Zoals in de dagen van Noach

  • ‘Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt’ (Mattheüs 24:37).

In zijn grote eindtijdrede legde Jezus verband tussen de laatste dagen waarin wij leven en de prehistorische tijd, met de woorden: ‘Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal het zijn wanneer de Mensenzoon komt.’ Het is daarom van belang parallellen te trekken en verschillen te ontdekken tussen beide perioden in de geschiedenis van de mensheid. Hierbij zijn voor ons de gebeurtenissen in de onzienlijke wereld primair.

De voortijd

Volgens het bekende boek van Rehwinkel: ‘De Zondvloed’, waren er in de tijd van Noach al miljarden mensen op aarde. Allen waren nakomelingen van de super begaafde Adam en diens intelligente vrouw Eva. Zo was de eerste mens in staat om ‘alle levende dieren’ een naam te geven. Wat een schat van woorden en wat een taalrijkdom moet Adam wel bezeten hebben. God zelf was toeschouwer van dit fenomenale gebeuren. Ook weten wij dat Eva openstond om haar kennis naar alle kanten uit te breiden. Hun zoon Kaïn was een stedenbouwer en beslist geen holbewoner, want in steden is het culturele leven gecentraliseerd. De begaafde zonen van Lamech (Gen.4) waren: Jabal, de zwerver, de uitvinder van het textiel. Jubal was ongetwijfeld een muzikale virtuoos: ‘Hij werd de vader van allen, die spelen op citer en fluit’. Tubal Kaïn was zijn tijd eeuwen vooruit, want hij leefde niet in het stenen, maar in het bronzen en zelfs ijzeren tijdperk. Zijn naam betekent metaalsmid en hij was de eerste wapenfabrikant. Noach was een scheepsbouwer van formaat. Hij vervaardigde een ark waarvan de inhoud ongeveer 97.000 M3 bedroeg. Alleen ónze eeuw kent grotere schepen.

Uit alles blijkt dat de prehistorische mens tot een hoge, geciviliseerde maatschappij behoorde. Hoewel van taalverschillen en rassenproblemen nog geen sprake was, noemt de Bijbel wel twee ongelijke mensengroeperingen, namelijk de Kaïnitische en de Sethitische lijn. De nakomelingen van Kaïn waren goddeloos. In hen huisde een geweldgeest uit het voorgeslacht. Deze belager had oorspronkelijk aan het levenshuis van Kaïn gestaan (Gen.4:7). Door zijn begeerte gedreven was deze demon binnengedrongen en Kaïn werd een moordenaar (Jac.1:14,15). Lamech, de zevende van Adam in de geslachtslijn van Kaïn, een polygamist, bezat dezelfde geest. Dreigend sprak hij tot zijn vrouwen: ‘Een man dood ik als hij mij wondt en een jongeling als hij mij slaat’. Het huwelijk van deze geweldenaar met Ada en Zilla berustte niet op liefde maar op intimidatie. Ook van hem profeteerde Henoch, ook de zevende van Adam, dat de Heer zou komen met zijn heilige tienduizenden om allen te berechten en hen te straffen voor al hun goddeloze werken die zij bedreven hadden en ook voor de harde taal, die ze tegen Hem hadden gesproken (Judas 14,15). De Heer zou ze overgeven aan de geweldgeesten die ze hadden gehoorzaamd.

Allen ‘enkel vlees’

Lange tijd vertegenwoordigden de Sethieten het godvrezende deel van de wereldbevolking. In de tijd van Enos, de zoon van Seth, begon men de naam van de Heer aan te roepen. Voor hen die dit deden, gold: ‘Wie de naam van de Heer aanroept, zie dan af van boosheid’. De hieraan verbonden belofte gold ook toen: ‘Wie de naam van de Heer aanroept, zal behouden worden’. In de Septuaginta staat dat Enos geloof bezat om de naam van de Heer aan te roepen. Hadden zijn nakomelingen hierin volhard, dan zou deze naam hen onaantastbaar hebben gemaakt voor de boze geestenwereld (Ps.20:2). Maar onder hen begon het verbasteringsproces zoals in de eindtijd dit ook bij het naamchristendom zal plaatsvinden. Zij kregen de toenmalige wereld lief en de liefde van de Vader was niet meer in hen. Ook trokken zij het aanstaande gericht dat God nooit gewild had, naar zich toe. De woorden van Jezus: ‘Zij waren etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag waarop Noach in de ark ging’, typeren de onverschilligheid van deze natuurlijke mensen, die enkel ‘vlees’ waren en niets opmerkten van de tekens van de tijd en de stem van de profetie verachtten. Ook van de afvallige Sethieten kon worden gezegd wat de apostel schreef in verband met de laatste dagen, dat zij ‘met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochenden’. Zij braken niet met de ongerechtigheid, ‘want de god van hun eeuw had hun zinnen verblind’.

