3. Leiders van de duisternis

Kosmokratopas’

In Efeziërs 6:12 wordt gesproken over de ‘kosmokratopas’ of ‘wereldleiders’ die vanuit de onzienlijke wereld over landen en volken macht uitoefenen. We denken hierbij als voorbeeld aan ‘de vorst van Perzië’ en ‘de vorst van Griekenland’, die in Daniël 10:13,20 worden genoemd. Uit die tekst blijkt dat deze engelenvorsten in het bijzonder vijandig staan tegenover ‘de zwakke en arme wereldgeesten’, die de samenbundeling vormen van de leiders onder de menselijke geesten, die het goede nog willen zoeken voor het volk. Zoals er in de geestelijke wereld troonengelen, overheden en wereldleiders zijn, zo vinden we eenzelfde hiërarchisch systeem bij de menselijke geesten. Er zijn rangen en standen: koning – volk, overheid – onderdaan, ouders – kinderen, heer – knecht. Samen vormen zij het maatschappelijk bestel. Deze ordenende en regerende ‘wereldgeesten’ maken het leven op aarde mogelijk. Deze gezagsverhoudingen zijn door God verordend. Dit betekent niet dat de gezagsdragers rechtstreeks door Hem zouden zijn aangesteld, maar de Allerhoogste heeft in de menselijke geest het autoriteitsbegrip gelegd, zodat de ‘wereldgeesten’ in onderlinge verbondenheid en orde zouden functioneren.

De wet van de Sinaï

De wet van de Sinaï maakte ook gebruik van zo’n orde en daarom wordt zij in verband gebracht met de ‘wereldgeesten’ (Gal.4:3,9 en Col.2:8,20). De Bijbel noemt ze zwak en arm, omdat deze menselijke geesten zonder kracht van Gods Heilige Geest het moeten afleggen tegen de ontbindende, wetteloze machten uit het rijk van de duisternis. Zij kunnen wel enige weerstand bieden en hun gezag handhaven door natuurlijke middelen en straffen, maar het kwaad overwinnen en uitroeien kunnen zij niet. Uiteindelijk zijn ze ook niet ingesteld om de rechtstreekse machtsexplosies van het rijk van de duisternis te weerstaan.

De wetteloze ‘wereldleiders’ staan vijandig tegenover de wereldgeesten, die nog goede wetten, regels en voorschriften handhaven. De ‘wereldleiders’ zijn na de zondvloed naar ‘beneden’ gehaald door de torenbouwers, de geweldenaars die met geweld het Koninkrijk der hemelen binnendrongen. Zo ziet men ook in onze tijd dat de regeerders wel het goede zoeken en de vrede willen, maar vaak een speelbal zijn van deze ontwrichtende machten, die de orde en de vrede wegnemen. In het visioen van Daniël over de toekomst van Israël, snelde Michaël, de vorst die dit volk bij stond, te hulp, om het wetteloze oorlogsgeweld van deze wereldbeheerser van Perzië te keren. Wie zou in onze tijd deze ‘vorst van Perzië’ – of zoals deze zich vandaag manifesteert – kunnen tegenhouden?

Geen strijd tegen vlees en bloed

Wanneer de overheid niet door de ‘wereldleiders van deze duisternis’ wordt gedemoniseerd, is zij met recht een natuurlijke instelling van God, waaraan ieder mens zich hoort te onderwerpen (Rom.13:1). De apostel zegt duidelijk ‘dat wij niet te worstelen hebben tegen bloed en vlees, maar tegen de wereldleiders van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’ (Ef.6:12). Voor hen die hun plaats in de hemelse gewesten ingenomen hebben, is het zelfs mogelijk dit gebed te versterken door zich in talen van engelen tot deze wereldleiders te richten. Jezus zei immers dat wij macht zouden hebben ‘over het hele leger’ van de vijand. Het spreken in vreemde talen blijkt dan niet alleen een teken voor ongelovige mensen maar ook voor ongelovige engelen te zijn, die voor het eerst in de geschiedenis merken dat mensen zich kunnen verheffen, hen kunnen aanvallen met woorden van gezag.

