Talen van mensen en engelen

Artikelen:

  1. De zonde van Babel
  2. Verdeling van de volken
  3. Leiders van de duisternis
  4. Waarschuwing aan Noach
  5. Vervloeking van Kanaän
  6. De strijd van Gods volk

Tussen de lijst van volken in Genesis 10 en die van de nakomelingen van Sem in hoofdstuk 11, vinden we plotseling het verhaal van de torenbouw van Babel met de spraakverwarring. De bekende archeoloog André Parrot schreef in zijn verhandeling over ‘De toren van Babel’:

  • ‘Het verhaal in Genesis 11 zou voor ons geen moeilijkheden opleveren als het bij vers 5 eindigde’.

De verzen 6-9 kunnen immers alleen maar begrepen worden vanuit de inzichten die we hebben in het Koninkrijk der hemelen. De tweede periode van de mensheid begon toen de nakomelingen van Noach het hoogland van Armenië met de Ararat verlieten en via Perzië vanuit het oosten – zoals ook gelezen kan worden – naar de vlakte van Sinear afdaalden. Deze streek wordt dan het tweede vaderland van de volken. Men weigerde daar te voldoen aan de opdracht van God om zich over de aarde te verspreiden, maar begon een stad te bouwen met een toren, waarvan de top tot in de ‘hemel’ moest reiken. Deze tempeltoren zou dan het grote trefpunt worden, waar de mens aan zijn geestelijke behoeften kon voldoen om zich op deze manier verder te ontwikkelen. De toren werd een bedevaartsoord, een religieus monument, waardoor men beroemd werd op aarde, maar ook in de hemel. Later zijn er meer van zulke Zikkuraths gebouwd. Ruïnen van drieëndertig van zulke terrastorens zijn in Babylonië opgegraven. Meestal telde zo’n hoogtempel zeven verdiepingen. Later liet de koning van Babel, Nebopolasser, de vader van Nebukadnezar, in spijkerschrift op een kleitablet onder meer over de door hem gebouwde ‘tempel van de zeven zones (verdiepingen)’, opschrijven:

  • ‘Marduk, de heer, beval mij ten aanzien van Etemenanki, de trappentoren van Babylon, die voor mijn tijd was vervallen en tot puinhopen was geworden, zijn fundamenten in de schoot van de onderwereld te bevestigen en zijn top aan de hemel gelijk te maken. Alle volken van de talrijke natiën dwong ik tot de arbeid aan het bouwwerk van Etemenanki. De verheven woning van Marduk, mijn heer, bracht ik aan zijn top’.

De bakermat van het occultisme

Bij de toren van Babel hebben wij te maken met een tweede val van de mensheid door middel van het occultisme, met een voortijdige bevrediging van het diep verborgen verlangen van de mens om het Koninkrijk van God binnen te gaan. God heeft immers de eeuwigheidbehoefte in de mens gelegd. Door middel van spiritistische seances zocht hij daar in de toren gemeenschap met de geestenwereld. Het was echter Gods tijd nog niet om de draad van de geestelijke ontwikkeling weer op te nemen. Daarom kwam de mens in contact met de demonen. Sprak Jezus niet: ‘Mijn tijd is nog niet gekomen, voor jullie is elke tijd goed’? (Joh.7:6). Men maakte zich op om de geheimen van het Koninkrijk der hemelen te ontvouwen. De weg daarheen was echter nog niet geopend; daarom klom men ‘via een andere plaats’ binnen en daalde af naar het dodenrijk, waar men het fundament van het geloof legde ‘in de schoot van de onderwereld’, dat is in de afgrond.

Van Eva staat dat zij door de slang verleid werd, maar de torenbouwers werden actief door hun eigen begeerte om zo de duistere sferen van de onzienlijke wereld binnen te dringen. Men zocht actief gemeenschap met de geesten van de gestorvenen en daarmee was het uur van het heidendom en van de afgoderij aangebroken. Men werd echter misleid, want niet de gestorven familieleden of kennissen begonnen te spreken, maar Satans demonen. Het werd duister in het onverstandig hart van de mensen in Babel.