Demonische invasie

Het mysterieuze gedeelte van Genesis 6:1-4 geeft een korte samenvatting van de oorzaak, waardoor de mensen zich voor de zondvloed ‘misgingen’: ‘De zonen van God zagen dat de dochters van de mensen schoon waren en zij namen zich daaruit vrouwen, wie ze maar verkoren’. De uitdrukking ‘zonen van God’ wordt in het Oude Testament alleen voor engelen gebruikt (Job 1:6; 2:1; 38:7; Dan.3:25,28). De Alexandrijnse tekst heeft hier trouwens ook ‘engelen’ staan. De term ‘zonen van God’ wijst erop, dat de engelen door de Schepper zelf rechtstreeks zijn voortgebracht (Ez.28:13c). Adam werd om deze reden ook ‘de zoon van God’ genoemd, net zoals Jezus (Luc.3:38). Ook de opnieuw geboren mensheid, de nieuwe schepping, is ‘uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God opnieuw geboren’ (1 Petr.1:23). Ook zij draagt de naam ‘zonen van God’ (Rom.8:19; Gal.4:6). ‘De dochters van de mensen’ waren zij, die vanuit Gods oog gezien, zijn partner zouden vormen. God zag de mensheid als een huwbare dochter, met wie Hij zich in de geest wilde verbinden. Zo sprak Hij later over Israël als ‘de dochter van Sion’ of over ‘de dochter van mijn volk’. In Genesis 6 wordt dus verhaald hoe ongehoorzame engelen hun zonde tegen God vermeerderden vanwege hun ontrouw aan hun levensprincipe. In de onzienlijke wereld ‘verlieten zij hun eigen woning’ (Judas 6). Zij begeerden de mens die mooi, goed en intelligent was.

Wederrechtelijk en in grove willekeur zochten zij gemeenschap met de geesten van de mensen. Wie zich aan God hecht, is één geest met Hem, maar wie zich hecht aan het lichaam van een demon, is één met zo’n verdorven geest (verg. 1 Cor.6:17). Deze kwade, inwonende engelen gebruikten voortaan het menselijk lichaam om hun specifieke boosheid in de wereld te brengen. Er staat daarom niet van de mens, dat het voortbrengsel van zijn lichaam, zijn kinderen, boos was, maar dat van zijn hart, dus van de innerlijke mens. De dochters van de mensen baarden ook geen ‘kinderen’ zoals er ingevoegd staat, maar de krachtigste geesten brachten de geweldigen uit de prehistorie voort. Op deze wijze raakte ‘de aarde verdorven’ en ‘vol geweldenarij’ en vol goddeloosheid (Gen.6:11). God kon met de mens geen gemeenschap meer hebben, want deze was enkel ‘vlees’. De tijdgenoten van Noach vormden een ‘bezeten’ maatschappij, een waanzinnige wereld. Wel moet opgemerkt worden, dat deze invasie van demonen door de mensen niet was gezocht, zoals later door de torenbouwers wel werd gedaan, maar de ‘belagers aan de deur’ waren met geweld binnengedrongen. Deze invasie begon ‘toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen’, dus bij Adam en Eva. Hun zoon Kaïn was het eerste slachtoffer in wie een boze geest binnendrong.

De gevallen engelen

  • ‘In die dagen, toen de zonen van God tot de dochters van de mensen waren gekomen, waren er reuzen op de aarde, ook nog daarna’ luidt de Canisiusvertaling.

Dit ‘daarna’ ziet bijvoorbeeld op ‘de zonen van Enak’ uit Numeri 13:33 voor wie hetzelfde woord ‘nephilim’ wordt gebruikt. Volgens ‘Unger’s Bible Dictionary’ betekent ‘nephilim’ letterlijk ‘de gevallenen’ (naphal is vallen). De gevallen engelen hadden niet alleen hun eigen verdorven eigenschappen in de mens gelegd, maar zij oefenden ook invloed uit op zijn lichaamsbouw. Ook daarin kwam hun geweld tot uitdrukking. In hun wetteloosheid ontregelden zij de chromosomen met de genen, die verantwoordelijk zijn voor de erfelijke overdracht. God schept geen misvormingen en afwijkingen zoals dwergen en reuzen, die de harmonie in zijn schepping verstoren. De reuzen waren ‘de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam’ zegt de nieuwe vertaling: ‘krachtmensen uit de oude tijd, beruchte mannen’ heeft de Canisiusvertaling. Zij waren de tirannen, de terroristen, de vandalen, die niemand en niets ontzagen. Zij deden de schepping zuchten en er waren geen ‘zonen van God’ zoals in de eindtijd, om haar te herstellen.

Merkwaardig is dat ook gezegd wordt, dat de áárde verdorven was. Zo heeft men de fossielen van reuzenbomen aangetroffen. Wij denken ook aan de groteske, draakachtige wezens, wier aanblik de mens deden verstijven van schrik. Men heeft monsters uit de dierenwereld gevonden, die geschat werden op 42 meter. Er waren dinosaurussen waarbij onze grootste olifant onbetekenend zou lijken. De brontosaurus, een hagedis, moet 15 tot 20 meter lengte en 3 tot 4 meter hoogte gemeten hebben. Deze door demonen misvormde en bezette dieren misten het door God ingelegde instinct voor de grote trek naar de reddingsark. Zij waren willoze instrumenten van de verdervende demonen met wie ze tijdens de zondvloed omkwamen. Zo overkwam het eeuwen later een kudde zwijnen, waarin een legioen duivelen, die door Jezus bij een bezetene waren uitgeworpen, hun intrek hadden genomen. In blinde razernij stormden de dieren de helling af en verdronken in de zee, terwijl de inwonende boze geesten mee naar de afgrond werden gevoerd.

