Voltooiing van de tempel

Openbaring van de mens van God

  • ‘Vervolgens kreeg ik een rietstengel als meetstok, met de opdracht: Neem de maten op van Gods tempel en van het altaar en tel degenen die God daar aanbidden. De voorhof buiten de tempel moet je overslaan. Meet die niet op, want hij is bestemd voor de heidenen, die de heilige stad 42 maanden lang zullen vertrappen’ (Op.11:1,2).

Wanneer Johannes in visionaire toestand de tempel van God gaat meten, is de profetie die door Jezus was uitgesproken, al vervuld: ‘terwijl Jeruzalem vertrapt zal worden door heidenen, tot de tijd van de heidenen voorbij is’ (Lucas 21:24). Stad en tempel lagen toen al een kwart eeuw verwoest, terwijl de ontbindende, occulte demonen bezig waren het oude verbondsvolk naar alle wereldeinden te verstrooien. De apostel ziet nu hoe in een verre toekomst een soortgelijk drama zich gaat afspelen in een groot deel van de christenheid, die hij vergelijkt met ‘de heilige stad’ en ‘de voorhof’. Het verschil met wat vroeger gebeurde is, dat in zijn visioen de eigenlijke tempel ongeschonden en gaaf bewaard blijft. In de tijd toen Jezus op aarde leefde, was over de tempel van Herodes al 46 jaar gebouwd en kort na zijn voltooiing werd hij verwoest.

Aan de tempel van God waarvan hier sprake is en waarvan Jezus de bouwmeester is, wordt al 2000 jaar gebouwd en de tijd van zijn voltooiing nadert. Ogenblikkelijk hierna zullen de duistere machten op de stad en de tempel van het nieuwe verbond losstormen. De majestueuze woonplaats van God in de geestelijke wereld, de gemeente van Jezus Christus, zal echter heilig en onbesmet blijven. De zonen van God zullen daar een koninklijk priesterschap vormen. Zij hebben dan de mannelijke rijpheid of geestelijke volwassenheid bereikt. Ze zijn volmaakt zoals hun hemelse Vader volmaakt is. In hen heeft het woord van God alles volbracht, waartoe het was uitgezonden. Johannes mag met blijdschap opmerken dat in de eindtijd de groei van de gelovigen afgemeten en vastgesteld kan worden naar het beeld van Christus. Hij is het gouden meetriet en zijn gemeente voldoet aan deze volle maat van haar volwassenheid. Vervuld is dan wat de apostel eenmaal schreef: 

  • ‘Maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer hij zal verschijnen, want dan zien we hem zoals hij is’ (1 Joh.3:2).

Deze tempel kan niet verwoest worden, maar zal als vast gebouw van Gods genadebewijzen voor eeuwig de glorie en heerlijkheid van zijn grote bouwheer Jezus Christus afstralen. Het gaat hier over de ware gemeente op aarde, die in de onzichtbare, hemelse wereld een tempel van God vormt samen met de geesten van de gestorvenen rechtvaardigen, die de voleinding al bereikt hebben (Hebr.12:23). Johannes ziet hoe haar verloste en verzegelde leden op aarde hun lof- en dankoffers brengen. Dit betekent voor hem de realisatie van het gouden reukofferaltaar uit het oude verbond, vanwaar de welriekende geuren voor Gods aangezicht opstegen. De eindtijdgemeente wordt daarom in haar bijeenkomsten gekenmerkt door lofprijzing en aanbidding. Deze uitbundige verheerlijking als ‘de vrucht van de lippen’ is dan de uitdrukking van de gaafheid van de innerlijke mens en van de volmaaktheid van zijn existentie. Hier bevinden zich de ware aanbidders in geest en in waarheid.

