- ‘En de draak bleef staan op het zand van de zee en ik zag uit de zee een beest opkomen…’,
Zo luidt de nieuwe vertaling aan het einde van Openbaring 12 en aan het begin van Openbaring 13. In visionaire toestand zag Johannes een close-up van wat hem eerder bij de vijfde bazuin getoond was. Hij hoorde zee en branding – de grens van de zichtbare en onzichtbare wereld – groot geluid geven. De Geest toonde hem een toekomend wereldbeeld, waarin de mensen zullen sidderen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen. Want de machten van de onzienlijke wereld zullen wankelen (Lucas 21:25,26). In bovengenoemde tijd heeft de voorspelde afval van het christendom haar dieptepunt bereikt. Het Bijbelse fundament waarvan Hebreeën 6:1-4 spreekt, is dan in het gedegenereerde kerkdom geheel verdwenen. De massa’s dwalingen zijn het zand, waarop zij in de laatste dagen rust. In haar is dan nog een verbasterde wereldkerk, waar men wel verlicht was geweest, van de hemelse gave genoten had en deel had gekregen aan Gods Geest en het goede woord van God, maar waar men ook tot afval kwam. Daarom staan er ook veel antichristenen op, die zich losmaken van de oprechte, opnieuw geboren christenen en de persoon van de antichrist voortbrengen (1 Joh.2:18,19). Dit komt dan overeen met de massale afval van de Sethieten in de voortijd.
Een occulte wereld – Mensen verwoesten

Door middel van seances, mediums en paranormale ambtsdragers met hun kerkleden zal men afdalen in het dodenrijk om ‘de diepten van satan’ te onderzoeken, zoals dit eenmaal in de gemeente te Thyatira op kleine schaal gebeurde (Op.2:24). Zo roept men zelfs op het laatste moment Abáddon met zijn legermacht op. Hij is het beest dat in de voortijd was en in zijn openbaring er nog niet is, omdat het nog in de afgrond is (Op.17:8). Waarschuwend schreef Johannes: ‘Als iemand in de gevangenis (het dodenrijk) voert, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden’ (Op.13:10). Zoals het zwaard van Gods Geest het woord van God is, vertegenwoordigt het zwaard van de vijand de leugen van het spiritisme, waardoor medium en begeleider in het dodenrijk worden gevoerd. Daar sterven zij een geestelijke dood, die hen onbereikbaar zal maken voor het evangelie van Jezus Christus.
Hoe moeten wij ons voorstellen dat Jezus Christus de sleutels heeft van dood en dodenrijk, maar dat ook de draak nog de beschikking heeft over sleutels om het dodenrijk te ontsluiten? Het antwoord is dat onze Heer de sleutels alleen hanteert om mensenzielen te redden van de dood, terwijl de duivel alleen zijn demonen oproept uit het dodenrijk. Wanneer een gelovige sterft, sluit onze Heer het dodenrijk toe en zal zo’n christen ‘de dood in eeuwigheid niet zien, noch meemaken’ (Joh.8:51,52). Hij is bij zijn leven immers al ‘overgezet naar het rijk van Gods geliefde Zoon’ (Col.1:13, Fil.3:20).
Koning Saul was een bezeten mens. Hij werd rechtstreeks door een demon gebruikt, die zich in het bijzonder tegen David keerde uit wie de Christus geboren zou worden. Saul probeerde David enkele malen met een speer te doden en vervolgens jaagde hij hem na in de woestijnen, spelonken en bergvestingen. Aan het einde van zijn koningschap gebruikte deze vorst een mediamieke vrouw om contact te krijgen met de gestorven profeet Samuël. Zij was echter niet bij machte om de mens Samuël op te roepen, maar wel een sterke verderfengel uit de afgrond, die zich op mysterieuze wijze voordeed als Samuël. Deze geest gaf zich dus uit voor een overledene. Hij deed hetzelfde als Saul, die zich had vermomd en andere kleren had aangedaan! (1 Sam.28:8).
