Wie gaat fout?

Een lezer reageert:

  • ‘In de artikelenserie ‘De Openbaring van Johannes’ draait het om het hoofdthema van de geboorte van ‘de mannelijke zoon’, dit wil zeggen ‘de openbaring van de zonen van God’ (Rom.8:19-23). Op dit punt gaat het al fout: ‘De mannelijke zoon’ wordt namelijk tweemaal geboren. Eenmaal aan het begin van de periode van de 1260 dagen grote verdrukking (Op.12:5,6) en eenmaal aan het einde van die periode, namelijk bij het tweede wee (vergelijk Op.11:2 en Op.14). Dat kan niet! Alleen al vanwege deze fout moet de hele theorie herzien worden, zoals u die brengt’.

Antwoord:

Inderdaad is de Openbaring van Jezus Christus de aanwezigheid van de verheerlijkte Heer in zijn volk, zodat Hij met verbazing gezien zal worden in allen die tot geloof gekomen zijn (2 Thess.1:10). Hij spreekt: ‘Ik, Jezus, heb mijn engel gezonden, om u dit te betuigen voor de gemeenten’ (Op.22:16). In haar zullen immers de zonen van God worden geopenbaard. In Openbaring 11 vinden we de laatste visioenen over de gemeente, die gereed staat om opgenomen te worden. De zevende engel blaast de zevende of laatste bazuin, dat is volgens 1 Corinthiërs 15:52 de tijd, dat de zonen van God ‘veranderd zullen worden in een ondeelbaar ogenblik’. In Openbaring 12 begint een hele nieuwe reeks visioenen, die beginnen met de geboorte van de zonen van God vanuit de gemeente. Zij bereiken de mannelijke volwassenheid in de grote verdrukking, terwijl ze de heidenen dan zullen hoeden met een ijzeren staf.

Bij Openbaring 8:13 schreven we dat de drie weeën oordelen zijn over de aarde. Dit zijn dus niet de weeën van de vrouw uit hoofdstuk 12, zomin als daar bijvoorbeeld sprake zou zijn van weeën die de nieuwe geboorte van de zonen van God zouden bewerken. De eerste twee weeën of oordelen geven dan ‘het aanzijn aan de zonen van God’, dus aan de openbaring van de mannelijke volwassenheid. Deze weeën zijn de periode, dat er oorlog is in de hemel en Michael en zijn engelen oorlog hebben te voeren ter ondersteuning van de zonen van God. Deze twee weeën of oordelen vormen het laatste deel van de grote verdrukking, waarin de zonen van God zich zullen bevinden.

Aan het einde van het tweede wee worden deze zonen van God weggenomen. Dit stelde ik voor als een geboorte, maar dan van de verheerlijkte zonen van God, die in een ondeelbaar ogenblik naar lichaam, ziel en geest hun plaats in de hemelse gewesten zullen innemen. We schreven erachter: ‘Terwijl bij het derde wee de valse kerk ondergaat’. De drie weeën zien dus op een heel andere situatie als de pijnen van de zwangere vrouw in Openbaring 12. Deze brengt trouwens geen valse kerk voort, die bestemd is om onder te gaan (Op.17 en 18)!

Nog een andere fout?

  • ‘U zegt: ‘De antichrist zet zich in de tempel van God (2 Thess.2:4), dit wil zeggen in de mens die gedoopt is in Gods Geest en afvalt. De geest van de antichrist kan zich in zo’n mens zetten, maar de antichrist (een mens) kan zich niet in een mens (als tempel van God) zetten. Deze gedachtegang klopt niet met wat er exact in 2 Thessalonicenzen 2:4 staat’.

Antwoord:

In Openbaring 13:5 is sprake van de geest van de antichrist of van het beest uit de afgrond en ook van zijn mond, dat is de antichrist zelf (Op.13:11-18). Denk als tegenstelling aan Christus en aan de Geest van Christus. In Romeinen 8:10 schrijft de apostel rustig: ‘Als dan Christus in u is’, maar hij bedoelt de Geest van Christus. Ook staat er: ‘De Heer nu is de Geest’ (2 Cor.3:17). Wat denkt de schrijver nu van de anti-christus? Mag misschien ook gezegd worden: de antichrist is de geest?

Aan het beest of aan de geest van de antichrist wordt gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren. Er is dus een mens – de antichrist – en een geest die hem geheel in bezit heeft genomen. Deze twee zijn moeilijk te scheiden. Zo noemde Jezus de verrader Judas ‘de zoon van het verderf’ (Joh.17:12). Verder sprak Hij: ‘Een van u is een duivel’ (Joh.6:70). Daar staat achter: ‘Hij bedoelde Judas, de zoon van Simon Iskariot’. Volgens de gedachtegang van de lezer kloppen deze uitspraken niet!

In 2 Thessalonicenzen 2:3 is sprake van ‘de mens van de wetteloosheid’, die tegelijkertijd net als Judas ‘zoon van het verderf’, of ‘zoon van de destructie’ genoemd wordt. Hier is dus een duidelijke aanwijzing van zijn geestelijke afkomst. Zo sprak Jezus tot de Joden: ‘U hebt de duivel tot vader’ en ‘hij is een leugenaar en de vader van de leugen’ (Joh.8:44). Zij waren dus ‘zonen van de leugen’ vanuit hun geestelijke afkomst gezien.

In 2 Thessalonicenzen 2:3,4 is ‘de mens van de wetteloosheid’ ook ‘de zoon van het verderf’ of ‘de tegenstander’. Hier zien wij dus het beest, dat ‘lasteringen tegen God spreekt, om zijn naam te lasteren’ (Op.13:6). De tempel is het huis dat God voor Zich begeert. Dit is niet van hout of steen, maar van vlees, want het wijst op de mens, die God Zich tot woning heeft gewild.