ontkomen (1:18). De profeet noemt het volk dat verloren gaat naar Ezau, naar de geest die in Ezau te voorschijn komt, in zijn nageslacht doorwerkt en het volk/land Edom kenmerkt. In vers 21 spreekt hij over het gebergte van Ezau: de grootvorst die zich met zijn leger door alle eeuwen heen richt op broeders (en zusters) van gezalfden van de Heer. Met als doel hen afvallig te maken en op te zetten tegen hun broeders en zuster en hen tot ‘volk van Ezau’ te maken.

Obadja’s woorden wijzen op Belial, de macht die Edom (=rode/roodachtige) beheerst en in het Oude Verbond het antigoddelijke belichaamt. Deze geest komt bij de opening van het tweede zegel als een rood/rossig paard te voorschijn. Hij representeert in het Nieuwe Verbond het antichristelijke. Belial is de kop van het scharlakenrode beest uit de zee/afgrond, dat zich in de eindtijd manifesteert als ‘geest van de antichrist’. Hij regeert in Edom, in het leven van Ezau’s volk. Hij heerst in Babel, in het leven van mensen die de werkelijkheid van Christus niet binnengaan. Na de derde bazuin vaart hij met Apollyon in de antichrist en wordt één wezen met deze mens. Hij krijgt vrij spel in het volk dat de antichrist zich toe-eigent. Tegenover deze geest – en deze mens – staan de twee getuigen als zij drieënhalf jaar op aarde rondgaan. Deze macht zit achter al het kwaad dat mensen hun willen aandoen. De twee getuigen reageren hierop als volwassen, volmaakte zonen van God: zij stellen zich op als verlossers van mensen en als overwinnaars van machten. Obadja zegt: Verlossers (meervoud), zullen de berg Sion bestijgen om over het gebergte van Ezau gericht te oefenen (1:21).

De twee getuigen werken met de autoriteit die Christus hen verleent. Ze zijn ongrijpbaar voor de antichrist, voor het ‘beest’ in hem, voor het ‘gebergte Ezau’. De antichristelijke geest krijgt geen kans hun schade toe te brengen. Ondanks al het vuur dat hij ontsteekt. Zo doden deze getuigen de tegenstanders in de naam van Jezus. Zij doden niet het lichaam van hun vijanden, maar zij scheiden hun geest en ziel volkomen van de gemeenschap met God en zijn volk. Hun prediking is als een tweesnijdend zwaard, ten leven of ten dode. De vuilen worden nog vuiler, de goddelozen nog goddelozer, de onreinen nog onreiner, de verslaafden nog meer gebonden en de verwarden nog meer verward. Iedere bestrijding van deze dienstknechten van God werkt als een boemerang tot eigen verderf.

De twee getuigen als beeld van Gods Zoon

Zij hebben macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen zal vallen in de dagen dat zij profeteren. En zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen, en de aarde te treffen met allerlei plagen, zo vaak zij dat willen 6.

Zoals Elia vuur deed neerkomen op zijn vijanden die probeerden hem te arresteren, zo treft het oordeel van God de tegenstanders van de getuigen van Jezus Christus. Als Elia hebben zij de macht om de hemel te sluiten voor hen die zich verzetten en hen vervolgen. Daarom is na hun prediking in de valse kerk geen enkele werking en geen enkele vrucht van de Heilige Geest meer over. Wanneer het oude verbondsvolk van God geboden gehoorzaamde, zou het de vroege en de late regen op het land ontvangen. Wanneer het andere goden diende, zou de Heer de hemel toesluiten zodat het niet zou regenen (Deut.11:14-17). Ook de Joëlsprofetie heeft twee zijden: Gods Geest wordt uitgestort op alles wat (voor God) leeft, maar de verstokte en onbuigzame kerk wordt een prooi van ‘bloed, vuur en rookzuilen’.

De twee getuigen hebben ook macht over de wateren om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen. Deze beelden brengen ons terug naar de uittocht van het volk van God onder leiding van Mozes. De plagen gingen over Egypte tot behoud van het volk Israël en tot straf voor de Egyptenaren. Zo trekt onder de grote verdrukking de gemeente van Jezus Christus uit, onder leiding van Gods zonen. Het water is het beeld van het geestelijke leven en het bloed van het natuurlijke leven. In de afvallige kerk verdwijnt ieder geestelijk leven en men vervalt in uitwendigheden en in een natuurlijke godsdienst. Men verliest wat men nog heeft en bezit geen enkele weerstand tegen de aanvallen van de occulte demonen in de hemelse gewesten.