Het woord ‘proskuneo’ dat door ‘aanbidden’ vertaald is, betekent letterlijk zich tot iemand richten om hem te kussen, hem liefde te bewijzen. Zei de psalmist niet: ‘Kus de Zoon?’ De ‘beminnaars van de Heer’ bewijzen Hem hulde en liefde. Hun geest is één geworden met zijn Geest. Vangt het Hooglied niet aan met dit wederzijdse verlangen naar gemeenschap van bruid en bruidegom uit te drukken in de woorden: ‘Hij kust mij met de kussen van zijn mond’ (Hooglied 1:2)? In onze tijd zien wij overal hoe nieuw geboren en Geestvervulde christenen dit verlangen kennen en haar tot uitdrukking brengen in hun lofprijzingen, liedjes en woorden.

Verschijningsvormen in de christenheid

Johannes ziet hier drie verschillende categorieën vertegenwoordigers van het christendom op aarde. Hij typeert ze in beelden die ontleend zijn aan het tijdperk van de schaduwen. In het Israël van het nieuwe verbond zijn er die hun burgerschap in de hemel hebben waar Christus is. Zij vormen hier de tempel waar de troon van God is, want hun innerlijke mens is vervuld met Gods Geest. Zij worden daarom een koninklijk priesterschap genoemd. In Openbaring 7 heten ze de 144.000 verzegelden – een symbolisch getal – die uit alle stammen van het tweede Israël te voorschijn zijn gekomen. Zij zijn aan hun voorhoofd verzegeld, dat wil zeggen dat hun gedachten volkomen op de onzienlijke wereld van het Koninkrijk van God zijn georiënteerd. Ze worden daarom ook aangeduid als ‘de losgekochten van de aarde’ (Op.14:3). Net als hun Meester zijn ze niet ‘van beneden maar van boven’ (Joh.8:23). We zouden ook kunnen zeggen dat door hun verzegeling de naam van het Lam van God en die van de Vader op hun voorhoofd is geschreven. Ze zijn dus gelijkvormig aan hun Heer geworden en net als Hij de afdruk van het goddelijke wezen. In hen heeft de Vader zijn oorspronkelijk scheppingsplan bereikt. Leer en levenswandel stemmen bij hen overeen. Zij volgen het Lam waar Hij ook heengaat en in hun mond wordt geen leugen of dwaling meer gevonden: ze zijn onberispelijk. In hen is het grote geheimenis voltooid, dat eeuwen lang door de ‘vrome’ geesten werd ontkend, namelijk dat de mens van God hier op aarde volkomen kan worden, tot alle goede werken volkomen toegerust (2 Tim.3:17).

Voorhofchristenen

De tweede categorie wordt gevormd door de voorhofchristenen. Deze bewegen zich met grote ernst en ijver op het christelijke erf. Ze zijn de rechtzinnigen die belijden dat ze de Bijbel van kaft tot kaft geloven, zelfs de kaft. De centrale plaats van hun denken is het brandofferaltaar, dat eenmaal in de voorhof stond. Zij hebben Jezus Christus als de verzoener van hun zonden aanvaard, maar de doop met Gods Geest met de geestelijke gaven en het spreken in nieuwe talen wordt door hen ontkend of onbelangrijk geacht. Zelfs het enige Bijbelse Fundament (een absoluut noodzakelijke stap), is bijna in niemands leven gelegd. De meerderheid heeft zich nooit bekeerd en beroept zich op voorouders en instituten die voor God waardeloos zijn. De sleutels die tot de geestelijke wereld toegang geven, bezitten zij niet en de strijd in de hemelse gewesten kennen zij niet en voeren ze niet. Wel is hun menselijke geest in staat goede werken te doen, maar wanneer ze in de eindtijd rechtstreeks door de opgeroepen demonen uit het dodenrijk aangevallen worden, moeten ze het laten afweten. Van hen kan worden gezegd:

  • ‘U onderzoekt de schriften, maar ze zijn niet hemels georiënteerd!’

