Twee (maal) getuigen

  • ‘En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven en zij zullen, in rouwkleding gekleed, twaalfhonderdzestig dagen lang profeteren (Op.11:3)

Openbaring 11:1-14

Getuigen! Met dit woord wordt de gemeente in de eindtijd verbonden (Op.11). Een prachtige karakteristiek voor het volk van God. Niet alleen in de laatste dagen is dit woord van toepassing, maar altijd hebben opnieuw geboren kinderen van God geweten wat getuigen is. Getuigen is voor de meeste mensen: spreken over Jezus, vertellen dat er een weg tot behoud is. Dat is juist, maar er is nog een getuigen, dat eigenlijk nog belangrijker is, namelijk het ‘ergens getuige van zijn’. Vooral in de rechtspraak zijn getuigen belangrijk: mensen die ‘erbij zijn geweest’, die het zelf hebben gehoord of gezien. Men getuigt dan van iets waar men getuige van is geweest. Als we spreken over de gemeente als getuige, gaat het over de dubbele betekenis van het woord: mensen die getuigen (spreken) van iets waar ze getuige van zijn geweest. De eerste gemeente zag het belang hiervan in. Als ze de plaats van Judas willen opvullen, zoeken ze naar iemand, die er van het begin af aan ‘bij is geweest’ (Hand.1:21,22). Zó hoort het ook bij ons te zijn: mensen, die er van het begin af aan bij zijn geweest. Alleen met dit verschil, dat onze belevenissen niet in de zichtbare wereld liggen, maar in de onzichtbare wereld. Mensen, die een persoonlijke ontmoeting met de Heer hebben gehad, die weten wat vergeving is en rechtvaardiging, die de doop in Heilige Geest ‘lijfelijk’ hebben ondervonden. Mannen en vrouwen, jongeren en ouderen, die net als Johannes kunnen zeggen, dat ze het Levenswoord hebben gehoord, gezien en aangeraakt: zo dichtbij, zo reëel.

Getuigen is niet zonder risico

Getuigen is ‘spreken over’, jazeker, maar méér dan dat. Ik kan ook getuigen met mijn werken, mijn daden. Jezus zegt, dat ‘zijn werken van Hem getuigen’ (Joh.5:36). Nu blijkt getuigen geen eenvoudige zaak te zijn. Een heleboel mensen hebben het er knap moeilijk mee. Dat kan een kwestie van verlegenheid zijn of niet gewend zijn in het openbaar te spreken en wellicht zijn er nog wel een paar oorzaken aan te wijzen. Toch denk ik dat er nog andere redenen zijn. De meeste mensen vinden het namelijk niet moeilijk om anderen te vertellen wat ze allemaal hebben meegemaakt, tenminste zolang het over natuurlijke zaken gaat. De problemen komen pas als het over geestelijke zaken gaat. En dat is helemaal niet verwonderlijk. Je bent namelijk bezig met dingen, die niet alleen weerstand oproepen bij mensen, maar ook en vooral weerstand oproepen in de geestelijke wereld. Er is namelijk iemand, die helemaal niet blij is, dat wij iets hebben gezien en gehoord, iets hebben meegemaakt. En er nog over spreken ook, dat vráágt om moeilijkheden.

Jezus noemt de duivel en zijn trawanten, tegenstanders van God en mensen;  vijanden. Vijanden, die alles op alles zetten om ons weer in hun macht te krijgen. Niet voor niets schrijft Petrus, dat de duivel rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wie hij zal verslinden. Onderschat hem niet! Het is dus begrijpelijk, dat getuigen voor een heleboel mensen een moeilijke zaak is. Getuigen en lijden of vervolging zijn eigenlijk niet los te zien van elkaar, vooral in de eerste eeuwen van het christendom. Ik kan me goed voorstellen, dat de westerse wereld in die tijd het Griekse woord ‘martyr’ (dat getuigen betekent) overnam in de betekenis van ‘martelaar’. In die tijd waren de begrippen getuigen en martelaar identiek. Toch zien we in de geschiedenis dat kinderen van God hun mond niet gesloten hielden, ondanks de risico’s die er aan het getuigen waren verbonden. Het is ook moeilijk om te zwijgen, als je hart vol is van heerlijke en fijne dingen. Toch denk ik, dat dit ‘vol-zijn’ van het hart niet de enige reden is, dat christenen altijd getuigd hebben en ook nu nog volop getuigen. Wie getuigt van wat hij gehoord of gezien heeft, zal namelijk ervaren, dat zijn woorden resultaat hebben. In dubbele betekenis! Aan de ene kant zijn er mensen die zijn woorden dankbaar aannemen en ook Jezus gaan volgen, terwijl aan de andere kant zijn woorden macht bezitten om de tegenstand uit de weg te ruimen.