En wanneer zij hun getuigenis volbracht hebben, zal het beest dat uit de afgrond opkomt, oorlog met hen voeren en het zal hen overwinnen en hen doden. En hun dode lichamen zullen liggen op de straat van de grote stad, die in geestelijke zin genoemd wordt Sodom en Egypte, waar ook onze Heer werd gekruisigd’7,8.

Zoals het leven van deze zonen van God een weerspiegeling is van het leven van de Zoon van God, zo komt ook hun einde overeen met dat van Jezus. Niét om de reiniging van de zonden opnieuw tot stand te brengen – het offer van Jezus volstaat voor eens en altijd. Wél om op basis van het werk van Christus nu het laatste gevolg van de vernedering op te heffen. In het volledige kennen van Christus mag zij de kracht van zijn opstanding in volheid gaan ervaren (Fil.3:10). En zo de opstanding uit de dood die sinds de wedergeboorte haar deel is – laten uitmonden in een volledige overwinning op de dood. In deze strijd met Dood en dodenrijk treden de twee getuigen op als vertegenwoordigers van de gemeente. Zij hechten niet aan het leven, ze aanvaarden hun dood (Op.12:11). Zij zijn bereid het martelaarschap op zich te nemen en zo het getal vol te maken van hun mededienstknechten die omwille van Christus en zijn evangelie zijn gedood (Op.6:11). Zij beschouwen het als een eer om aan Jezus’ dood gelijkvormig te mogen worden. En ten behoeve van zijn gemeente in hun lichaam te mogen aanvullen wat nog ontbreekt aan het lijden van Christus (Col.1:24).

In navolging van Jezus overgave in Getsemane, geven ook de twee getuigen zich vrijwillig over aan hun vijanden, vertegenwoordigd in de persoon van de antichrist. Op het moment dat God bepaalt en Jezus aangeeft. Geen dag of uur te vroeg. De antichrist krijgt de gelegenheid hen te doden. Het wordt hem gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren, hen te overwinnen en te doden (Op.13:7, 11:7). Dat is de werkelijkheid in de hemel. De antichrist overmeestert de twee getuigen in twee werelden tegelijk. In de zichtbare, natuurlijke wereld sterven zij. In de onzichtbare, geestelijke wereld komen zij onder de heerschappij van Dood en dodenrijk. Niet door hun zonden en overtredingen, maar omdat zij zich overgeven aan de antichrist en zich geheel vrijwillig stellen onder de macht van Dood. Zij laten zich als ‘oorlogsbuit’ het dodenrijk binnenvoeren, zonder enig verzet en naar het voorbeeld van Jezus Christus, hun Heer. Ze weten: dit is voor ons de gelegenheid om Dood hemzelf en zijn cipiers, de gevallen serafs, op hun eigen terrein tegemoet te treden. Hiermee begint de exodus die Jezus bedoelt: de doortocht door de gevangenis, de uittocht uit het dodenrijk. Dit loopt uit op het overwinnen van de dood. Jezus staat zijn twee getuigen persoonlijk bij als zij zich aan de antichrist overgeven en zich daarmee onder de macht van Dood en dodenrijk stellen. Net als voor de eerste martelaar, Stefanus, gaat voor deze laatste martelaars de hemel open. Ook zij zien de Mensenzoon aan Gods rechterhand (Hand.7:56). Niet zittend op zijn troon, maar staande aan de rechterhand van God, d.w.z. Hij is volledig betrokken bij wat er gebeurt. 

