5. Vervloeking van Kanaän

Inzicht vereist

De naam Noach staat in verband met het werkwoord ‘nachom’ dat troosten betekent. Bij zijn geboorte profeteerde zijn vader Lamech: ‘Deze zoon, zal ons troost geven voor het werken en zwoegen dat ons deel is omdat de Heer het akkerland heeft vervloekt’, m.a.w. heeft overgegeven aan de machten van de duisternis (Gen.5:29). Toen de aarde vol geweld was, werd zij gegeven aan de geweldgeesten, die de zondvloed veroorzaakten. De mens had wel de opdracht vervuld om zich te vermenigvuldigen en de aarde te onderwerpen, maar tegelijkertijd was hij door de duivel voor Gods plan onbruikbaar gemaakt. Hij was ‘afgeweken’ en ‘nutteloos’ geworden, dus ongeschikt om aangesteld te worden over al de werken van Gods handen, dus ook over die in de onzienlijke wereld. Hij had net als de duivel zijn wijsheid verloren, zodat hij niet kon heersen zoals het hoorde. Voor het doel van God om hem tot een volmaakt geestelijk mens te maken had hij geen begrip: hij at, dronk, nam en gaf ten huwelijk en leefde louter in de natuurlijke wereld. Hij dacht er niet aan om kennis en inzicht te verzamelen in de geestelijke wereld om zo met God te regeren.

Door Noach was de Allerhoogste als het ware nog maar met een zijden draadje aan de mens verbonden. Hij nam het risico om slechts door één man de wereld te redden, zoals het later een ‘waagstuk’ zou zijn de nieuwe schepping door middel van een kindje in de kribbe voort te brengen. Zo wordt in Noach en later in Christus het geloof van God Zelf duidelijk openbaar. Hij heeft in Zichzelf en in zijn schepping een absoluut vertrouwen en speciaal van de mens kan worden gezegd, dat deze ‘zeer goed’ werd geschapen. Daarom wil God nog steeds met de geest van de mens gemeenschap hebben, want ‘Gods woonplaats is onder de mensen’ (Op.21:3). Niet alleen de regenboog was een bemoediging en een belofte van een beter verbond, maar ook waarschuwing van God aan Noach is vol troost. De Geest van Christus, de Trooster in het nieuwe verbond, was in hem en daarom kunnen alleen de gelovigen in onze tijdsperiode, in wie deze zelfde Geest woont, de profetie van Noach begrijpen. Zijn profetie luidde:

  • ‘Vervloekt zij Kanaän, knecht van zijn broers zal Kanaän zijn, de minste van alle knechten. Geprezen zij de Heer, de God van Sem; knecht van Sem zal Kanaän zijn. Moge God ruimte geven aan Jafeth, hem laten wonen in de tenten van Sem; knecht van Jafeth zal Kanaän zijn’ (Gen.9:25-27).

Met de kennis van het eeuwige evangelie kunnen wij er niet mee tevreden zijn de atlas van de volken alleen te zien als een overzicht van de woonplaatsen van Japhetieten, Semieten en Chammieten. In de natuurlijke wereld zijn er geen volken die wij zouden discrimineren, omdat zij onder een bepaalde vloek zouden liggen. Ook kennen wij geen volk meer, dat door haar ras en afkomst met een bepaalde zegen zou zijn verbonden. Zelfs niet de joden in het land Israël, al worden wij geminacht door de aardse Israëlaanbidders. Paulus onderscheidde voor zijn tijd de volkenwereld heel simpel in Griek en Jood, barbaar en Scyth. De zonen van Noach representeren voor ons de geslachten, die zich in de hemelse gewesten bewegen. Om een voorbeeld te noemen: het volk Israël was een tijdlang verbonden met de zegen van de Allerhoogste, want het was verkozen uit het geslacht van Sem, een woord dat ‘naam’ betekent. Het moest immers de naam van de Heer op aarde bewaren!