Vuurspuwers

In Openbaringen 11 lezen we namelijk dat men de getuigen, de gemeente dus, in de eindtijd schade wil toebrengen. De vijand, de brullende leeuw, probeert ze te verslinden. En als hem dat niet lukt, probeert hij ze schade toe te brengen. Hij doet dat rechtstreeks of hij gebruikt er mensen en situaties voor. Hij richt zijn aanvallen op hun bezit in de natuurlijke en in de geestelijke wereld. En wat doen de getuigen? Ophouden, dus zwijgen? Integendeel, ze gaan meer praten, ze openen nog meer hun mond. ‘Er komt vuur uit hun mond’, staat er ‘en het verslindt hun vijanden’. In de Bijbel is ‘wat uit de mond komt’ een beeld van woorden die men spreekt. Hier blijkt dus, dat het woord van de getuigen macht bezit. Macht in de geestelijke wereld. De strijd in de geestelijke wereld is in feite een ‘woordenstrijd’. Tot de tijd van Jezus kon geen mens een woord inbrengen tegen het geweld van de demonen van de duisternis. Jezus was de eerste mens wiens woord macht bezat. En dit is iets waar we allemaal naar verlangen. Verlangen naar die situatie zoals hier in Openbaringen 11 beschreven staat.

  • ‘En Ik zal Mijn twee getuigen macht geven en zij zullen, in rouwkleding gekleed, twaalfhonderdzestig dagen lang profeteren (Op.11:3)

Niet alleen maar in woorden

Eigenlijk is het niet helemaal juist om te zeggen, dat het in de geestelijke wereld om woorden gaat. Van belang is namelijk wié een woord spreekt. Het woord heeft macht, omdat de persoon die ze uitspreekt gezag bezit. Hoe komen we nu aan zo ‘n gezag, dat onze woorden macht bezitten? De geschiedenis in Openbaring 11 laat ons iets van de achtergrond zien, licht als het ware een tipje van de sluier op, waardoor we kunnen zien hoe de gemeente in de eindtijd zó ver is gekomen, dat haar woorden macht bezitten, dat er vuur uit hun mond komt.

Voorbeelden

In de enkele verzen van Openbaringen 11 waarin ons een beschrijving wordt gegeven van de twee getuigen, herkennen we enkele personen uit het oude verbond. Hoewel hun namen niet genoemd worden, is uit de voorbeelden die gebruikt worden op te maken over wie het gaat. Bij de twee olijfbomen en de twee kandelaars denken we ogenblikkelijk aan de periode in de geschiedenis van het volk Israël ná de Babylonische ballingschap. Een gedeelte van het volk was teruggekeerd naar het land Israël. Men begint de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Twee mannen waren voor die herbouw verantwoordelijk: Jozua en Zerubbabel. De een priester, de ander landvoogd, vertegenwoordigers van het volk Israël. Eerst gaat het heel voorspoedig met de herbouw van de tempel. Maar dan komt er tegenstand. Het volk laat zich door die tegenstand zo beïnvloeden, zo intimideren, dat de bouw op een gegeven moment helemaal stil komt te liggen. Jarenlang werd er niets aan de tempel gedaan. Het eigenaardige was, dat er vanaf die tijd eigenlijk niets meer lukte.

En dan gebeurt er iets van een kant, die je alleen maar bij het volk van God kan verwachten: twee profeten beginnen te spreken, Haggaï en Zacharia. En door hun woorden wordt de geest van Jozua, Zerubbabel en van het overblijfsel van het volk opgewekt (Haggaï 1:14) en enthousiast en met vereende krachten begint men weer aan de bouw van de tempel. Een van de zaken waar door de sprekers van God de nadruk op wordt gelegd – door middel van het gezicht van de twee olijfbomen en de twee kandelaren – is, dat het werk maar op één manier kan lukken: niet door kracht noch door geweld, maar door de Geest van de Heer (Zacharia 4:6). De gemeente in de eindtijd, die ook herbouwer van de tempel is – maar dan in de geestelijke wereld – heeft dit woord ter harte genomen: ‘door Mijn Geest’. Vol van de Heilige Geest betekent dat er vuur en macht aan onze woorden wordt gegeven. Een doop in Heilige Geest, die niet maar een ervaring is, maar waardoor wij dagelijks met de Geest van God getuigen, dat we kinderen van God zijn (Rom.7:16).