Toen de helderziende vrouw de onheilspellende geestverschijning zag, schrok zij hevig en schreeuwde. Op hetzelfde ogenblik herkende zij ook de man, die haar de opdracht had gegeven en ook de demon die hem bezet hield. Saul had deze vrouw naar het dodenrijk of de gevangenis gevoerd en de macht deelde hem mee, dat hijzelf de volgende dag ook het dodenrijk zou binnengaan. De sterke verderfengel voor wie Saul neerknielde, doodde ook zijn drie zonen en veel volk (2 Sam.1:4). Johannes ziet hoe na duizenden jaren het strand van de zee het rendez-vous is van de draak en Abáddon. De duivel had immers de sleutel van de afgrond aan een van zijn engelen gegeven. Nu wacht hij het ogenblik af, dat Abáddon aan het hoofd van zijn legioenen de afgrond verlaat en opkomt uit de zee.
Dé antichrist

Van dé antichrist (een grote gevallen zoon van God, de ster Alsem, bitter), wordt opgemerkt dat hij als een ster uit de hemel op de aarde was gevallen (Op.8:10). In Openbaring 20:1 is echter sprake van een heilige engel die uit de hemel ‘neerdaalde’ om na de slag bij Armageddon op het bevel van Jezus Christus de afgrond te openen en de draak erin te werpen. Bij de ontmoeting op het strand van de zee stellen de draak en zijn engelen zich beschikbaar aan Apollyon en zijn demonen, die ogenblikkelijk hun oude, zondige activiteiten gaan hervatten. Hun bevrijde koning ontvangt dan van de satan ‘zijn kracht en zijn troon en grote macht’. Wijsheid is er niet bij, want die kan de oude slang hem niet schenken. Hij was bij zijn val ‘teniet gegaan’ (Ez.28:17). Zo toegerust neemt het beest uit de afgrond zijn intrek bij de antichrist, het beest uit de aarde (Op.13:11). Beest en valse profeet zijn dan één geworden (Op.19:20). De antichrist wordt dan de nieuwe ‘overste van de wereld’ en ‘de overste van de macht van de lucht’, waarbij de lucht beeld is van de geestelijke wereld, die bij de mens hoort. De bezeten mens van de zonde stelt zich dan op tegen Jezus Christus met wie de Vader de troon deelt en aan wie alle macht is gegeven in hemel en op aarde. Met dit gebeuren breekt de eindfase aan van de strijd in de hemelse gewesten, waarvan Paulus in Ef.6:12 spreekt. Armageddon, waar de legers elkaar treffen, is dan niet ver meer.
Noach, de boodschapper van de gerechtigheid
Noach, de boodschapper van de gerechtigheid, was de achterkleinzoon van Henoch. Beiden staan te boek als grote profeten en evangelisten uit de voortijd. Onder hun tijdgenoten waren ze rechtvaardig en onberispelijk, want zij wandelden met God. Zo’n godvruchtig leven komt overeen met het geloof, dat God liefheeft. Henoch profeteerde in het bijzonder tot zijn afvallige Sethitische stamgenoten, die in Judas 12 getypeerd worden als ‘wolken die geen water geven, omdat zij door de winden (demonen) voorbij gejaagd worden. Bomen die in de late herfst geen vrucht geven’. Henoch komt overeen met de profeet Elia, die onder de regering van de goddeloze afvallige Achab en diens vrouw Izébel, het afgeweken volk tot bekering opriep. Beiden werden door God ‘weggenomen’. Zij horen nu bij de gezalfde getuigen, ‘die voor de Heer van de hele aarde staan’. Zij symboliseren een menigte gelovigen in de eindtijd, van wie geschreven is: ‘Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik’ (1 Cor.15:51).
Waarom vergeleek Jezus de eindtijd met de prehistorische periode? Omdat in beide tijdperken de wereldbevolking zich onder een enorme druk bevond en zich zal bevinden, die rechtstreeks door de verdervende geesten werd en zal worden veroorzaakt. Jezus sprak over ‘een verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal’ (Matth.24:21). ‘Het begin van de wereld’ ziet hier op het menselijke ras, dat ontstond ‘toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen’.