God schonk aan Abraham veel rijke beloften, die doorgegeven werden aan Izak en Jacob. Het nageslacht van Hagar, dat van de Arabieren, kreeg echter ook een zegen, net zoals de kinderen van Ketura (Gen.25:1-6). Abraham was vader van veel volken. Met elkaar zouden zij een gebied bewonen, dat zich zou uitstrekken tussen de rivier van Egypte en de Eufraat (Gen.15:18). Dit stemt wel overeen met de huidige situatie. Uit Israël werd echter de Christus geboren, die de vertegenwoordiger is van een nieuw volk, dat naar de inwendige mens overgeplaatst is in de hemelse gewesten, die de ware tenten van Sem vormen. Daarom spreken wij van een geestelijk Israël. Het natuurlijk volk is hierdoor een schaduw geworden van het geestelijk Israël. De Bijbel zegt immers dat het zichtbare of natuurlijke, vergankelijk is en tijdelijk maar het onzichtbare onvergankelijk en eeuwig. Om van het geestelijk Israël te zijn hoeft men niet tot het Joodse volk te horen. De Heer verzamelt immers zijn uitverkorenen uit alle windstreken, stammen, volken en talen.

De gééstelijke afstamming

Wij ontkennen ook niet dat er in de natuurlijke wereld afstammelingen zijn van Jafeth en Cham. Hun verdeling op aarde is echter onzeker en voor de Bijbellezer van weinig belang. Ze zijn echter een schaduw van onzienlijke geslachten, die geleid en geïnspireerd worden door de geestenwereld. Zo is er bijvoorbeeld nu nog een Kaïns geslacht onder de mensen, hoewel de natuurlijke nakomelingen van deze oudste zoon van Adam met de zondvloed zijn omgekomen. Men hoort daarbij als men de geest bezit, die het op de ondergang van de rechtvaardigen heeft gemunt. Jezus sprak over het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige tot het bloed van Zacharia. Hij voegde eraan toe: ‘Op deze generatie zal dit alles neerkomen’ (Matth.23:35,36). Er is dus een vervloekt geslacht dat de geestelijke signatuur heeft van Kaïn. Daarom geloven wij niet dat met deze uitspraak het natuurlijke geslacht van de Joden wordt bedoeld. Tot dit vervloekte geslacht hoorde bijvoorbeeld Kajafas maar zeker niet Nicodémus. Ditzelfde vervloekte geslacht vindt men ook in de kerkgeschiedenis terug bij allen die het ware volk van God hebben vervolgd en vermoord.

Van de Chammieten kan gezegd worden dat zij geestelijke nudisten zijn, want deze zoon van Noach vermaakte zich immers met de naaktheid van zijn vader. Het laatste Bijbelboek waarschuwt tegen deze uiterste goddeloosheid met de woorden: ‘Gelukkig is wie wakker blijft en zijn kleren aanhoudt: hij hoeft niet naakt rond te lopen en zich voor iedereen te schamen’ (Op.16:15). Wie opzettelijk zijn naaktheid toont en wie in zijn hartstocht daardoor laat opwinden, is schaamteloos. In de geestelijke wereld betekent dit dat zulke mensen gemeenschap willen hebben met de boze geesten. Zij vertikken het om de mantel van de gerechtigheid te dragen, waarmee de Heer allen bekleedt die bij Hem horen. Denk aan de bewoners van Sodom en Gomorra, nakomelingen van Cham, van wie geschreven staat dat zij schaamteloos met hun zonden pronkten (Jes.3:9).

De Japhetieten vormen de grote massa. Jafeth beteken immers ‘uitbreiding’ of ‘ruimte maken’. Volgens Unger’s Bible Dictionary was hij de oudste zoon van Noach. Daarom begint de volkenlijst in Genesis 10 met de zonen van Jafeth. In de ‘King James version’ staat in vers 21 van dit hoofdstuk: ‘Sem, de vader van alle zonen van Heber, de broeder van Jafeth, de oudste’. Hetzelfde staat in de Septuaginta. De Japhetieten in geestelijke zin hebben geen verlangen om met demonen in contact te komen. Ze zijn natuurlijke mensen die weinig geestelijke bindingen hebben. De apostel schreef over hen, dat zij van nature doen wat de wet gebiedt. Hoewel zij geen geschreven wet hebben, zijn er nog wetten van God in hun harten geschreven en hun werken bevestigen dit (Rom.2:14,15).