De antichrist geeft een heel andere voorstelling van zaken. Hij wil iedereen laten geloven dat hij na het vertrappen van de voorhof nu ook de tempel vertreedt. Te midden van zijn aanhangers doet hij zich voor als de onweerstaanbare overwinnaar, die rechtstreeks aangaat op de absolute heerschappij in hemel en op aarde. Zijn volgelingen bewonderen en aanbidden hem met de woorden: Wie is aan hem gelijk? Wie kan het tegen hem opnemen (verg. Op.13:4). Ook in de eindtijd spant een verworden schijnkerk samen met een wereldbeheersende, Godvijandige schijnelite. Zij heeft het getuigenis van het ware evangelie gehoord. Zij zag de wonderen en tekens die behoud bewerkten en zij verwerpt de profeten en doodt ze. In hoofdstuk 17 wordt beschreven hoe de hoer verbonden is met het scharlakenrode beest, dat uit de afgrond opkomt. Vanaf Augustinus tot aan laatste dagen zou het bloed van de martelaren in de Nieuwtestamentische kerk blijven vloeien: ‘Ik zag dat de vrouw dronken was van het bloed van de heiligen en het bloed van hen die van Jezus hadden getuigd’ (17:6).

De lijken van de laatste bloedgetuigen liggen ook op de straat van de grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, waar ook hun Heer gekruisigd werd. Tot de martelaren van alle eeuwen werd, toen het vijfde zegel geopend was, gezegd dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broers, die gedood zouden worden net als zij. Johannes ziet het plein van de grote stad waar Jezus is gekruisigd: het tempelplein in Jeruzalem. Hij ziet de voorhof van de tempel: de ‘plaats’ – beter: de situatie – waar de antichrist heer en meester is. Daar toont de antichrist zijn buit: voor het oog van de wereld. Zodat velen onder de indruk komen en in hem gaan geloven. Dit plein bevindt zich vóór de tempel: de antichrist laat het hele gebeuren plaatsvinden voor het oog van Jezus’ gemeente. Om daarmee zijn werkelijkheid op te dringen aan de levend achterblijvenden die Jezus trouw zijn en God aanbidden en om hen schrik aan te jagen en in zijn macht te krijgen. De grote stad is de ‘heilige stad’ uit vers 2. Daar heersen de demonen van de duisternis.

De afvallige kerk komt overeen met het Jeruzalem ten tijde van Jezus. De Heer Jezus werd daar verworpen en gekruisigd, terwijl men de mond vol had over God. Van dit volk wordt gezegd: ‘Het eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.’ Het wordt geestelijk vergeleken met Sodom, omdat het een onnatuurlijke godsdienst heeft. Men komt immers niet bijeen om God te behagen en met Hém gemeenschap te hebben, maar ter wille van de ander en om door mensen gezien te worden. Dit Jeruzalem wordt ook met Egypte vergeleken, omdat de valse kerk geen verlossing en bevrijding kent, maar slavernij en gebondenheid aan de demonen. In Openbaring wordt tot het ware volk van God gezegd: ‘Trek uit Babel!’ Jezus sprak tot zijn leerlingen: ‘Vlucht uit Jeruzalem!’ Het afvallige Jeruzalem is identiek met Babylon. Waar het evangelie gepredikt wordt zoals Jezus dit gedaan heeft en waar zijn werken geopenbaard worden, komt vervolging. Een dienstknecht is niet meer dan zijn heer, noch een gezant meer dan degene die hem gezonden heeft.

En de mensen uit de volken, stammen, talen en naties zullen hun dode lichamen drieënhalve dag zien en zullen niet toelaten dat hun dode lichamen in het graf gelegd worden. En zij die op de aarde wonen, zullen juichen om de dood van de twee profeten en zullen feest gaan vieren en elkaar geschenken sturen, omdat deze twee profeten hen die op de aarde wonen, zo gekweld hadden 9,10.

De prediking van Gods zonen is wereldwijd. Deze getuigen zijn uit ieder volk, zoals Jezus voorspelde: ‘En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de hele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde gekomen zijn’ (Matth.24:14). Jezus sprak over een evangelie, zoals Hijzelf gebracht had: ‘Hij trok rond in heel Galilea; Hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal onder het volk. Het nieuws over Hem verspreidde zich in heel Syrië. Allen die ergens aan leden en die gekweld werden door een ziekte of door pijn en ook bezetenen en maanzieken en verlamden werden bij hem gebracht en Hij genas hen’ (Matth.4:23,24). Het evangelie van het Koninkrijk biedt behoud, redding, verlossing, genezing, doop en vervulling met Heilige Geest aan allen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. In de schaduw van Gods zonen worden de zieken gezond en varen de boze geesten uit, want Gods kracht is op hen. Zij spreken zoals Jezus en doen de werken die Hij gedaan heeft. Daarom wekken zij de bittere haat van de afvallige kerk op. Deze getuigen zijn het beeld van de Zoon in alles gelijkvormig en door hun prediking bereiken de kinderen van God hun geestelijke volwassenheid. Het doel van God met de gemeente wordt in hen vervuld: ’Zodat de mens van God volkomen is, tot alle goede werken volkomen toegerust’ (2 Tim.3:17). ‘Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van Gods zonen’ (Rom.8:19).