Men schat het totaal aantal mensen in die tijd op 30.000. Zij vergaderden in een stad waarbinnen hun religieus centrum zou verrijzen. Zij transponeerden hun visie op de komende werkelijkheid van de hemelse gewesten naar de aarde. Ze maakten er een beeld van zoals God later opdracht zou geven om een tabernakel met het ‘allerheiligste heilige’ te bouwen naar het voorbeeld dat Hij aan Mozes toonde vanuit het Koninkrijk van God.

  • ‘Zij (de Babyloniërs) spraken: ‘Laten we van klei blokken vormen en die goed bakken in het vuur’.

De kleiblokken gebruikten ze als stenen en teer als specie. Zó werd hun geestelijke visie dus uitgebeeld, in tegenstelling tot de waarheid, dat Jezus Christus het fundament is, waardoor wij de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen leren begrijpen.

Een verbinding tussen de aarde en de hemel

De wereldbevolking die één taal en één tongval of woordgebruik had, had de verbinding tussen aarde en hemel gevonden door middel van het spiritisme en later ook nog door andere vormen van occultisme. Hun religie werd al snel ondersteund door een wijsheid die niet ‘van boven’ was, maar die aards, ongeestelijk en duivels is (Jac.3:15). Klei en teer zijn materialen die wel in scherpe tegenstelling staan met het goud, de diamanten en de edelstenen waarvan gesproken wordt bij de bouw van de stad van God in Openbaring 21:18-21. Ook kwamen er priesters die hun kennis van de mysteries van de hemelse gewesten rubriceerden en systematiseerden en doorgaven aan volgende generaties: geleerden, bezweerders, Chaldeeën en waarzeggers (Dan.4:7). De klei en teer waren beeld van de leugenachtige filosofieën die zij leerden en waarvoor de apostel Paulus zo vaak waarschuwde. Later zou de Heer tot een halfheidense Samaritaanse zeggen:

  • ‘Geloof me er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. Maar er komt een tijd – en die tijd is nu gekomen – dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in geest en in waarheid’, dus niet in aardse vormen en niet met aardse wijsheid (Joh.4:21-24).

Via een andere plaats naar binnen klimmen

In Babel klom voor het eerst in de geschiedenis de religieuze mens ‘via een andere plaats’ naar binnen. Is het een wonder dat de Heer toen naar een man zocht en die ook vond in Abraham. Hij leefde aan het einde van de periode van Genesis 11 in Zuid-Babylonië in de stad Ur. Ook daar was een Zikkurath die gewijd was aan Sin en Ningal. Abraham verliet dit godsdienstige centrum:

  • ‘omdat hij uitzag naar een stad met fundamenten, door God zelf ontworpen en gebouwd’. Hij zocht een beter, dat is een hemels vaderland. Daarom schaamt God zich er niet voor hun God genoemd te worden en heeft hij voor hen een stad gereedgemaakt (Hebr.11:10-16).

God bouwt zelf een stad en Abrahams Zaad bouwt de tempel, de woonplaats van God in de geestelijke wereld, dat is de gemeente. Van dit hemelse Jeruzalem kan worden gezegd, dat Jezus Christus daar zijn volk vergadert en samentrekt als een hen haar kuikens onder haar vleugels. Daarom is het aardse Babel vijandig aan het plan van God, dat immers uit is op redding en herstel van de mens.