De zonde van Kanaän

Kanaän was de jongste van de vier zonen van Cham. Als we er rekening mee houden dat in de ark geen kleinkinderen van Noach waren, moet Kanaän nog zeer jong zijn geweest, toen Noach over hem een vervloeking uitsprak. Hij werd echter niet aan de demonen gegeven vanwege de zonde van Cham, maar om zijn eigen kwaad. Een zoon zal immers niet de ongerechtigheid van zijn vader dragen, maar ieder mens is persoonlijk verantwoordelijk voor zijn daden staat er in Ezechiël 18. Noach was echter een profeet en hij keek in de toekomst. Hij sprak niet alleen over de ‘voor ons bedoelde genade’ dat wij zouden wonen in Sems tenten, maar ook over de vijanden van het rijk van God. Een deel van de mensheid zou op gruwelijke wijze met de boze geesten verbonden zijn.

Kanaän is afgeleid van ‘Kanoä’ dat vernederen betekent. Deze zoon van Cham was verbonden met het lage. Niet dat in natuurlijke zin Kanaän laagland zou betekenen, maar hij zou de ‘allerlaagste slaaf’ zijn voor zijn broers, een slaaf van slaven, wat een Bijbels superlatief is. In het midden van de volken is Cham de diepst gezonken slaaf van de zonde. Jezus sprak tot de Joden:

  • ‘Ik zeg u, iedereen die de zonde doet, is een slaaf van de zonde’ (Joh.8:34).

Kanaän is een vervloekte, omdat hij de maat van zijn vader vol maakte (Matth. 23:32). In hem en in zijn geestelijk nakomelingschap zouden de machten van het voorgeslacht op een verschrikkelijke manier huishouden. Kanaän en zijn geslacht wordt daarom de grote vijand van Sem en van het volk Israël aan wie de Heer in het bijzonder zijn belofte had geschonken. Het is opmerkelijk dat Cham niet werd vervloekt, maar was Noach zelf niet de aanleiding geweest tot zijn oplaaiende hartstocht? Wat was nu de kernzonde van Kanaän ten opzichte van de God van de hemelen?

Het antwoord is dat hij ging wonen op de grond van de Heer (Jes.14:2). Toen de Allerhoogste in de dagen van Péleg, de kleinzoon van Sem, de volken van elkaar begon te scheiden, had Hij de grenzen van hen vastgesteld naar het aantal van de zonen van God, de wereldleiders van deze duisternis (Gen.10:25 en Deut.32:8,9). Deze onderling verdeelde grootvorsten stonden allen onder het geweld en het gezag van de overste van deze wereld, de satan. Slechts een klein gebied had God voor zichzelf gereserveerd, namelijk het beloofde land dat Hij aan Abraham en zijn nageslacht had toegewezen. Hij sprak tot Jacob: ‘Ik zal jou Kanaän geven, dat land wordt je onvervreemdbaar bezit’ (Ps.105:11). De goden van de volken, de wereldleiders, waren aanwezig geweest ‘op de plaats waar gezegd was: U bent mijn volk en u bent mijn volk niet’ (Rom.9:26). Zij kenden Gods raad ten aanzien van Israël en het zijn in het bijzonder de afvallige hemelvorsten van de Kanaänieten, die Gods volk probeerden tegen te houden om zijn rechtmatig erfdeel in bezit te nemen.

Demonische bezetting van Gods erfdeel op aarde

Vanuit de geslachtsregisters kan men opmaken dat ongeveer 200 jaar na de spraakverwarring – dus het tijdstip dat de Allerhoogste de volken scheidde – de nazaten van Kanaän al in het beloofde land woonden, ja, dit droeg zelfs de naam van de vervloekte afstammeling van Cham. Van Abraham en Lot wordt gezegd: ‘Zo gingen ze op weg naar Kanaän. In die tijd werd het land bewoond door de Kanaänieten’ (Gen.12:5,6). Zij waren daar niet toevallig gekomen, maar waren naar Kanaän geleid door hun hemelvorsten. Een voorbeeld hoe een later nazaat van Cham op dezelfde manier geleid werd, vinden we in Ezechiël 21:18-23. Wanneer de koning van Babel in zijn veroveringsoorlogen optrekt naar het westen, aarzelt hij of hij naar Rabba Ammon zal optrekken of naar Jeruzalem:

  • ‘Hij zal uitkomen bij twee wegen waarlangs het zwaard van de koning van Babylonië kan gaan. Beide wegen komen uit hetzelfde land. Maak aan het begin van de twee wegen, die beide naar een stad leiden, een open plek. Langs de ene weg gaat het zwaard naar Rabba in Ammon, langs de andere naar het versterkte Jeruzalem in Juda.’