Wel hebben ze vaak een grote zendingsijver en evangelisatiedrang maar ze missen een overwinnend toekomstperspectief voor de gemeente. Omdat ze ongeestelijk denken, leren ze dat de christen pas bij zijn sterven de hemel binnengaat, die ze dan nog zoveel mogelijk verstoffelijken. Hun eindtijdverwachtingen zijn uitzichtloos en ze worden daarbij steeds bang gemaakt door de verschrikkingen en catastrofen, die over de wereld komen. Wanneer dan de sluizen van de hemel en de put van de afgrond word worden geopend en Satans demonen zich op de mensen storten en de kolken van de diepe afgrond de gebonden geestenwereld vrijlaten, hebben ze geen verweer en weten ze niet wat hen overkomt. De voorhof wordt prijsgegeven, omdat het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus predikte er geen voedingsbodem heeft. Letterlijk wordt er gezegd:

  • ‘Werp de voorhof, die buiten de tempel is, uit, naar buiten en meet die niet, want hij is aan de heidenen gegeven.’

Dat is de tragiek van een orthodox en fundamentalistisch christendom, dat niet bekeerd is en niet geleerd heeft de geestenwereld te onderscheiden en de vijanden op rechtmatige wijze te bestrijden. Men heeft immers nooit in de naam van Jezus één duivel uitgeworpen. Deze christenen zijn niet voor eeuwig verloren, maar ze zijn onnut voor de tempeldienst. Ze zijn nooit overwinnaars geworden en hebben zich nooit gerealiseerd wat het zitten op de troon van God inhoudt. Wanneer Johannes de ontwikkelingen van het christendom ziet, komen er telkens bij hem beelden uit het verleden naar voren. Voor zijn ogen doemt hier de ondergang van de geliefde stad op, die door de Romeinen in een puinhoop was veranderd.

De voorhof door de heidenen vertrapt

Plotseling associeert hij het verleden met de verre toekomst. Ook de heilige stad van het nieuwe verbond zal door de heidenen vertrapt worden, dat is prijs gegeven worden aan een demonische geestenwereld. Johannes heeft het over de grote stad waar óók onze Heer werd gekruisigd. Dit grote Jeruzalem heet dan later het grote Babylon, de moeder van de hoererijen en van al de gruwelen van de aarde. Het massachristendom zal in de laatste dagen even anti-Christus blijken te zijn als eertijds de inwoners van Jeruzalem en vandaag als het ‘christelijk’ politieke, regime dat eeuwig fanatiek deugt op andermans kosten en eigen diepe zakken blijft vullen. Het doodt immers ook de profeten en de lijken van de laatste getuigen van Christus liggen als een ‘blij-makend’ schouwspel op de straten van deze grote stad (vers 8).

Maar een ‘rest’ behouden

De wereldwijde kerk van het nieuwe verbond zal hetzelfde lot ten deel vallen als die van het oude. Ook uit haar wordt slechts een rest behouden. Dit heeft dan deel aan de late regen, aan de uitstorting van Gods Geest in de laatste dagen. Daarom werd tot de leerlingen gezegd: verlaat bijtijds Jeruzalem en in de eindtijd klinkt het tot de ware kinderen van God: ‘trek uit Babylon.’ Laat de denkwereld van deze aards gerichte stad los. Velen hebben in de loop van de eeuwen deze oproep wel gehoord, maar ze gingen slechts uit hun kerk of gemeenschap om aan Babylon weer een nieuwe woonwijk toe te voegen. Er vond geen wezenlijke verandering van gedachten plaats. Men heeft zich nooit bekeerd(!) en bleef ongeestelijk denken, dit wil zeggen dat men aan het evangelie van het Koninkrijk der hemelen geen aandacht schonk en aan de geheimenissen ervan geen deel had.

De vraag rijst: waar moet men naar toe trekken? Het antwoord luidt: ga naar de tempel en laat u behouden uit dit verkeerde geslacht. Petrus schreef tot de pas bekeerde christenen:

  • ‘Kom tot de Heer, de levende (hoek)steen, door de mens wel verworpen – vanwege zijn leer over het Koninkrijk der hemelen – maar bij God uitverkoren en kostbaar en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis, om een heilig priesterschap te vormen’ (1 Petr.2:4,5).

De christen komt niet automatisch in het hemelse heiligdom, maar hij moet zich daar bewust(!) laten invoegen met het enige, Bijbels gelegd fundament.