De verdervers

  • ‘God zag hoe de aarde door de mensen verknoeid was. Overal heersten onrecht en geweld. Iedereen deed wat in strijd was met zijn wil’ (Gen.6:11 GNB 95).

De ontregeling werd veroorzaakt door een categorie verderfengelen, die de goddeloosheid en het brute geweld tot ongekende hoogte opvoerden. Hun aanvoerder komen wij later tegen in Openbaring 9:11. Zijn naam is daar in het Hebreeuws, de taal van het Oude testament, Abaddon. Petrus schreef: ‘Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen. Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten’ (2 Petr.2:4,5). De apostel schrijft hier dus over een bijzonder soort slechte engelen, die zelfs voor gevallen engelen op abnormale wijze hun boosheid botvierden, door niet alleen mensen te verleiden en onder pressie te zetten, maar op onnatuurlijke wijze massaal gemeenschap met hen zochten, een zonde die in de zichtbare wereld te vergelijken was met die van de inwoners van Sodom en Gomorra (Judas 6,7).

Deze aanranders, misvormers en vernielers zijn nu nog steeds in de ‘Tartarus’, zoals er letterlijk staat voor ‘krochten van de duisternis’. De Tartarus was in de Griekse mythologie een diepe en duistere afgrond, waar de verdoemden, die direct tegen de goden hadden gezondigd, hun straf ondergingen. In Judas 6 wordt nog meegedeeld, dat deze engelen ‘voor het oordeel’ van de grote dag van de Heer met eeuwige banden onder donkerheid worden bewaard. Zij keren dus in de eindtijd weer terug naar de aarde. Tijdens de zondvloed stierven vele miljarden goddeloze mensen, die met bovenvermelde verdervende geesten waren verbonden. Hun inwendige mens werd toen naar de diepte van het dodenrijk getrokken en zij boeten daar nog steeds ‘met een eeuwig verderf’, dat betekent in gemeenschap met hun verdervende engelen, ‘ver van het aangezicht van de Heer’ (2 Thess.1:9).

Natuurlijk is het niet de bedoeling van de inwonende demonen om met de mens naar de afgrond te gaan, want ze worden daar ‘geketend’ en in deze ‘gevangenis’ kunnen zij geen enkele activiteit meer ontplooien. Zij willen hun prooi vóór diens sterven verlaten om een andere woning te zoeken. Als de mens echter de duisternis liever heeft dan het licht, wordt de boze geest gedwongen de inwendige mens van de stervende naar het dodenrijk te vergezellen. Vergelijk hiermee de arme Lazarus, die door engelen gedragen werd in de schoot van Abraham (Luc.16:22). Toen de brute aardbewoners die enkel ‘vlees’ waren, tijdens de zondvloed bij de poorten van het dodenrijk stonden, bekeerden zij zich niet, maar werd het Schriftwoord aan hen vervuld: ‘Men zal in woede uitbarsten en zijn koning en zijn God (hier die van Noach) vervloeken’ (Jes.8:21). Op deze wijze gingen de geweldenaars en ‘mannen van naam’ de eeuwigheid in. Wachtend op het laatste oordeel, wanneer de boeken worden geopend (Op.20:11,12).

Het zwarte gat

Het Nieuwe Testament laat ons niet in het ongewisse over de soort geesten door wie de prehistorische mens werd overweldigd. De engelen ‘die tot het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard worden’, komen in de eindtijd bij de vijfde bazuin uit de put van de afgrond ‘naar boven’ (Openb.9:1,2). Een Engelse Bijbel spreekt over de schacht van de bodemloze put. De ‘ter dood veroordeelde geesten’ uit de voortijd worden uit de Tartarus gehaald om opnieuw hun verwoestend werk op aarde te gaan verrichten. De schacht van de afgrond duidt men tegenwoordig populair aan met ‘het zwarte gat’. Het wordt geopend door een engel, die over de sleutel van de liftkoker beschikt. Zoals gevorderden kinderen van God door middel van de Heilige Geest de sleutels van het Koninkrijk der hemelen ontvangen om binnen te gaan in de schatkamer van het rijk van God, zo inspireert deze leugengeest de leer aangaande het contact leggen met ‘geesten van de doden’ (Jes.8:19). Daarom is het spiritisme ‘een zonde tot de dood’, want het verschaft macht om op bovennatuurlijke wijze verbinding te leggen met geesten die bij overledenen hoorden (1 Joh.5:16).