Paulus schilderde ons de manier van oorlogvoering tussen de heiligen in het licht en de onzienlijke rebellen die zich tegen God hebben gekeerd. Zelf vergeleek hij zich met een kampvechter, die de machten van de duisternis met de wapens van het licht bestreed. Tijdens dit worstelen raadde hij zijn lezers aan om daarbij te bidden in (de) geest, waarbij wij ook denken aan het spreken in vreemde talen, waardoor wij kunnen loven en danken en tot God spreken, maar ook de boze geesten kunnen weerstaan en verdrijven. Jezus zei immers: ‘In mijn naam zullen zij boze geesten uitbannen, nieuwe talen zullen zij spreken’ (Marc.16:17 vert. Brouwer). De kracht van dit bidden ligt in het feit, dat de Heilige Geest door ons heen Zich rechtstreeks in hun eigen taal tot de wereldleiders van deze duisternis richt. Hoe lang zal de macht van de wereldgeesten, waarvan Paulus in 2 Thessalonicenzen 2:7 schrijft dat ze verwijderd zal worden, nog kunnen standhouden?

‘Vorsten van deze duisternis’

De titel van de ‘vorsten’ van de volken, namelijk die van wereldleiders, was in de oudheid een eretitel van de goden. Daarom voegde Paulus er veelbetekenend ‘van deze duisternis’ aan toe. Als deze machten zich bovendien als goden laten aanroepen en aanbidden, dan ziet men – als gevolg hiervan – dat er geen vrijheid van godsdienst meer is en de kinderen van God onderdrukt worden. Deze grote machthebbers staan weer boven de kleinere streekgeesten, die onder dwang de mens in hun systeem en traditie proberen te krijgen, zodat hij zijn geestelijke vrijheid kwijtraakt. Allen zijn ze ondergeschikt aan de ‘overste van deze wereld’ of ‘god van deze eeuw’.

Wij wijzen erop dat de wereldleiders van deze duisternis, dus die van de grootvorsten met wie wij te maken hebben en die om ons zijn, niet alleen de overheidspersonen proberen te beïnvloeden, te verleiden of te pressen, maar ook zeer vijandig staan tegenover het volk van God, dat zich opstelt in gerechtigheid en waarheid en daarin volhardt. Denk maar aan de vorsten van Perzië en Griekenland in Daniël 10.

Paulus schreef in 1 Corinthiërs 2:8 dat ‘de beheersers van deze eeuw’ de Romeinse en Joodse overheden zo onder druk hadden gezet, dat zij de Heer van de heerlijkheid kruisigden. Deze hemelvorsten dachten dat zij Jezus wel op aarde konden elimineren en daarmee voorgoed uitschakelen, maar dat Hij door zijn sterven de hoogste vorst in de hemelse gewesten zou worden, namelijk de Koning van de koningen en de Heer van de heren, wisten zij niet. Door deze misrekening kan de opgestane en levende Heer zich nu veel onderdanen verzamelen in het hemelse Jeruzalem. Is het een wonder dat tijdens het proces tegen Jezus, de vrouw van Pilatus haar man een boodschap zond: ‘Laat je niet in met die rechtvaardige! Om hem heb ik namelijk vannacht in een droom veel moeten doorstaan’? In een droom was haar geopenbaard wat er werkelijk aan de hand was en zij wilde haar man weerhouden in deze duistere zaak de verkeerde kant te kiezen. Haar waarschuwing was niet helemaal tevergeefs, want voor de ogen van het hele volk waste Pilatus zijn handen en distantieerde hij zich van zijn medeplichtigheid met de woorden: ‘Ik ben onschuldig aan de dood van deze man. Zie het zelf maar op te lossen’ (Matth.27:19,24).

Een engel van satan

Ook de apostel Paulus had met zo’n wereldbeheerser van deze eeuw te maken, met een engel van satan, de overste van deze wereld. Tijdens zijn bekendmaking van het evangelie bezorgde deze grootvorst hem moeiten, gevangenschappen, geselingen, steniging en gevaren door volksgenoten, door heidenen, in steden, in woestijnen en op zee. Door inspiratie van de Heilige Geest voorspelde Paulus dat eenmaal de zwakke en arme wereldgeesten, die zich nu nog kunnen verzetten tegen de wetteloze wereldleiders van deze duisternis, de strijd zullen moeten opgeven. Wij zien dit in onze tijd zich duidelijk afspelen. ‘Hoewel in het verborgene – een woord dat de onzienlijke wereld betreft – de wetteloosheid nu al werkzaam is, moet eerst degene die hem tegenhoudt – de zwakke en arme wereldgeesten – verdwijnen. Pas dan verschijnt hij – de antichrist – en dan zal de Heer Jezus hem doden met de adem van zijn mond en vernietigen door de aanblik van zijn komst’ (2 Thess.2:7,8). Wanneer de wereldgeesten wankelen, omdat zij het moeten afleggen tegen de wereldleiders van deze duisternis – de elkaar bestrijdende vorsten van de hemel – wordt waar wat in Jesaja 3:1-5 staat:

  • ‘Voorwaar, God, de Heer van de hemelse machten, ontneemt Jeruzalem en Juda hun stut en steun: alle steun van brood en water; van krijgsheld en soldaat, rechter en profeet, waarzegger en oudste, bevelhebber, man van aanzien en raadsheer, tovenaar en bezweerder. Hij stelt kinderen als koning aan, willekeur zal er regeren. De mensen zullen elkaar verdringen, man tegen man, de een tegen de ander; een kind staat op tegen zijn ouders, een nietsnut tegen een man van eer’.