De trappentoren was een hemelladder, want Babel (bab-ilu) betekent in de taal van de Sumeriërs: poort van God. Jacob zag later ook een ladder in zijn droom en noemde de plaats waar hij had geslapen: poort van de hemel (Gen 28:17). De verteller in Genesis 11 verklaart echter het woord Babel van uit de Hebreeuwse wortel ‘balal’, dat verwarren of vermengen betekent. De toren van Babel was dus niet een stadstoren, zeker niet een vuurtoren, maar een toren die wij vergelijken kunnen met de torens van onze kathedralen. Hun hoog oprijzende spitsen beelden het zoeken uit van de mens naar de geestelijke wereld. Na de val in het paradijs had God de toegang tot het Koninkrijk van God afgesloten. Adam en Eva werden verjaagd van hun ontmoetingscentrum met God bij de Levensboom, waar zij aten en dronken aan zijn tafel in zijn Koninkrijk. Daarna was er geen metamorfose meer mogelijk tot een waar geestelijk mens. Men zou moeten wachten op de komst van Jezus Christus, die de ‘enge poort’ van de hemel zou ontsluiten. Hij zou velen doen binnengaan door de boodschap van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen.

Een doorkijkje naar de hemel

Net als in Genesis 6:1-4 hebben we in hoofdstuk 11:1-9 ook een doorkijkje naar de hemelse gewesten. Zulke merkwaardige beschrijvingen van hemelse zaken vinden wij ook in het begin van Job of bij het sterven van Jezus, toen de graven opengingen en er een opstanding van de doden plaatsvond (Matth.27:51-53). Bij het licht van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen lezen wij nu de diepe achtergrond van het verhaal van de torenbouw en de spraakverwarring. De mensen legden daar in Babel voor het eerst contact met de boze geestenwereld, met de gevallen engelen die innerlijk verdeeld- en elkaar vijandig zijn en haten. De grote verwarring die in de hemelse gewesten begonnen was, drong toen door naar de aarde. In Marcus 3:26 zegt de Heer:

  • ‘En als satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet’.

Satans demonen zijn alleen één in hun vijandschap tegen God en de mens. Hun verdeeldheid brengen ze over in allen met wie ze gemeenschap hebben en die open staan voor hun inspiraties. Zo zien wij overal dat slechte mensen een hekel aan elkaar hebben. Ze worden immers geleid door de geesten, die werken in de kinderen van de ongehoorzaamheid (Ef.2:2). Denk bijvoorbeeld eens aan Herodes en Pilatus, die op één dag met elkaar bevriend raakten, terwijl ze voor die tijd in vijandschap leefden. Hun afkeer tot de Mensenzoon maakte dat zij één lijn trokken (Luc.23:12). Iedere boze geest heeft zijn eigen bedoeling, terwijl de heilige engelen echter dezelfde gedachten van God koesteren. Zij die door kwade geesten geleid worden, moeten daarom erkennen: ‘Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg’ (Jes.53:6). Dat het rijk van de duisternis nog bestaat en nog zo’n kracht uitoefent, komt omdat de satan met geweld heerst over zijn engelen. Hij is vervuld met geweld (Ez.28:16). Dit geldt ook voor zijn grootvorsten, ieder in hun eigen sector. De strijders tegen de stad van God ‘gaan onverschrokken verder, ieder houdt vast aan zijn eigen weg’ (Joël 2:7). Het is bij hen als bij een leger op aarde: de soldaten worden onder druk gedwongen in de pas te lopen en op bevel gewelddaden te verrichten. De Bijbel vertelt dat in de laatste oorlog tegen ‘de geliefde stad’ en ‘de legerplaats van de heiligen’ – dus tegen het hemelse Jeruzalem met de gemeente – Gog en Magog ondergaan in een onderlinge strijd. Dan zullen ‘zijn mannen elkaar met het zwaard bestrijden’ (Op.20:9; Ez.38:21).

Vergelijk hiermee de overwinning van Josafat op de Moabieten en Ammonieten, die in hun strijd tegen Jeruzalem ‘zich op elkaar stortten’ (2 Kron.20:23). Toen Paulus voor de hoge Raad stond om verhoord te worden, maakte hij handig gebruik van de onderlinge verschillen. Hij bracht het discussiepunt onder hen ter sprake, toen hij uitriep: ‘Ik sta hier terecht omwille van de verwachting dat de doden zullen opstaan!’ (Hand.23:6). Een grote groep farizeeërs geloofde nl. niet in de opstanding van de doden en de anderen wel.