De opdracht aan de 144.000

Voordat de demonische winden vanuit de vier hoeken van de aarde opsteken, worden eerst de zonen van God verzegeld (Op.7:3). Zij krijgen de opdracht om getuigen te zijn van Jezus Christus en zijn leer over het Koninkrijk te brengen op de pleinen van de grote stad en verder tot het uiterste van de aarde. Met ongekende sterkte brengen zij de eeuwige boodschap van het evangelie en dan zal het einddoel worden bereikt: de tempel van God wordt dan voltooid (Matth.24:14). Door hen blijkt wat de kracht van Gods Geest door middel van dit unieke evangelie van Jezus nog kan bewerken. Deze getuigen spreken zoals Jezus sprak en doen de werken die Hij deed en zelfs nog grotere (Joh.14:12). De belofte is immers dat God in de laatste dagen zijn Geest zal uitstorten op alles wat (voor Hem) leeft, dus nog bereikbaar is voor het evangelie. Jesaja profeteerde dat een dikke duisternis de natiën zou bedekken, maar zag tegelijkertijd dat voor de ware gemeente van Jezus Christus het licht zou opgaan, dat helderder zou stralen dan ooit tevoren.

Op weg naar Armageddon

Wij hebben het hier niet over kerkelijke instituten en aanwijsbare christelijke gemeenschappen, maar over christenen die zich losmaken uit de verwarring van een Babylonisch denken. Het doel van deze getuigenis is om stenen klaar te maken voor de voltooiing van de tempel. Zij zijn tempelbouwers zoals Jozua en Zerubbabel hiervan typen waren, toen zij de tweede tempel bouwden. De stenen die al waren ingevoegd, de 144.000, zijn wel gaaf en onberispelijk, maar het aantal is nog ontoereikend. Het huis van de Heer moet voltooid worden. Tijdens hun zegenrijke boodschap barst de hel los en de volgelingen van Jezus Christus komen in de grote verdrukking. De strijd van Armageddon is hiermee begonnen.

De aanbidding van een aards Israël

Bij deze voorhoedegevechten zal blijken dat de voorhofchristenen, die het evangelie van het Koninkrijk der hemelen blijven verwerpen, verliezers zijn. Zij blijven hun verwachtingen richten op het herstel van een natuurlijk Israël in plaats van te geloven in het ontwaken van de gemeente. Zij blijven volharden in de mening dat de onberispelijkheid en heiligheid een onbereikbaar ideaal zijn en dat de christen zondaar blijft tot de dood. Zij geloven niet dat ‘de gezonde leer’ van het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen nuttig is om de hoorders zo op te voeden, dat de mens van God volkomen wordt en tot alle goed werk volkomen toegerust (2 Tim.3:17).

Een naamchristendom

In ‘de grote stad’ is er een naamchristendom dat onverschillig staat tegenover een zuiver geestelijk evangelie. Het heeft de wereld en wat in de wereld is lief. Deze stad zal blijken antichristelijk te zijn, vijandig aan de Gezalfde en aan de gezalfden met Gods Geest. Bovendien wensen haar inwoners in de tijd van de grote verdrukking geen evangelie te accepteren dat overal wordt gehaat. Wanneer blijkt dat de genodigden uit de voorhof en uit de stad het evangelie van Jezus niet waard zijn, omdat ze blind en doof zijn voor de geestelijke wereld, zullen de getuigen zich wenden tot de zuchtende schepping. In het slot van Openbaring 10 wordt Johannes opgewekt om te profeteren over veel natiën, volken, talen en koningen. Voor de voorhofchristenen gaat in vervulling:

  • ‘De boodschap van God moest het eerst onder u worden bekendgemaakt, maar aangezien u die afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig acht, zullen we ons tot de heidenen wenden. Want de Heer heeft ons het volgende opgedragen: Ik heb je bestemd tot een licht voor alle volken om redding te brengen, tot aan de uiteinden van de aarde’ (Hand.13:46).

Wie van de orthodoxe leiders in die dagen heeft zich ooit kunnen indenken dat zij buiten geworpen zouden worden? De laatste getuigen zullen dan ook in de grote stad als valse profeten worden gebrandmerkt en gedood. Tijdens hun brengen van het eeuwig evangelie zullen echter de menigten komen van Oost een West en van Noord en Zuid om aan te liggen in het Koninkrijk van God.