In de prediking van de getuigen krijgt ook de opstanding van de doden het volle accent. Noach wist dat aan het einde van zijn bediening de grote vloed zou komen. Simeon wist door een godsspraak dat hij niet zou sterven, voordat hij de Christus had gezien. Jezus zelf sprak al tijdens zijn omwandeling over zijn lijden en sterven, maar ook over zijn opstanding die daarop volgen zou. Zo weten ook deze predikers door Gods Heilige Geest dat er een eind aan hun getuigenis komen zal en dat zij gedood zullen worden, maar zij profeteren dat zij uit de doden zullen opstaan. Tijdens hun getuigen wekken zij al vele doden op door de kracht van Gods Geest, maar zij weten dat zij ook zelf na hun sterven door een machtig ingrijpen van God tot het leven zullen terugkeren. Zij getuigen dat men de tempel van hun lichaam wel kan afbreken, maar dat men dan ook zal zien dat deze door God Zelf hersteld zal worden. In Filippenzen 3:10,11 geeft Paulus als zijn doel aan: ’Hem te kennen en de kracht van zijn opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding tussen de doden uit’. Hij brengt deze opstanding in verband met de volmaaktheid. Deze zonen van God hebben de volmaaktheid bereikt. Doordat zij gedood worden op de straat van het geestelijke Jeruzalem, waar ook hun Heer gekruisigd werd, zijn zij gelijkvormig geworden aan zijn dood, daarom zullen zij ook komen tot de opstanding. Deze zonen van God worden door hun haters overmeesterd en zij ervaren: ‘Terwijl Petrus en Johannes de menigte nog toespraken, kwamen de priesters, het hoofd van de tempelwacht en de sadduceeën op hen af, hevig ontstemd omdat ze het volk onderrichtten en de opstanding uit de dood verkondigden op grond van wat er met Jezus was gebeurd. Ze grepen hen vast en zetten hen gevangen tot de volgende dag, omdat het al avond was’ (Hand.4:1-3).

Zoals de martelaars van de eerste christelijke kerk, schuwen zij het lijden en het sterven om Christus’ wil niet. Wij zullen los moeten komen van de gedachte, dat wij wel zonder lijden het doel zullen bereiken. De leer dat de gemeente zonder grote verdrukking voor de opname in een kort ogenblik gereed zal zijn, is wel aangenaam voor het vlees, maar on-Bijbels. Onder leiding van de antichrist – de Haman van de eindtijd – worden de getuigen van Jezus Christus uitgeroeid. Het zijn de laatste martelaars van een religieuze vervolging door de afgevallen kerk. Deze is immers dronken van het bloed van de heiligen. Er is sprake van een Bartholomeusnacht, waarin Gods zonen over de hele wereld vallen onder iedere stam en onder iedere natie. Deze bloedbruiloft van de duisternis gaat vooraf aan de bruiloft van het Lam.

De lijken van de slachtoffers mogen op hoog bevel niet begraven worden. Zij hadden hen immers horen profeteren: ‘Wij zullen uit de doden opstaan, wij zullen herleven door Jezus Christus, onze Heer’. Zo groot is dan de verblinding en haat, dat men uitroept: ‘Laat ons zien wat er gebeurt!’ Zo spotte men bij het kruis: ‘Laat ons zien of Elia komt!’ Bij de dood van Jezus verzegelde de wereldse overheid – onder druk van de kerkelijke leiders – het graf, omdat Hij gezegd had dat Hij zou opstaan uit de doden. Hier past men een andere controle toe. Men tolereert niet dat de lijken in een graf bijgezet worden. Men wil nu eens en voor altijd afrekenen met het evangelie van Jezus Christus en vooral met de leer van de opstanding. Dood is dood! Onder toezicht van het wereldconvent van hoererende kerken liggen de lijken op de straat van het geestelijke Jeruzalem, dat de profeten doodt. De kerkelijke autoriteiten belasten zich met de bewaking van de executieterreinen over de hele aarde. Men zal bewijzen dat deze zonen van God een valse leer predikten. Dan kent de vreugde van de hoererende kerk geen grenzen, wanneer zij de doden ziet. Zij die op de aarde wonen, wier burgerschap dus niet in de hemel is, hebben volkomen gebroken met ieder bovennatuurlijk leven. Men heeft deze getuigen, deze pijnigers en onruststokers, gedood en daarmee meent men een tijdperk van rust te zijn ingegaan. Ja, men zal menen door deze massale terechtstelling God een dienst bewezen te hebben. Men zingt het ‘Te Deum’ bij het aandragen van nog wat extra hout voor de brandstapels, zoals dit ook gebeurde bij de grote slachting onder de Hugenoten.