Aan het eind van het duizendjarig rijk kan de satan nog wel de volken verleiden maar geen geweld meer uitoefenen. Hij had immers zijn troon en grote macht afgestaan aan het beest dat uit de afgrond opkomt. Na de slag van Armageddon wordt deze duivelse macht met de antichrist in de vuurpoel gegooid. Wanneer de satan duizend jaar gebonden is, is dit mogelijk omdat hij ook ‘het geweld van de dood’ verloren had (Hebr.2:14 St. Vert.). Als hij losgelaten wordt, kan hij nog wel de volken verleiden, maar hij heeft geen macht meer om zijn muitende benden te onderwerpen.

Eentalig en veeltalig

De oorspronkelijke mensheid had slechts één taal en één spraak (tongval of woordgebruik). God heeft immers uit één mens de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid (Hand.17:26). Merkwaardig is dat wij iets dergelijks bij de dieren aantreffen: honden blaffen, maar loeien niet als koeien en brullen niet als leeuwen. De taalbarrière die na de torenbouw van Babel ontstond, scheidt de volken uit elkaar en is ook een zware handicap bij het brengen van het evangelie. Toch schiep God in ieder mens het vermogen om meerdere talen te leren en te spreken. Door oefening en inspanning kan de natuurlijke mens dit vermogen ontwikkelen en zich een vreemde taal eigen maken. Als een mens de hemelse gewesten binnengaat, begint het vermogen om meer talen te spreken, in hem spontaan te werken. Paulus schreef dat hij de talen van de mensen en die van de engelen sprak. Dit deed hij als hij in extase was. In de gemeente sprak hij echter de gebruikelijke taal die iedereen kende. In 2 Corinthiërs 5:13 schreef hij: ‘Zijn we in extase, dan is het voor God; zijn we bij zinnen, dan is het voor u’. Het spreken in talen is dus een hemelse zaak. Op aarde heeft het geen enkel nut, want ‘iemand die in klanktaal spreekt, spreekt niet tot mensen maar alleen tot God. Niemand kan hem verstaan, want door toedoen van de Geest spreekt hij onbegrijpelijke taal’, dus verborgenheden die te maken hebben met het Koninkrijk der hemelen (1 Cor.14:2). Men richt zich niet tot mensen, maar men laat zijn stem in de hoge horen.

Het kan natuurlijk wel mogelijk zijn dat de toehoorder de gesproken mensentaal herkent, zoals op de Pinksterdag. Een christen in het nieuwe verbond maakt zich niet langs een natuurlijke weg los van de aarde, namelijk door te vasten, maar op metafysische manier door middel van de klanktaal die hem op elk gewenst ogenblik ter beschikking staat. Met deze gave toegerust kan hij in het nieuwe Jeruzalem converseren en communiceren en haar zelfs gebruiken in zijn strijd in de hemelse gewesten. De engelenwereld is een veeltalige creatie. Engelen zijn immers als geestelijke wezens afzonderlijk en helemaal ‘klaar’ geschapen (Ez.28:13). In de oneindige ‘ruimte’ van de onzienlijke wereld verkondigen zij eens de grootheid van de Schepper, iedere groep in zijn eigen taal. In Job 38:7 staat, dat de morgensterren samen juichten en alle zonen van God jubelden. De morgensterren of de zonen van God zijn de vorsten onder de engelen. Zij staan voor de troon van God (Job 1:6;2:1; Luc.1:19). Wanneer mensen ‘zonen van God’ worden, zijn ze dat niet op aarde, maar in de hemel en staan ze ook voor de troon van God en van het Lam. De hoge vorsten onder de engelen hebben ieder hun eigen gebied in de hemel, hun ‘taalgebied’ dat begrensd wordt door de hun door God gegeven taal.