De experimenten in onze tijd met het occultisme bereiden mede de weg van de antichrist, die de opperpriester is van een spiritistische gemeenschap. De antichrist is niet het hoofd van een atheïstisch wereldcommunisme, maar hij is intens religieus. Hij gelooft in een leer, die met de krachten uit het dodenrijk werkt. Hij zoekt de verdervende demonen op, ‘die bozer zijn dan hijzelf’, in tegenstelling met de ware christen, die gemeenschap zoekt met de Heilige Geest, die van ‘boven’ is. In de eindtijd openbaren zich ‘de zonen van God’, die de volheid van de Heilige Geest bezitten en werkzaam zijn met ‘de krachten van de toekomende eeuw’ en ‘de zonen van het verderf’, die tot de spiritistische kerk van de antichrist ‘de zoon van het verderft’ behoren. In 2 Thessalonicenzen 2:3 wordt de antichrist de zoon van Apollyon (Abáddon) genoemd. Hij draagt dezelfde naam die Jezus eenmaal aan Judas gaf: ‘de zoon van het verderf’ (Joh.17:12). Van de antichrist kan net als van Judas worden gezegd: ‘Hij is van ons uitgegaan maar hij was niet van ons’ (1 Joh.2:19). Hij openbaart zich als de wetteloze mens, de verderver of vernieler. Wanneer hij ‘uitgaat’, wordt opnieuw vervuld: ‘En het was nacht’ (Joh.13:30). Dan valt er een diepe duisternis over de hele aarde, zoals er van het begin van de schepping, dus in de voortijd, niet geweest is.

In en uit de afgrond

Waar het eeuwig evangelie gepredikt wordt, zullen de demonen in de afgrond worden geworpen, want de Zoon van God sprak immers, dat de zonen van God dezelfde werken zouden doen die Hij had gedaan. Anderzijds zullen de zonen van het verderf de destructieve geesten in de afgrond ontketenen. De engel, die de sleutel van de put van de afgrond bezit, heeft de mens als medium nodig om dit te realiseren. Het bedrog van het spiritisme schuilt hierin, dat men meent met geesten van gestorven mensen contact te krijgen, terwijl men in werkelijkheid geconfronteerd wordt met de boze geesten met wie deze mensen tijdens hun leven verbonden waren of eventueel met andere demonen, die zich voor de overledene uitgeven. Haalt men tegenwoordig tijdens spiritistische seances nog de zwakke en armelijke ‘naar boven’, het ogenblik zal naderen, dat ook de sterke aan diepe duisternis gebonden demonen uit de voortijd, zich ten volle zullen manifesteren. De antichrist zal erin slagen de koning van de verdervende geesten terug te brengen:

  • ‘Zij hadden over zich als koning de engel van de afgrond; zijn naam is in het Hebreeuws Abáddon en in het Grieks Apollyon’, de verdervende of de vernieler’ (Op.9:11).

In het Oude Testament is in de Hebreeuwse taal de naam Abáddon verbonden met het schimmenrijk, met het verderf en de ontbindende krachten van het dodenrijk of onderwereld (Job 26:6; 28:22; Ps.88:12; Spr.15:11). In de voortijd ontregelde Abáddon, de vorst van de destructieve engelen, door zijn geweld het leven van mens, dier en plant. Het is daarom opmerkelijk dat de Heer God na de zondvloed tot Zichzelf sprak, dat Hij de aardbodem niet meer om de mens zou vervloeken, dus prijsgeven aan de ontbindende wetteloze geesten. In de natuurlijke wereld zal de mens dus de heerschappij op de aarde behouden. Hij is echter een ontrouwe beheerder. Wanneer de vloed van verdervende engelen opnieuw over de aarde zal gaan, wordt er alleen schade toegebracht aan de mensen, die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben. Niemand die de naam van de Heer aanroept, zal omkomen, want hij is onaantastbaar (Op.9:4).

Het beest uit de afgrond

‘En de draak bleef staan op het zand van de zee en ik zag uit de zee een beest opkomen…’,luidt de nieuwe vertaling aan het einde van Openbaring 12 en aan het begin van Openbaring 13. In visionaire toestand zag Johannes een close-up van wat hem eerder bij de vijfde bazuin getoond was. Hij hoorde zee en branding – de grens van de zichtbare en onzichtbare wereld – groot geluid geven. De Geest toonde hem een toekomend wereldbeeld, waarin de mensen zullen sidderen van vrees en angst voor de dingen die over de wereld komen. Want de machten van de onzienlijke wereld zullen wankelen (Luc.21:25,26). In bovengenoemde tijd heeft de voorspelde afval van het christendom haar dieptepunt bereikt. Het Bijbelse fundament waarvan Hebreeën 6:1-4 spreekt, is dan in de gedegenereerde kerk geheel verdwenen. De dwalingen en valse leringen zijn het zand, waarop zij in de laatste dagen rust. In haar is dan nog een verbasterde wereldkerk, waar men wel verlicht was geweest, van de hemelse gave genoten had en deel had gekregen aan de Heilige Geest en het goede woord van God, maar waar men ook tot afval kwam. Daarom staan er ook veel antichristen op, die zich losmaken van de oprechte, opnieuw geboren christenen en de persoon van de antichrist voortbrengen (1 Joh.2:18,19). Dit komt dan overeen met de massale afval van de Sethieten in de voortijd.