Een menigte die niet te tellen was

Na hun boodschap ziet Johannes deze menigte, die niemand kan tellen, uit alle volken, stammen en natiën en talen. Zij staan voor de troon en voor het Lam, dus in de tempel van God. Ze zijn bekleed met witte gewaden en hebben de palmtakken van de overwinning in de hand. Zij komen immers uit de grote verdrukkingen en door hun invoeging wordt de tempel van God voltooid (Op.7:9,11).

Ook Israël behouden

 

Jezus vergeleek in Mattheüs 22:1-14 ook de laatste periode van het brengen van het eeuwig evangelie met een bruiloftsmaal dat door een koning voor zijn zoon aangericht werd. Deze koning zond zijn slaven uit om de genodigden tot dit feest op te roepen, maar men negeerde de oproep. Toen werd de koning boos en zond zijn leger om de (grote) stad van de ongeestelijke en onverschillige belijders in brand te steken. Zij werd aan satan’s demonen prijsgegeven. Daarna beval hij zijn dienstknechten om naar de kruispunten van de wegen – de centra van het maatschappelijke leven – te gaan, om allen uit te nodigen die men daar aantrof.

Omdat het massachristendom onder haar verblinde leiders weigert te komen, zal het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen aan de buitenstaanders worden gebracht, want het huis van God moet vol worden. Bij hen wordt dan de sluier vernietigd, die alle natiën omsluiert (Jes.25:7). De bedekking blijft echter op het verharde, onverschillige, ongeestelijke christendom. Allen echter die niet met het evangelie bereikt werden, krijgen dan de kans van hun leven. Allen in wie de hunkering is naar herstel, redding en heerlijkheid, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, krijgen dan de gelegenheid om aangedaan te worden met ‘kracht uit de hoogte.’ De getuigen gaan immers rond, weldoende en genezende allen, die door de duivel zijn overweldigd, want God is met hen (Hand.10:38). De tijd breekt aan dat de volheid van de heidenen zal binnengaan. De geschiedenis zal zich herhalen.

De volheid van de heidenen

Zoals eenmaal van Israël het koningschap werd weggenomen en aan anderen gegeven, zo gebeurt dit ook bij een afvallig naamchristendom. De voorhof en de stad worden prijsgegeven. In Romeinen 11:25,26 spreekt Paulus over de volheid van de heidenen, als hij het heeft over de toekomst van Israël. In de loop van de eeuwen stond dit volk buiten de genade en had het een bedekking op het hart (2 Cor.3:14,15). Het hoorde dus bij de onbereikbare buitenstaanders. Wanneer nu het ogenblik aanbreekt, dat de volheid – kwalitatief en kwantitatief – van de natiën de tempel van God binnengaat om daar als levende stenen te worden ingevoegd, zullen er ook veel Joden onder zijn. De grote menigte voor de troon komt immers uit álle volken. ‘Een gedeeltelijke verharding – er was ook een rest waartoe Paulus behoorde – is over Israël gekomen, totdat de volheid van de heidenen binnengaat en aldús (op deze wijze!), zal heel Israël behouden worden’ (Rom.11:26). Ook Israël zal deel krijgen aan de uitstorting van Gods Geest op alles (wat voor God leeft) in de laatste dagen, want de Verlosser is ook voor Israël gekomen en Hij heeft de goddeloosheden van huis van Jacob aan het kruis gedragen.

De geschiedenis herhaalt zich

De geschiedenis herhaalt zich: de weerspannigen zullen buiten staan, terwijl een ongelooflijk aantal buitenstaanders wordt toegevoegd door de boodschap van de getuigen van Christus. Wat een prachtig perspectief heeft de gemeente en wat een waardevolle taak wacht haar nog in de toekomst. Bij de opname van de gemeente keert het evangelie van Christus niet leeg terug, maar heeft het gedaan wat Hem behaagt en alles volbracht waartoe Hij het door middel van zijn volk heeft uitgezonden.

  • ’Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen’ (Rom.11:13).