De tijd breekt aan dat elke gezagdrager in kerk, staat en maatschappij opzij wordt gezet zodat een bandeloze jeugd en anarchistische massa een gezagsvacuüm doen ontstaan, waarin de wetteloze antichrist als hogepriester van het rijk van de duisternis zal inspringen. Hij zal een tempeltoren bouwen – een gemeente die naar hem en het beest vernoemd zal worden – waarvan de top tot de hemel reikt en hij zal zich een naam maken, zodat men niet over de hele wereld verstrooid wordt. Hij zal immers de geestelijke verwarring wegnemen, want: ‘Ook kreeg het macht over alle landen en volken, over mensen van elke stam en taal. Alle mensen die op aarde leven zullen het beest aanbidden, iedereen van wie de naam niet vanaf het begin van de wereld in het boek van het leven staat, het boek van het Lam dat geslacht is’ (Op.13:7,8).

De volkenlijst

Ook voor de volkenlijst in Genesis 10 geldt, dat de profeet Mozes over de genade die voor ons bestemd is heeft gesproken. Hij openbaarde dingen die ons evangelie betreffen waarin zelfs engelen begeren een blik te slaan. Voor de opsomming van namen gelden de woorden van Bilderdijk: ‘In ‘t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal’.

Wie de verdeling van de volken op natuurlijke wijze wil toepassen en daartoe een Bijbels atlasje raadpleegt, komt bedrogen uit. Zo komt bijvoorbeeld in de lijst geen enkel negervolk voor, om maar niet te spreken over Indianen of Eskimo’s. De bekende Bijbelhistoricus D.J. Baarslag merkte bij de volkenlijst onder meer op:

  • ‘Men wist dat volgens Genesis 9 op Cham’s nageslacht een vloek was gelegd en omdat de negers nu eenmaal wreed werden getroffen door allerlei slavernij, concludeerde men daaruit (omgekeerd dus) dat de negers zonen van Cham moesten zijn; ja, men heeft zelfs wel geprobeerd daarmee negerslavernij goed te spreken. Met evenveel recht of onrecht zou men kunnen beweren, dat iemand die door huiduitslag wordt geteisterd, van Gehazi moet afstammen wegens de vreselijke vloek door de profeet Eliza op de hebzuchtige dienaar gelegd. Voor de samensteller van Genesis 10 golden heel andere regels bij het opstellen van zijn overzicht dan voor de moderne wetenschap en ons spraakgebruik. Hij heeft onder de gevloekte naam ‘Cham’ eenvoudig alles bijeen vergaard wat hem bij uitstek vloekwaardig leek onder de volken, alles wat hij meende te moeten personifiëren als voor God vijandige machten’.

Opvallend is ook dat in de volkenlijst de naam Israël ontbreekt. Misschien dat Mozes het volk van God niet wilde samenvoegen met andere volken. De hemelvorst van Israël, Michaël de aartsengel, had immers ook geen gemeenschap met de wereldleiders van deze duisternis!

Eerder vermeldden wij al de naam Nimrod met het ogenschijnlijk onbetekenende commentaar dat hij een geweldig jager voor het aangezicht van de Heer was. Deze opmerking was voor ons alsof wij de kleine lettertjes in een contract lazen. Door gemeenschap met de machtigste wereldbeheerser van deze duisternis werd hij een ‘nephil’, een tiran of een reus, of zoals in het slot van Genesis 6:4 staat: een man van ‘naam’, een vertaling van het woord ‘Sem’. Er staat dan nog bij dat zulke mannen ook ‘daarna’ of na de zondvloed voorkwamen. ‘Sem’ betekent ‘beroemdheid’, ‘wat imponeert’ of zelfs ‘monument’ (zie transcriptievertaling). Zo wilde men in Babel een tempeltoren bouwen die tot de hemel reikte om zich een ‘naam’ of ‘Sem’ te maken. Daarom is Nimrod de tegenstander van God en Christus, een type van de antichrist. Deze verbindt zich ook met een macht uit ‘de schoot van de onderwereld’, namelijk met Abaddon of Apollyon, de verderver. Deze mens van de wetteloosheid, deze zoon van Apollyon, zal zich keren tegen alles wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel van God zet, om zich als God zelf voor te doen (2 Thess.2:4). De antichrist is de grote geweldenaar die het Koninkrijk der hemelen met geweld binnendringt. Hij is de geweldige jager van mensen, want hij zal maken dat niemand kan kopen of verkopen dan wie zijn merkteken draagt. Het gaat dan om de ‘Sem’, de naam, namelijk die van het beest uit de afgrond en om het getal van zijn naam (Op.13:16,17).