Door middel van seances, mediums en paranormale ambtsdragers met hun kerkleden zal men afdalen in het dodenrijk om ‘de diepten van satan’ te onderzoeken, zoals dit eenmaal in de gemeente te Thyatira op kleine schaal gebeurde (Op.2:24). Zo roept men zelfs op het laatste moment Abáddon met zijn legermacht op. Hij is het beest dat in de voortijd was, in zijn openbaring er nog niet is, omdat het nog in de afgrond is (Op.17:8). Waarschuwend schreef Johannes: ‘Als iemand in de gevangenis (het dodenrijk) voert, die gaat zelf in de gevangenis; als iemand met het zwaard zal doden, die moet zelf met het zwaard gedood worden’ (Op.13:10). Zoals het zwaard van de Heilige Geest het woord van God is, vertegenwoordigt het zwaard van de vijand de leugen van het spiritisme, waardoor medium en begeleider in het dodenrijk worden gevoerd. Daar sterven zij een geestelijke dood, die hen onbereikbaar zal maken voor het evangelie van Jezus Christus.

Hoe moeten wij ons voorstellen dat Jezus Christus de sleutels heeft van dood en dodenrijk, maar dat ook de draak nog de beschikking heeft over sleutels om het dodenrijk te ontsluiten? Het antwoord is dat onze Heer de sleutels alleen hanteert om mensenzielen te redden van de dood, terwijl de duivel alleen de boze geesten kan doen opkomen. Wanneer een gelovige sterft, sluit onze Heer het dodenrijk toe en zal zo’n christen ‘de dood in eeuwigheid niet zien, noch meemaken’ (Joh.8:51,52). Hij is bij zijn leven immers al ‘overgezet naar het rijk van Gods geliefde Zoon’ (Col.1:13, Fill.3:20).

Koning Saul was een bezeten mens. Hij werd rechtstreeks door een demon gebruikt, die zich in het bijzonder tegen David keerde uit wie de Christus geboren zou worden. Saul probeerde David enkele malen met een speer te doden en vervolgens jaagde hij hem na in de woestijnen, spelonken en bergvestingen. Aan het einde van zijn koningschap gebruikte deze vorst een mediamieke vrouw om contact te krijgen met de gestorven profeet Samuël. Zij was echter niet bij machte om de mens Samuël op te roepen, maar wel een sterke verderfengel uit de afgrond, die zich op mysterieuze wijze voordeed als Samuël. Deze geest gaf zich dus uit voor een overledene. Hij deed hetzelfde als Saul, die zich had vermomd en andere kleren had aangedaan (1 Sam.28:8). Toen de helderziende vrouw de onheilspellende geestverschijning zag, schrok zij hevig ‘en slaakte zij een luide kreet’. Op hetzelfde ogenblik herkende zij ook de man, die haar de opdracht had gegeven en ook de geest die hem bezet hield. Saul had deze vrouw naar het dodenrijk of de gevangenis gevoerd en de macht deelde hem mee, dat hijzelf de volgende dag ook het dodenrijk zou binnengaan. De sterke verderfengel voor wie de koning neerknielde, doodde ook zijn drie zonen en veel volk (2 Sam.1:4). Johannes ziet hoe na duizenden jaren het strand van de zee het rendez-vous is van de draak en Abáddon. De duivel had immers de sleutel van de afgrond aan een van zijn engelen gegeven. Nu wacht hij het ogenblik af, dat Abáddon aan het hoofd van zijn legioenen de afgrond verlaat en opkomt uit de zee.

Van deze sleutelengel (een grote gevallen zoon van God), wordt opgemerkt dat hij als een ster uit de hemel op aarde ‘gevallen’ was (Op.8:10). In Openbaring 20:1 is echter sprake van een heilige engel die uit de hemel ‘neerdaalde’ om na de slag bij Armageddon op het bevel van Jezus Christus de afgrond te openen en de draak erin te werpen. Bij de ontmoeting op het strand van de zee stellen de draak en zijn engelen zich beschikbaar aan Abáddon en zijn demonen, die ogenblikkelijk hun oude, zondige activiteiten gaan hervatten. Hun bevrijde koning ontvangt dan van de satan ‘zijn kracht en zijn troon en grote macht’. Wijsheid is er niet bij, want die kan de oude slang hem niet schenken. Zij was bij zijn val ‘teniet gegaan’ (Ez.28:17). Zo toegerust neemt het beest uit de afgrond zijn intrek bij de antichrist, het beest uit de aarde (Op.13:11; 11:17). Beest en valse profeet zijn dan één geworden (Op.19:20). De antichrist wordt dan de nieuwe ‘overste van de wereld’ en ‘de overste van de macht van de lucht’, waarbij de lucht beeld is van de geestelijke wereld, die bij de mens hoort (Joh.12:31; Ef.2:2). De bezeten en voortgedreven mens van de zonde stelt zich dan op tegen Christus, met wie de Vader de troon deelt en aan wie alle macht is geschonken in hemel en op aarde. Met dit gebeuren vangt de eindfase aan van de strijd in de hemelse gewesten, waarvan Paulus in Ef.6:12 spreekt. Armageddon, waar de legers elkaar treffen, is dan niet ver meer.