En na die drieënhalve dag kwam er een levensgeest uit God in hen en zij gingen op hun voeten staan. En grote vrees overviel hen die hen zagen 11.

Tijdens zijn rondgang op aarde wekte Jezus drie doden op. Het dochtertje van Jaïrus was nog maar een kort ogenblik tevoren gestorven, toen Jezus haar oprichtte. De zoon van de weduwe te Naïn werd door Jezus opgewekt, toen men op weg naar de begraafplaats was. Het allergrootste wonder was echter de opwekking van Lazarus. Johannes heeft dit feit uitvoerig in zijn evangelie beschreven. Hij vertelt ons onder andere dat Jezus de spanning verhoogde door nog twee dagen ter plaatse te blijven waar Hij was. Als Jezus in Bethanië komt, ligt zijn vriend al de vierde dag in het graf, dit is dus drie en een halve dag. Dan wekt Jezus voor het oog van vriend en vijand een lichaam op, dat al gedeeltelijk tot ontbinding overgegaan was en dat al een lijklucht had. De opwekking van Lazarus in dit opzicht is dus een voorafbeelding van de opstanding van de getuigen. Natuurlijk zou de Heer deze lichamen onmiddellijk kunnen opwekken, maar na drie en halve dag zijn zelfs in de koudste klimaatzones de lijken tot ontbinding overgegaan. Daarom stijgt in de afvallige kerk de vreugde naarmate de tijd verstrijkt.

De hele wereld kan nu constateren dat de twee getuigen onwaarheid gesproken hebben. Men meent nu met het sprookje van de opstanding voorgoed te hebben afgerekend. Dan is het ogenblik aangebroken dat het wonder van de opstanding van Lazarus zich herhaalt aan de duizenden laatste bloedgetuigen over de hele aarde. Toen Lazarus opgewekt werd, kwam zijn levensgeest in hem terug. Deze geest zorgt er voor dat het menselijk lichaam op de juiste, natuurlijke wijze kan functioneren. De levensgeest bouwt, onderhoudt en herstelt het menselijke organisme. De geest van iedere getuige was mét de Heilige Geest teruggekeerd tot God. Bij deze opstanding worden de beide geesten opnieuw met het (dode) lichaam verbonden. Dit wordt dan weer levend. De geest van deze zonen van God en de Geest van God vormen immers een onverbrekelijke eenheid, want: ‘Die zich aan de Heer hecht, is één geest met Hem’ (1 Cor.6:17). De bekrachtigde geest herstelt het al ontbonden lichaam tot zijn normale functie.

Maar er gebeurt nu nog veel meer. Er is sprake van  een unieke situatie als de twee getuigen gedood worden: Dood en doodsmachten moeten gaan heersen over mensen, vol van licht en leven, vervuld van Gods Geest. Kunnen zij dat? Zal Dood zijn macht over de twee getuigen behouden? Zal het dodenrijk deze mensen kunnen vasthouden? Kan de antichrist zijn ‘greep’ op hen waarmaken? Dood en dodenrijk moesten Jezus loslaten. Als zondeloze en volmaakt rechtvaardige blijkt de eniggeboren Zoon van God ongenaakbaar. Geldt dit ook voor deze gerechtvaardigde, aangenomen zonen van God, die onderworpen zijn geweest aan de dood? Werkt Gods Geest in deze geheiligden op dezelfde wijze als in dé Heilige? Kunnen zij zich ook losmaken van hun geestelijke boeien? Kunnen zij ook het dodenrijk ook van binnenuit openbreken en uit de dood opstaan?