Op de splitsing van de weg, aan het begin van de twee wegen, staat de koning van Babylonië en hij vraagt om een teken:

  • ‘Hij schudt de pijlen, hij raadpleegt zijn godenbeeldjes, hij bekijkt de lever. Rechts ligt het lot van Jeruzalem. Hij zal de stad met stormrammen aanvallen, hij zal zijn mond openen in een strijdkreet’.

Bij de verdeling van de volken lagen alle windstreken voor de afstammelingen van Kanaän open, maar ook zij raadpleegden bij hun keuze de waarzeggers. Deze namen pijlen met namen van wind- en landstreken erop, uit de pijlkoker. De lever van offerdieren werd bestudeerd en de huisgoden, of de sterren die bij uitstek de vorsten van de hemel voorstelden, geraadpleegd (Deut.4:19). Hoe totaal anders trok Abraham later weg. Deze luisterde rechtstreeks naar de stem van God die tot zijn hart sprak. Zo staat er:

  • ‘Door zijn geloof ging Abraham, toen hij geroepen werd, gehoorzaam op weg naar een plaats die hij in bezit zou krijgen en hij ging op weg zonder te weten waarheen’ (Hebr.11:8).

Hoe leefde Kanaän op de grond van de Heer?

Met de komst van Abraham begint de strijd tussen ‘de God van de voorvaders’ en ‘de goden van de volken’ om het bezit van het erfdeel van de Heer (Ex.3:6 en Jes.36:18). De aartsvader ontving in Kanaän een nieuwe verzekering dat dit land eigendom van zijn nageslacht zou worden. Dit gebeurde uitgerekend bij Sichem onder de forse terebint Moré, een woord dat onderwijzer of waarzegger betekent. Op deze ‘plek’ kwamen de inwoners van Sichem bijeen om onder het ruisende bladerdak de orakels te beluisteren van hun goden. Met dit soort bomen stond het land vol. De zonde van de Kanaänieten nam echter steeds gruwelijker vormen aan. In de geschiedenis van Abraham lezen we nergens van een Baälsdienst maar ruim 400 jaar later is de maat van de ongerechtigheden van de Amorieten vol (Gen.15:16). De Amorieten zijn synoniem voor Kanaänieten, zoals bij ons bijvoorbeeld iemand uit Limburg ook Hollander kan worden genoemd. In Genesis 15 wordt verteld dat de Heer met Abraham een verbond sluit. Wanneer deze de stukken van het offer neergelegd heeft, komen grote roofvogels erop af om zich ervan meester te maken. Deze aasgieren zijn beeld van de wereldleiders van deze duisternis, die zich op het erfdeel van Abraham zouden storten, maar door de gelovige patriarch worden afgeslagen.

In de tijd van Jozua waren er – in tegenstelling met de tijd waarin Abraham leefde – veel steden met hoge vestingmuren (Num.13:28). Deze wezen erop dat er van een gevestigde orde geen sprake was. We kunnen de situatie daar vergelijken met de middeleeuwse toestanden in eigen land, waar ridders en steden onderling oorlogjes voerden en dikke muren bescherming boden. Er zijn veel afvallige hemelvorsten geweest, die zich als aasgieren op het beloofde land wierpen, zoals uit de geschiedenis van het volk Israël in Palestina en uit de woorden van de profeten blijkt. Iedere stad had zijn eigen baäl. Baäl betekent ‘heer’ of ‘bezitter’, een gewone naam voor god bij de Feniciërs. Denk bijvoorbeeld aan de beroemde Carthaagse of Fenisische veldheer Hannibal, zijn naam betekent ‘geschenk van Baäl’, zoals Johannes ‘geschenk van Jahweh’ is. We lezen van Baäl Berith, de verbonds-Baäl van enkele steden, waaronder Sichem; van Baäl Zebub die in de Filistijnse stad Ekron werd gediend. Hij werd beschouwd als de voortbrenger van de vliegen en ook degene die men moest aanroepen om deze plaag te bestrijden. De Farizeeën noemden hem later de ‘overste van de demonen’ (Matth.12:24). Onze Heer ontkende de beschuldiging dat hij de duivelen uitwierp door de kracht van Beëlzebub, of met een variant van dit woord ‘Beëlzebul’, dat is heer van de (hemelse) woning (Luc.11:19-23).