Jezus, de prediker van de gerechtigheid

Noach, de prediker van de gerechtigheid, was de achterkleinzoon van Henoch. Beiden staan te boek als grote profeten en evangelisten uit de voortijd. Onder hun tijdgenoten waren ze rechtvaardig en onberispelijk, want zij wandelden met God. Zo’n godvruchtig leven komt overeen met het geloof, dat God liefheeft. Henoch profeteerde in het bijzonder tot zijn afvallige Sethitische stamgenoten, die in Judas 12 getypeerd worden als ‘wolken die geen water geven, omdat zij door de winden – beeld van de boze geesten – voorbij gejaagd worden; bomen die in de late herfst geen vrucht geven’. Henoch komt overeen met profeet Elia, die onder de regering van de goddeloze afvallige Achab en diens vrouw Izébel, het afgeweken volk tot bekering opriep. Beiden werden door God ‘weggenomen’. Zij horen nu bij de gezalfde getuigen, ‘die voor de Heer van de hele aarde staan’. Zij symboliseren een menigte gelovigen in de eindtijd, van wie geschreven is: ‘Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik’ (1 Cor.15:51).

Een ongekende verdrukking

Waarom vergeleek Jezus de eindtijd met de prehistorische periode? Omdat in beide tijdperken de wereldbevolking zich onder een enorme pressie bevond en zich zal bevinden, die rechtstreeks door de verdervende geesten werd en zal worden veroorzaakt. Jezus sprak over ‘een verdrukking, zoals er niet geweest is van het begin van de wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal’ (Matt.24:21). ‘Het begin van de wereld’ ziet hier op het menselijke ras, dat ontstond ‘toen de mensen zich op aarde begonnen te vermenigvuldigen’. Voor de tweede maal in de geschiedenis komt er in de laatste dagen zo’n massale invasie van demonen, die de mensheid zullen terroriseren en verderven. In de eindtijd openbaren zich echter de geweldgeesten sterker en heftiger, is de anarchie in de kerk, staat en maatschappij groter, terwijl het terrorisme en vandalisme gigantische afmetingen zullen aannemen. De aarde wordt dan beheerst door ‘de mens van de wetteloosheid’, ‘de zoon van het verderf’, door de allerslechtste regeerder die ooit leefde en die een aartsvijand is van Jezus Christus en Zijn gezalfde gemeente. De antichrist is een geestelijk leider, die paranormale krachten bezit: ‘Zijn komst is naar de werking van de satan met allerlei krachten, tekens en bedrieglijke wonderen’ (2 Thess.2:9). Hij zal een verdrukking op aarde veroorzaken zoals nooit geweest is, zoals de mensen nooit gewend waren of gekend hadden, want de ellende wordt dan rechtstreeks bewerkt door de zwarte magie van deze opperpriester in de kerk van de satan. De losgebroken geestenwereld wordt door hem geleid.

Noach de voorbidder

Te midden van al het geweld in de voortijd zien wij Noach als laatste prediker door God gezonden. In Ezechiël 14:14 wordt hij met Job en Daniël tot de allergrootste voorbidders uit de voorchristelijke tijd gerekend. Toen Noach 600 jaar oud was, ging hij de ark binnen en kwam de zondvloed over de aarde. Ongetwijfeld heeft hij veel eeuwen onder de wereldbevolking van zijn tijd gepredikt en haar opgeroepen tot bekering. Wel luisterde men naar deze extreme man van God, maar men kwam niet tot een geloofsdaad. Men ging voort met eten en drinken, huwen en ten huwelijk geven terwijl men het grote, zedelijk verval met het daaraan gepaarde geweld als een maatschappelijk verschijnsel aanvaardde.

De put van de afgrond geopend

De mogelijkheid dat in de atmosfeer en in de wolken een hoeveelheid water was opgeslagen, die gelijk was aan de totale hoeveelheid water op de aardbodem, was voor de oermens even onbegrijpelijk als de voorstelling bij de moderne mens, dat in de toekomst in de geestelijke wereld de zon en de lucht geheel verduisterd zullen worden door een massale vloed van demonen uit de afgrond. Zij, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen niet kennen, spreken veel over een naderend onheil in de zichtbare wereld: natuurrampen, oorlogen, watersnoden, besmettelijke ziekten, zedelijk verval. Zij komen overeen met de verontrustte Lot, die zwaar te lijden had van de losbandige levenswandel van zijn stadgenoten en wel dag aan dag zijn rechtvaardige ziel kwelde, maar onmachtig was om de onzichtbare vijanden niet alleen bij de bestuurders in de poort maar ook in eigen familiekring te weerstaan en te overwinnen. Zij kunnen zich niet voorstellen dat het uitzicht op de hemel, waarin de heerlijkheid van God geopenbaard wordt, zal belemmerd worden door een wereldomvattende plaag van geestelijke sprinkhanen, die ieder leven op aarde bemoeilijken en verstikken:

  • ‘En de vijfde engel blies op de bazuin en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen. En hem werd de sleutel van de put van de afgrond gegeven. En hij opende de put van de afgrond en er steeg rook op uit de put als rook van een grote oven. En de zon en de lucht werden verduisterd door de rook van de put. En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde en hun werd macht gegeven, zoals de schorpioenen van de aarde macht hebben’ (Op.9:1-3).