Een mens zoals wij

Als we in Openbaring 11 lezen, dat de getuigen macht hebben om de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt, denken we ogenblikkelijk aan Elia. Deze man Gods leefde in de tijd van de goddeloze koning Achab. Hij zei, dat er geen dauw of regen zou zijn ‘tenzij op mijn woord’ (die geschiedenis leest u in 1 Koningen 17 en 18). Wat was nu het geheim van Elia? Eigenlijk heel simpel: hij bad (Jak.5:17,18). Bidden is een van de belangrijkste dingen in het leven van een kind van God. Bidden is vragen, stil zijn, luisteren, aanbidden, strijden tegen de demonen van de duisternis, volhouden, doorgaan, geloven, kortom bezig zijn in de hemelse gewesten. Als wij als individu en als gemeente macht willen uitoefenen over het rijk der duisternis, zullen we moeten weten wat bidden is, niet zozeer in theorie, maar vooral in de praktijk. De twee getuigen hebben ‘macht over de wateren en macht om de aarde te slaan met allerlei plagen’. Hierbij moeten we een heel eind terug in de geschiedenis van het volk Israël. Dan komen we terecht bij Mozes. Hij had macht over de wateren en over het land Egypte. En waar lag die macht in? In zijn staf!

Als Mozes God ontmoet in en bij het brandende braambos in de woestijn en God zijn plannen aan hem bekend maakt en hem zijn Woord geeft, maakt Mozes allerlei tegenwerpingen. Op een gegeven moment zegt de Heer tot Mozes (Ex.4:2): ‘Wat heb je in je hand?’ Ik kan me voorstellen, dat Mozes enigszins verwonderd reageerde op deze vraag: een staf, meer niet. De staf is een beeld van het woord: Eigenlijk meer, niet zomaar een woord, maar een woord verbonden aan en voortkomend uit een persoon. Met nieuwtestamentische woorden zouden we zeggen, woorden, die vlees en bloed zijn geworden, die verbonden zijn met onze geest en met ons geloof. God zegt als het ware tot Mozes, wat bezit je nou aan woorden, geloof en geesteskracht? God vraagt niet hoevéél hij bezit, maar wát hij bezit. En ga daar nu mee werken, gebruik dat nu. God geeft ons zijn Woord. Als wij die woorden geloven en overnemen, de dingen bedenken die van boven zijn, als het vlees en bloed wordt in ons leven, bezitten we wat, dan hebben we een vermogen. En de vraag is niet hoe gróót dat vermogen is, maar of we het gebruiken. Geesteskracht, gebed en geestelijk bezit. De gemeente in de eindtijd zal daarmee leren werken, volhardend, geduldig, gelovend. En het resultaat is dat ze macht bezitten, dat er vuur uit hun mond komt.

Zo vaak zij willen

Er is nog een ding wat we niet moeten vergeten. Er staat van de getuigen uit de eindtijd, dat zij hun macht uitoefenden ‘zo dikwijls zij willen’. Dat lijkt een beetje op willekeur of afhankelijk van wanneer zij zin hebben. Dat is echter niet de betekenis van deze woorden. ‘Willen’ wil zeggen: je wil inzetten. Het gaat in het Koninkrijk der hemelen niet buiten onze wil en buiten onze inzet om. Niet voor niets worden we in de bijbel regelmatig aangespoord, gemaand om ‘de dingen te zoeken die boven zijn’, ‘vestig uw aandacht op Hem’, ‘hoor naar Hem’, ‘probeer te verstaan wat de wil van de Heer is’. Geloven en leven als kind van God is een actieve zaak. Niet in de eerste plaats activiteiten in de zichtbare wereld (die komen vanzelf wel) maar actief-zijn in de hemelse gewesten. Openbaring 11 schetst ons een geweldig toekomstbeeld van de gemeente, zo wordt het. Wilt u het?