De uitkomst laat niet lang op zich wachten. Het wonder van de opstanding voltrekt zich opnieuw. Door Gods Geest wekt Jezus zijn twee getuigen op. Hij stelt hen in staat zich geheel te ontdoen van iedere geestelijke overheersing en als vrije mensen rond te gaan. Op zijn woord staan zij op, werpen elke ‘keten’ van zich af. Verbonden met hun Heer openbaren zij de kracht van licht en leven in het machtscentrum van duisternis en dood. Het dodenrijk komt opnieuw in opschudding. Net als Jezus blijken de twee getuigen ongenaakbaar voor hun vijanden. Ook zij gaan rond in het dodenrijk en prediken het evangelie aan de geesten in de gevangenis, naar het voorbeeld van hun Heer (1 Petr.3:19). Voor mensen die de Levensvorst destijds hebben ontmoet, is dit een bevestiging van wat zij al van Hem hoorden. Er komt een einde aan de gevangenschap. De grote, algemene opstanding van de doden komt dichterbij. De ‘vertroosting’ onder hen neemt toe. Voor allen die ná de opstanding van Jezus in het dodenrijk terechtkwamen, klinkt nu ook helder en duidelijk: het leven is sterker dan de dood, het licht overwint de duisternis. Ook zij worden vertroost. Iedereen vat moed. Nog een korte tijd. Dan zal Jezus Christus met zijn gemeente het hele dodenrijk ontmantelen en ontbinden. En allen die verlangen naar licht en leven tegemoet treden.

Na het voltooien van hun prediking in het dodenrijk breekt voor de twee getuigen een groots moment aan. Jezus roept hen op en stelt hen in staat om de ‘poorten van het dodenrijk’ van binnenuit open te breken. Om nu ook in de zichtbare wereld op te staan uit de dood. Dood capituleert opnieuw, nu voor zonen van God die in de voetsporen treden van de Zoon van God. Mensen naar Gods beeld en gelijkenis, vervuld van Gods Geest. Hij kan ze niet vasthouden, hij moet ze laten gaan. Dood en dodenrijk moeten erkennen dat de gemeente door het werk van Jezus Christus in macht en kracht boven hen uitstijgt. Het pleit wordt beslecht, de overwinning op dood en dodenrijk is een feit. De hemel juicht. De twee getuigen eisen dat Dood zijn inbreuk op het leven van de gemeente ongedaan maakt. Dat er een einde komt aan de vernedering, de ‘gebrokenheid’. Zij vorderen de onsterfelijkheid en onvergankelijkheid van de gemeente. De volkomen eenheid van geest, ziel en lichaam wordt hersteld. De laatste hindernis op weg naar de verheerlijking wordt hiermee genomen. Alles is nu gereed om de grote dag van Christus in te gaan.

De gebeurtenissen in de geestelijke wereld worden zichtbaar op aarde. Voor de ogen van de antichrist en de zijnen komen de twee getuigen opnieuw tot leven. Zij gaan op hun voeten staan. Na drie-en-een-halve dag vaart een levensgeest uit God in hen en komen ze overeind. De twee getuigen komen als overwinnaars uit het dodenrijk. Naar het voorbeeld van Jezus herenigt hun geestelijk lichaam zich met hun gestorven natuurlijke lichaam. Door Gods kracht wekken zij hun ‘aardse tent’ opnieuw tot leven. Waarna zij ‘overkleed’ worden: God bekleedt hen met zijn heerlijkheid. Het sterfelijke wordt door het leven verslonden (2 Cor.5:4).

Opwekken gebeurt steeds door een kracht van buiten het dode lichaam. Het betekent altijd een terugbrengen tot de zienlijke wereld. Na zijn opwekking moet de mens echter zelf opstaan. Zo moest de opgewekte Lazarus opstaan en zelf uit zijn graf komen. Jezus werd door de Vader opgewekt, maar Hij stond zelf op. In Mattheüs 27:52 lezen wij: ’De graven gingen open en veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven (stonden op) na zijn opstanding’. Nadat God hen opgewekt heeft, gaan deze zonen van God op hun voeten staan. Dan valt een enorme angst op allen die dit zien gebeuren. Wat men niet verwacht had, is gebeurd en alle theorieën vallen als een kaartenhuis ineen. God bevestigt het getuigenis van zijn zonen door een machtig massaal opstandingswonder.