De geschiedenis herhaalt zich

Voor de tweede maal in de geschiedenis komt er in de laatste dagen zo’n massale invasie van demonen, die de mensheid zullen terroriseren en vernietigen. In de eindtijd openbaren zich echter de geweldgeesten sterker en heftiger, is de anarchie in de kerk, staat en maatschappij groter, terwijl het terrorisme en vandalisme gigantische afmetingen zullen aannemen. De aarde wordt dan beheerst door ‘de mens van de wetteloosheid’, ‘de zoon van het verderf’, door de allerslechtste regeerder die ooit leefde en die een aartsvijand is van Jezus Christus en Zijn gezalfde gemeente. De antichrist is een geestelijk leider, die paranormale krachten bezit: ‘Zijn komst is naar de werking van de satan met allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ (2 Thess.2:9). Hij zal een verdrukking op aarde veroorzaken zoals nooit geweest is, zoals de mensen nooit gewend waren of gekend hadden, want de ellende wordt dan rechtstreeks veroorzaakt door de zwarte magie van deze opperpriester in de kerk van de satan. De losgebroken geestenwereld wordt door hem geleid.
Noach de voorbidder
Te midden van al het geweld in de voortijd zien wij Noach als laatste boodschapper door God gezonden in die dagen. In Ezechiël 14:14 wordt hij met Job en Daniël tot de allergrootste voorbidders uit de voorchristelijke tijd gerekend. Toen Noach 600 jaar oud was, ging hij de ark binnen en kwam de zondvloed over de aarde. Ongetwijfeld heeft hij veel eeuwen onder de wereldbevolking van zijn tijd van God getuigd en haar opgeroepen tot bekering. Wel luisterde men naar deze extreme man van God, maar men kwam niet tot een geloofsdaad. Men ging door met eten en drinken, trouwen en elkaar aflachten, terwijl men het grote, zedelijk verval en geweld als een maatschappelijk verschijnsel aanvaardde. Net als vandaag, waar inmiddels alle geraffineerde rampen worden goedgepraat.
De put van de afgrond geopend
De mogelijkheid dat in de atmosfeer en in de wolken een hoeveelheid water was opgeslagen, die gelijk was aan de totale hoeveelheid water op de aardbodem, was voor de oermens even onbegrijpelijk als de voorstelling bij de moderne mens, dat in de toekomst in de geestelijke wereld de zon en de lucht geheel verduisterd zullen worden door een massale vloed van demonen uit de afgrond. Zij, die het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen niet kennen, spreken veel over een naderend onheil in de zichtbare wereld: natuurrampen, oorlogen, watersnoden, besmettelijke ziekten, zedelijk verval. Zij komen overeen met de verontrustte Lot, die zwaar te lijden had van de losbandige levenswandel van zijn stadgenoten en wel dag aan dag zijn rechtvaardige ziel kwelde, maar onmachtig was om de onzichtbare vijanden niet alleen bij de bestuurders in de poort maar ook in eigen familiekring te weerstaan en te overwinnen. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het uitzicht op de hemel, waarin de heerlijkheid van God geopenbaard wordt, belemmerd zal worden door een wereldomvattende plaag van geestelijke sprinkhanen, die ieder leven op aarde bemoeilijken en verstikken:
- ‘En de vijfde engel blies op de bazuin en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen. En hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. En hij opende de put van de afgrond en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven. En de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put. En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben’ (Op.9:1-3).
Noach, verworpen door mensen
Is het vreemd dat Noach pas op vijfhonderdjarige leeftijd een vrouw vond, die bij hem paste (Gen.5:32)? Ook zijn zonen trouwden zeer laat, want alle drie waren nog kinderloos toen zij in de ark gingen. Zij ‘namen ten huwelijk’ op de door God aangewezen manier en tijd. Hoeveel maal zal Noach tijdens zijn ‘evangelisatiecampagnes’ niet hebben gebeden: ‘Heer mijn God, schenk mij zielen op mijn boodschap, geef mij loon op mijn werk’? Maar niemand kwam op zijn massameetings naar voren om zijn zonden te laten en de toegestoken hand van God te aanvaarden. Net als vandaag, waar men zich vasthoudt aan 18 eeuwen oude leugens, geleid door fanatieke antichristenen (meervoud).