Onzedelijkheden en kinderoffers

Wanneer de profeten spreken over het ‘overspel plegen’ van de Baäls, moet dit niet alleen in geestelijke zin worden opgevat als trouwbreuk aan Jahweh, maar ook als een zwelgen in onzedelijkheid, die kenmerkend was voor het Kanaänitische, religieuze leven. Schreef de profeet niet over een afvallig volk: ‘Maar op elke hoge heuvel, onder elke bladerrijke boom, lag je als een hoer te wachten’ (Jer.2:20). De afgodendienst nam in het bijzonder aanstotende vormen aan door de travestie, waarbij mannen als vrouwen gekleed gingen en andersom. Ongetwijfeld heeft Mozes in zijn wetgeving hieraan gedacht toen hij het voorschrift gaf:

  • ‘Een vrouw mag geen kleren en attributen van een man dragen en een man mag geen vrouwenkleren dragen. Want de Heer verafschuwt ieder die zulke dingen doet’ (Deut.22:5). In dit verband diende men ook vrouwelijke Baäls die met een baard werden afgebeeld.

In tijden van nood wilde Baäl ook dat er kinderoffers gebracht werden. De profeet klaagde: ‘Zij hebben de hoogten van Baäl gebouwd om hun kinderen als brandoffers voor de Baäl met vuur te verbranden’ (Jer.19:5). Met de dienst van Baäl was die van Astarte verbonden, een godin die het passieve principe van de vruchtbaarheid voorstelde, zoals Baäl het actieve. Haar schandedienst was vermengd met allerlei tegennatuurlijke zonden.

Het is wel opvallend dat de dienst van de ware God in tegenstelling met de heidense religies, geen vrouwelijke variaties of godinnen kent. Het feminisme in onze tijd, dat de natuurlijke verschillen tussen man en vrouw niet meer accepteert, wil ook de begrippen Vader en Zoon ombuigen. Het grijpt daarmee terug naar het diepst gezonken heidendom. Het mindere volk in Kanaän diende verder de geesten bij de huizen en waterbronnen, bij bomen en stenen. Zo is er in Richteren 9:37 sprake van de ‘waarzeggersterebint’.

Is er een hemels Kanaän?

Tevergeefs zal men in het Nieuwe Testament naar een hemels Kanaän zoeken of naar een beter Palestina. Het geestelijk volk Israël in het Koninkrijk der hemelen wordt niet in verband gebracht met de vervloekte naam van Kanaän of met die van de Filistijnen, die ook Chammieten waren. Wel wordt de naam van Jeruzalem overgenomen, omdat daar de residentie was van de priesterkroning Melchizédek, een dienaar ‘van de allerhoogste God’.

Wanneer een bekend lied zegt: ‘Ik woon in Kanaän, het land van vrede en zielsgenot’, klopt dit niet met de geestelijke realiteit. Wel is het zo dat in onze tijdsperiode de hemelse gewesten nog veel gevallen engelen tellen, die daar onrechtmatig verblijven. Zij houden daar ‘de eigen grond’ van Gods uitverkoren volk bezet. Zij wonen er illegaal. Daarom moet de gemeente van Jezus Christus met hulp van de dienende engelen de boze geesten verdrijven, onder wie ook de wereldleiders van deze duisternis.

Het vrederijk komt nooit, als de gemeente niet haar opdracht uitvoert om ‘te worstelen tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). En de geopenbaarde zonen van God zullen deze strijd winnen! De tijd van de schaduwen is voorbij en we zullen zien dat zelfs voor de nakomelingen van Cham, de verschrikkelijke zondaars tegen de wetten van God, door onze Heer de weg geopend is om hen op rechtmatige wijze in de tenten van Sem te brengen die in de hemelen zijn.