Is het vreemd dat Noach pas op vijfhonderdjarige leeftijd een vrouw vond, die bij hem paste (Gen.5:32)? Ook zijn zonen huwden zeer laat, want alle drie waren nog kinderloos, toen zij de ark binnengingen. Zij ‘namen ten huwelijk’ op de door God aangewezen wijze en tijd. Hoeveel maal zal Noach tijdens zijn ‘evangelisatiecampagnes’ niet hebben gebeden: ‘Heer mijn God, schenk mij zielen op mijn prediking, geef mij loon op mijn werk’? Maar niemand kwam op zijn massameetings naar voren om zich te verootmoedigen en de toegestoken hand van God te aanvaarden. Spreek mij van onverhoorde gebeden! Wat een geloof heeft deze Godsman gehad om eeuw in eeuw uit zijn opdracht uit te voeren met zulk negatief resultaat. Toch was hij geen boeteprofeet, die met zijn banvloeken de menigte deed sidderen. In dit verband denk ik aan Girolama Savonarola, de visionaire monnik uit de middeleeuwen, die in Florence zijn toespraken over de ark van Noach hield en die niemand en niets spaarde. Zijn stem rolde als een donder over de menigte en de toehoorders werden bevangen van ontroering en angst, maar hun veranderingen waren slechts van korte duur. De Hebreeënschrijver zegt slechts dat Noach door het geloof eerbiedig of in vrees de ark toebereidde en dat hij door deze positieve geloofsdaad de wereld heeft veroordeeld. Zijn voorbede en toespraken waren gericht op redding en behoud.

Een volheid van de heidenen gered

Wanneer het drama van de voortijd zich voltrekt worden miljarden mensen binnen enkele weken door een onafwendbare verdrinkingsdood bedreigd. De Bijbel zwijgt over al die mannen, vrouwen en kinderen die in deze ramp omkwamen. Wij zien niemand in doodsstrijd en horen geen wanhoopskreten van vaders en moeders, die met hun kinderen naar hoger gelegen gedeelten vluchten. Ook vinden wij geen woord van erbarming en medelijden met de onschuldige slachtoffers, zoals bijvoorbeeld bij het slot van het boek Jona, wanneer Ninevé gespaard wordt ook vanwege hen, die het onderscheid niet kenden tussen hun rechter- en linkerhand, afgezien nog van het vele vee. Wij schreven al over een deel van de mensheid, dat de naam van God lasterde, net als de verharde zondaars vandaag en in de eindtijd in hun grote nood dit zullen doen (Op.16:8-11). Maar er zullen ook velen geweest zijn, die de God van Noach in hun laatste ogenblikken om genade smeekten. Toen de meedogenloze vloed zich om hen sloot, zullen zij nog aan de prediking van Noach gedacht hebben. Zij bekeerden zich op de wijze zoals de profeet hun dit duidelijk had gemaakt. De vergelijking gaat enigszins mank, maar we zouden hier kunnen spreken van sterfbedbekeringen, waarbij de mens aan het einde van zijn leven een verandering ten goede meemaakt. Dan kunnen de demonen, die niet mee naar het dodenrijk willen, van hen wijken en spreekt men wel van stervensgenade. Het gelaat ontspant zich en er komt een vredige trek op. Voor velen in de voortijd gold de uitspraak van Paulus: ‘Want God heeft hen allen in ongehoorzaamheid opgesloten, om Zich over hen allen te ontfermen’ (Rom.11:32).

Net als later over het ongehoorzame volk Israël, dat de profeten doodde, was ook over hen de toorn van God – dat zijn de machten van de duisternis – gekomen tot het einde (1 Thess.2:16). Allen werden toen aan de satan overgeleverd tot verderf van het vlees, opdat hun geest zou worden behouden in de dag van de Heer (1 Cor.5:5). Wij zien dat uit de voortijd een volheid van de heidenen is binnengegaan als een voorvervulling van wat ook in de eindtijd zal plaatsvinden, want velen zijn nog voor eeuwig gered door Christus Jezus, de betere Noach van het nieuwe verbond (Rom.11:25). Men leefde eerder, wat het inzicht in het Koninkrijk der hemelen betrof, nog in de tijden van de onwetendheid, welke God heeft voorbijgezien (Hand.17:30). Noach kon geen boze geesten uitdrijven of een mens in de vrijheid stellen. Hij kon ook niet als Job ‘het gedrocht ophalen met een haak’ (Job 40:20 Leidse vert.). Hij kende immers het evangelie van het Koninkrijk der hemelen niet, want dit werd pas door Jezus Christus geopenbaard (Matth.13:35).