Wat een geloof heeft deze Godsman gehad om eeuw in eeuw uit zijn opdracht uit te voeren met zulk negatief resultaat. Toch was hij geen boeteprofeet, die met zijn banvloeken de menigte deed sidderen. In dit verband denken we aan Girolama Savonarola, de visionaire monnik uit de middeleeuwen, die in Florence zijn toespraken over de ark van Noach hield en die niemand en niets spaarde. Zijn stem rolde als een donder over de menigte en de toehoorders werden bevangen van ontroering en angst, maar hun veranderingen waren slechts van korte duur. De Hebreeënschrijver zegt slechts dat Noach door het gelóóf eerbiedig of in vrees de ark toebereidde en dat hij door deze positieve geloofsdaad de wereld heeft veroordeeld. Zijn voorbede en toespraken waren gericht op redding en behoud.
Een volheid van de heidenen wordt gered
Wanneer het drama van de voortijd gebeurt, worden 18 miljard mensen binnen enkele weken door een onafwendbare verdrinkingsdood bedreigd. De Bijbel zwijgt over al die mannen, vrouwen en kinderen die in deze ramp omkwamen. Wij zien niemand in doodsstrijd en horen geen wanhoopskreten van vaders en moeders, die met hun kinderen naar hoger gelegen gedeelten vluchten. Ook vinden wij geen woord van erbarming en medelijden met de onschuldige slachtoffers, zoals bijvoorbeeld bij het slot van het boek Jona, wanneer Ninevé gespaard wordt ook vanwege hen, die het onderscheid niet kenden tussen hun rechter- en linkerhand, afgezien nog van het vele vee. Wij schreven al over een deel van de mensheid, dat de naam van God lasterde, net als de verharde zondaars vandaag en in de eindtijd in hun grote nood dit zullen doen (Op.16:8-11).
Maar er zullen ook velen geweest zijn, die de God van Noach in hun laatste ogenblikken om genade smeekten. Toen de meedogenloze vloed zich om hen sloot, zullen zij nog aan de boodschap van Noach gedacht hebben. Zij bekeerden zich op de wijze zoals de profeet hun dit duidelijk had gemaakt. De vergelijking gaat enigszins mank, maar we zouden hier kunnen spreken van sterfbedbekeringen, waarbij de mens aan het einde van zijn leven een verandering ten goede meemaakt. Dan kunnen de demonen, die niet mee naar het dodenrijk willen, van hen wijken en spreekt men wel van stervensgenade. Het gelaat ontspant zich en er komt een vredige trek op. Voor velen in de voortijd gold de uitspraak van Paulus: ‘Want God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over hen allen te ontfermen’ (Rom.11:32).
Net als later over het ongehoorzame volk Israël, dat de profeten doodde, was ook over hen de toorn van God – dat zijn de machten van de duisternis – gekomen tot het einde (1 Thess.2:16). Allen werden toen aan de satan overgeleverd tot verderf van het vlees, zodat hun geest zou worden behouden in de dag van de Heer (1 Cor.5:5). Wij zien dat uit de voortijd een volheid van de heidenen is binnengegaan als een voorvervulling van wat ook in de eindtijd zal gebeuren, want velen zijn nog voor eeuwig gered door Christus Jezus, de betere Noach van het nieuwe verbond (Rom.11:25). Men leefde eerder, wat het inzicht in het Koninkrijk van de hemelen betrof, nog in de tijden van de onwetendheid, die God voorbij heeft gezien (Hand.17:30). Noach kon geen demonen uitdrijven of een mens in de vrijheid stellen. Hij kon ook niet als Job ‘het gedrocht ophalen met een haak’ (Job 40:20, Leidse vert.). Hij kende immers het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen niet, want dit werd pas door Jezus Christus geopenbaard (Matth.13:35).
Jezus heeft het evangelie aan de geesten in de gevangenis (dodenrijk) gebracht
In 1 Petrus 3:18-20 wordt ons iets verteld van wat Jezus tijdens zijn driedaagse verblijf in het dodenrijk had gedaan. Petrus kon dit weten, omdat onze Heer na zijn opstanding 40 dagen lang met zijn apostelen had gesproken over alle aangelegenheden van het Koninkrijk van God (Hand.1:3). Waar Johannes later de diepzinnige gedachten van dit onderwijs weergaf, was Petrus meer de persoon om de gebeurtenissen te reveleren. Hij schreef hierover:
- ‘Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te vertellen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, van de watervloed gered.’