Nimrod, beeld van de satan 

Nimrod, de stichter of eerste vorst van Babel, was beeld van de machtigste van de afgevallen zonen van God, die de eerstgeschapene van de engelen was. Deze geweldenaar op aarde was dus verbonden met de overste van deze wereld, ‘die vervuld geraakt was met geweld’ (Ez.28:16). Hoe nauw deze twee met elkaar verweven waren, blijkt wel uit Jesaja 14. Nadat de Heer zijn geestelijk volk Israël weer op eigen bodem doet wonen als burgers van een rijk in de hemelen, wanneer het Israël van God dit land erfelijk in bezit genomen heeft, zal men dit spotlied op de vorst van Babel in de hemelse gewesten aanheffen:

  • ‘Het is gedaan met die slavendrijver, gedaan met zijn dwingelandij. De Heer heeft de stok van de goddelozen gebroken, de scepter van de heersers, die de volken sloeg met woedende slagen, zonder eind, die hen belaagde met zijn toorn, zonder maat’.

De zonen van God uit de mensen hebben dan immers de macht over het hele leger van de vijand, ook over de wereldleiders van deze duisternis (Luc.10:19). Zij bevrijden de zuchtende schepping uit de hand van al haar vijanden, zodat zij de Heer kunnen dienen in heiligheid en gerechtigheid (Luc.1:71). Er komt oorlog in de hemel. Michaël, de grote vorst die de zonen van het geestelijk Israël terzijde staat, en zijn engelen hebben oorlog te voeren tegen de draak. Deze kan geen stand houden en hij wordt op de aarde geworpen en zijn engelen met hem (Openb.12:7-9 en Dan.12:1). Jesaja vervolgt zijn verhaal over de ‘vorst van Babel’, die hij identificeert met de satan (14:12):

  • ‘O morgenster, zoon van de dageraad, hoe diep ben je uit de hemel gevallen. Overwinnaar van alle volken, hoe smadelijk lig je daar geveld!’ Daarop volgt dan de slag bij het hemelse Armageddon. Door middel van het beest uit de afgrond en de antichrist wil de geweldenaar ‘opstijgen, boven de sterren Gods (de engelen) zijn troon oprichten en zetelen op de berg van de samenkomst ver in het Noorden’.

Hij wil daar ter plaatse – waar ook tot de afgevallen zonen van God werd gezegd: ‘U bent mijn volk niet’ – ‘opstijgen tot boven de wolken en zich gelijk stellen aan de Allerhoogste’. De wolken zijn beeld van de verheven plaats die de zonen van het volk van God hebben ingenomen. Van hen wordt gezegd: ‘Ik zag tronen en zij zetten zich daarop’ (Openb.20:4). Dan wordt ook de ontluisterde draak gegrepen en in de afgrond geworpen om daar ‘duizend’ jaar onmachtig en werkeloos te verblijven, zodat alleen de heiligen met Christus als koningen heersen op de aarde. Vervuld wordt: ‘Nee! Je daalt af in het dodenrijk, in de allerdiepste put’. Niet de geweldige jager, maar de grote Herder van de schapen zal dan regeren.

Wij zullen nu zien – in een volgend artikel gaan we verder – dat de volkenlijst aantoont, dat de mensheid geestelijk in drie groepen verdeeld is: de Chammieten, de haters van God; en zijn Gezalfde. Onder de vorsten van de aarde, de wereldleiders van deze duisternis:

  • ‘Komen de koningen van de aarde in verzet, de wereldmachten spannen samen tegen de Heer en zijn gezalfde: Wij moeten hun juk afwerpen, ons van hun boeien bevrijden!’ (Ps.2:1-3).

De Japhetieten vormen de mensheid van wie gezegd wordt, dat zij onvruchtbaar was en niet heeft gebaard, maar die zich toch naar rechts en naar links zal uitbreiden. De Semieten zijn allen, die verbonden zijn met de ‘Naam’ van de God van de hele aarde en die van zijn grote Zoon.