Jezus heeft gepredikt aan de geesten in de gevangenis (dodenrijk)

In 1 Petrus 3:18-20 wordt ons iets meegedeeld van wat Jezus tijdens zijn driedaagse verblijf in het dodenrijk had gedaan. Petrus kon dit weten, omdat onze Heer na zijn opstanding 40 dagen lang met zijn apostelen had gesproken over alle aangelegenheden van het Koninkrijk van God (Hand.1:3). Waar Johannes later de diepzinnige gedachten van dit onderwijs weergaf, was Petrus meer de persoon om de gebeurtenissen te reveleren. Hij schreef hierover: ‘Hij is naar de geesten gegaan die gevangen zaten, om dit alles te verkondigen aan hen die ten tijde van Noach weigerden te gehoorzamen, toen God geduldig wachtte en de ark gebouwd werd. In de ark werden slechts enkele mensen, acht in totaal, van de watervloed gered.’ Om het grote belang van deze uitspraak te zien, moet men op het verband letten waarin ze staat. Petrus houdt hier zijn lezers voor, dat zij in navolging van Christus altijd het goede moeten doen, ook al zou dit met lijden gepaard gaan. Want ook Christus heeft geleden en is zelfs gestorven voor de zonde van de hele wereld, ‘als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, zodat Hij u tot God zou brengen’. Met deze intentie is Hij zelfs in de kerker gaan prediken. Hij deed dit als overwinnaar. Bij zijn sterven had Jezus immers zijn menselijke geest toevertrouwd aan de handen van zijn Vader. Deze handen zijn beeld van de Heilige Geest. De uitdrukking: die door zijn hand zich laten leiden, betekent immers dat men zich door de Gods Geest laat leiden.

Toen Jezus het dodenrijk binnenging, woonde de hele volheid van God, die Hem tijdens zijn lijden had verlaten, opnieuw in Hem. Is het een wonder dat Hij de sleutels van dood en dodenrijk in zijn bezit nam? Hij kon de poorten van het dodenrijk voor de rechtvaardigen openen en voor hen die in Christus ontslapen, toesluiten. In 1 Petrus 4:5,6 wijst de apostel er nogmaals op, dat Jezus in het dodenrijk gepredikt heeft: ‘Hij staat gereed om levenden en doden te oordelen. Want hiertoe is óók aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wèl, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, maar naar God, wat de geest betreft, zouden leven’. Men denkt nog zo vaak dat voor de tijd van Christus op aarde, slechts het kleine aantal mensen, dat in het schemerlicht van het oude verbond leefde, behouden werd. Wat zich buiten Israël en zijn eredienst bevond, zou voor het merendeel voor eeuwig verloren zijn. Petrus had echter van Jezus iets anders vernomen. Ook in het dodenrijk had er een oordeel plaatsgevonden, dus een scheiding van goeden en kwaden. In de gevangenis heeft Jezus aan hen, die vroeger ongehoorzaam gewéést waren, het eeuwige en blijvende evangelie, dat van het Koninkrijk der hemelen, verkondigd. Deze betere Noach hield in het dodenrijk ‘massameetings’, opdat zij die naar het vlees waren veroordeeld, met hun geestelijk lichaam of naar de innerlijke mens, zouden leven.

’Veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt’

Ook de ontslapen rechtvaardigen uit het oude verbond hoorden in het dodenrijk de goede boodschap. Vele heiligen kwamen daar in aanraking met de Doper in Heilige Geest naar Wie ze tijdens hun leven op aarde hadden uitgezien. Toen werden ook zij opgewekt uit de doden en werden de poorten van het dodenrijk voor hen geopend. In Mattheüs 27:52,53 staat dat ‘veel lichamen van de ontslapen heiligen werden opgewekt’. Zoals hun stoffelijke lichamen in de graven waren gelegd, zo verbleven zij met hun inwendige mens in het dodenrijk en vingen zij met hun geestelijke oren de blijde boodschap op. Zij vergezelden Jezus bij zijn hemelvaart naar de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. De driedaagse zegetocht van onze Heer Jezus in het dodenrijk was ook een voorvervulling van zijn profetische woorden in Johannes 5:28,29 over de eindopstanding: ‘Verwonder u hierover niet, want het uur komt, dat allen, die in de graven (beeld van het dodenrijk) zijn, naar zijn stem zullen horen en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ten oordeel’. Omdat zij de stem van Jezus hoorden en zijn woorden geloofden, rusten deze drenkelingen nu in de hoop op het eeuwige leven. Na het laatste oordeel zullen zij op de nieuwe aarde wonen en vormt deze volheid van de heidenen mede ‘de eer van de volken’ die de poorten van het nieuwe Jeruzalem zullen binnengaan’ (Op.21:26). Met een variant op Jacobus 5:11 zouden wij kunnen schrijven:

  • ‘U hebt van de wereldomvattende catastrofe van de voortijd gehoord, maar uit het einde, dat de Heer deed volgen, gezien, dat de Heer rijk is aan barmhartigheid en ontferming’. ’Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen’ (Rom.11:33).