Om het grote belang van deze uitspraak te zien, moet men op het verband letten waarin ze staat. Petrus houdt hier zijn lezers voor, dat zij in navolging van Christus altijd het goede moeten doen, ook al zou dit met lijden gepaard gaan. Want ook Christus heeft geleden en is zelfs gestorven voor de zonde van de hele wereld, ‘als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, zodat Hij u tot God zou brengen’. Met deze intentie is Hij zelfs in de kerker het evangelie gaan brengen. Hij deed dit als overwinnaar. Bij zijn sterven had Jezus immers zijn menselijke geest toevertrouwd aan de handen van zijn Vader. Deze handen zijn beeld van Gods Geest. De uitdrukking: die door zijn hand zich laten leiden, betekent immers dat men zich door Gods Geest laat leiden.
Toen Jezus het dodenrijk binnenging, woonde de hele volheid van God, die Hem tijdens zijn lijden had verlaten, opnieuw in Hem. Is het een wonder dat Hij de sleutels van dood en dodenrijk in zijn bezit nam? Hij kon de poorten van het dodenrijk voor de rechtvaardigen openen en voor hen die in Christus ontslapen, toesluiten. In 1 Petrus 4:5,6 wijst de apostel er nogmaals op, dat Jezus in het dodenrijk gesproken heeft:
- ‘Hij staat klaar om levenden en doden te oordelen. Want hiertoe is óók aan doden het evangelie gebracht, zodat zij wél, naar de mens, wat het vlees aangaat, geoordeeld zouden worden, maar naar God, wat de geest betreft, zouden leven’.
Men denkt nog zo vaak dat voor de tijd van Christus op aarde, slechts het kleine aantal mensen, dat in het schemerlicht van het oude verbond leefde, behouden werd. Wat zich buiten Israël en zijn eredienst bevond, zou voor het merendeel voor eeuwig verloren zijn. Petrus had echter van Jezus iets anders vernomen. Ook in het dodenrijk was er een oordeel geweest, dus een scheiding van goeden en kwaden. In de gevangenis heeft Jezus aan hen, die vroeger ongehoorzaam gewéést waren, het eeuwige en blijvende evangelie, dat van het Koninkrijk van de hemelen, verteld. Deze betere Noach hield in het dodenrijk ‘massameetings’, zodat zij die naar het vlees waren veroordeeld, met hun geestelijk lichaam of naar de innerlijke mens, zouden leven.
Veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt
Ook de ontslapen rechtvaardigen uit het oude verbond hoorden in het dodenrijk de goede boodschap. Veel heiligen kwamen daar in aanraking met de Doper met Gods Geest waar ze tijdens hun leven op aarde naar hadden uitgezien. Toen werden ook zij opgewekt uit de doden en werden de poorten van het dodenrijk voor hen geopend. In Mattheüs 27:52,53 staat dat ‘veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt’. Zoals hun stoffelijke lichamen in de graven waren gelegd, zo verbleven zij met hun inwendige mens in het dodenrijk en vingen zij met hun geestelijke oren de blijde boodschap op. Zij vergezelden Jezus bij zijn hemelvaart naar de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. De driedaagse zegetocht van onze Heer Jezus in het dodenrijk was ook een voorvervulling van zijn profetische woorden in Johannes 5:28,29 over de uiteindelijke opstanding:
- ‘Verwonder u hierover niet, want het uur komt, dat allen, die in de graven (beeld van het dodenrijk) zijn, naar zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel’.
Omdat zij de stem van Jezus hoorden en zijn woorden geloofden, rusten deze drenkelingen nu in de hoop op het eeuwige leven. Na het laatste oordeel zullen zij op de nieuwe aarde wonen en vormt deze volheid van de heidenen mede ‘de eer van de volken’ die de poorten van het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan’ (Op.21:26). Met een variant op Jacobus 5:11 zouden wij kunnen schrijven:
- ‘U hebt van de wereldomvattende catastrofe van de voortijd gehoord, maar uit het einde, dat de Heer deed volgen, gezien, dat de Heer rijk is aan barmhartigheid en ontferming’. ’Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen!’ (Rom.11:33)
************
Gerelateerd:

De boeken geopend – Het Levensboek >>>>>

