Overwinning op de dood

Licht op de ‘Olijfberg’ – Zacharia 13,14

‘Die dag zal hij zijn voeten op de Olijfberg planten, ten oosten van Jeruzalem. De Olijfberg zal in tweeën splijten’ (Zacharia 14:4).

Wanneer de apostel Petrus de zin en de bedoeling van de ware profeten aangeeft, zegt hij, dat zij van de voor ons bestemde genade profeteerden en dat de Geest van Christus in hen sprak over het lijden van onze Heer en van al de heerlijkheid daarna (1 Petr.1:9-12). Bij de vervulling van deze profetieën merken wij op, dat zij in het oude verbond een natuurlijke en aardse openbaring hebben en in het nieuwe verbond een geestelijke en hemelse. Jezus was geboren ‘onder de wet’, dus in de schaduw van het oude tijdperk. Talrijk zijn de voorspellingen over Hem, die daarom in de zichtbare wereld werden vervuld. Denk bijvoorbeeld aan zijn geboorte in Bethlehem en het genezen van zieken. Zo werd ook de profetie uit Zacharia 9:9 zichtbaar vervuld: ‘Zie, uw Koning komt, gezeten op het veulen van een ezel’.

Toch hadden de leerlingen geen inzicht in dit Koningschap, maar ‘toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was’ (Joh.12:15,16). Het Koningschap van onze Heer is immers niet van deze aarde, maar hoort bij het nieuwe verbond, dat vanuit de onzienlijke wereld functioneert. Zo zien wij ook, dat de profetieën over Israël in het oude verbond het natuurlijke volk betroffen, maar in het nieuwe verbond werkelijkheid worden aan een geestelijk volk, dat van een andere dimensie is. In Hosea 1:10 is sprake van een bijeenbrengen van Israël en Juda. De betekenis hiervan wordt in het nieuwe verbond door Paulus geïnterpreteerd met de woorden: ‘En dat zijn wij, die Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen’ (Rom.9:24). Deze nieuwe betekenis van Hosea 1 voor het volk ‘Israël’ uit Jood en heiden geldt vanzelfsprekend ook voor hoofdstuk 2, enzovoort. Is het een wonder dat Petrus concludeert, dat de profeten over hun toezeggingen spraken voor de gemeente van het nieuwe verbond? Aan de hand van Zacharia 13:7 tot 14:7 willen wij zien, hoe deze verzen spreken over ‘al het lijden dat over Christus komen zou en van al de heerlijkheid daarna’.

Het begin

In een van de grootste rooms-katholieke Bijbelcommentaren op de Vulgata wordt opgemerkt:

  • ‘Zacharia 14 wordt gewoonlijk beschouwd als een van de moeilijkste en van de duisterste plaatsen van heel de Heilige Schrift’.

Omdat men er geen raad mee weet, plaatst men wel de verzen 7-9 van hoofdstuk 13 achter hoofdstuk 11. Toch zien wij in deze Schriftgedeelten een onlosmakelijk verband, want zij geven de geschiedenis van de schijnkerk weer. Het is daarom niet nodig enkele teksten eruit te lichten op een wijze, die de context (samenhang) geweld aandoet. Bij het begin van zijn lijden citeert Jezus de woorden: ‘Ik zal de herder doden en de schapen van zijn kudde zullen uiteengedreven worden’ (Matth.26:31). Hij sprak: ‘Er komt een tijd en die tijd is er al, dat jullie uit elkaar gedreven worden, dat ieder zijn eigen weg gaat en mij alleen achterlaat’ (Joh.16:32). Deze profetie uit Zacharia 13:7 werd letterlijk op aarde vervuld. De leerlingen vluchten in paniek en het lijden van onze Heer begon. De uitdrukking: ‘Ik zal mijn hand keren tegen de kleinen’ of zoals de Statenvertaling heeft: ‘wenden tot de kleinen’ houdt zowel bescherming als kastijding in. Er is sprake van een weldoen, maar ook van een loutering. Deze woorden wijzen op de doop in Heilige Geest en tegelijkertijd op die in vuur. Het was de kleine groep geringen uit Galiléa, die deze doop in Geest en vuur het eerst ontving.

Na het lijden en sterven van de Messias werden in het hele land twee delen uitgeroeid, omdat de grote meerderheid van het volk Israël geestelijk dood bleef. Demonische geesten bonden het natuurlijke Israël en maakte het immuun voor de boodschap van het evangelie van de genade. Maar in het hele land bleef ook een rest behouden naar de verkiezing van de genade. In dit overblijfsel werd vervuld: ‘Had de Heer van de hemelse machten ons geen nageslacht gelaten, het zou ons zijn vergaan als Sodom en Gomorra’ (Rom.9:29). Bij dit derde deel denken wij aan de apostelen, aan de 120 in de opperzaal, aan de 3.000 bekeerde Joden op de Pinksterdag en later aan veel gemeenten in Judéa. Zij werden in Heilige Geest gedoopt en hun ‘volheid’ werd de rijkdom voor de heidenen (Rom.11:12). Wij weten ook dat deze menigte van mannen en vrouwen zwaar verdrukt en wreed vervolgd werd. ‘Nog diezelfde dag brak er een hevige vervolging los tegen de gemeente in Jeruzalem’ (Hand.8:1). Dit derde deel werd overal ‘in het vuur gebracht en gelouterd’. Petrus troostte:  ‘Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. Zo kan de echtheid blijken van uw geloof – zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst – en zo verwerft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren.’ ‘Geliefde broeders en zusters, wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks’ (1 Petr.1:6,7 en 4:12). In dit verband lezen wij ook in Maleachi 3:3: ‘Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en zilver, zodat zij de Heer in gerechtigheid offer brengen’. Deze zonen van Levi zijn het ‘koninklijk priesterschap’ uit 1 Petr.2:9. In de verdrukkingen roept de gemeente uit de Joden en ook die uit de heidenen ‘de naam van de Heer aan’, ‘want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn’ (Joël 2:32 en Hand.2:21).

Kerkgeschiedenis

Na het lijden van Christus en dat van zijn volk wordt ook gesproken van de heerlijkheid daarna. Deze heerlijkheid is de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon. Het doel is: de onberispelijkheid van de gemeente. Daarvoor is de inwoning van Gods Heilige Geest onmisbaar. Alleen met hulp van de geestelijke gaven is het mogelijk op het rijk van de duisternis overwinningen te behalen. Het is echter de Satan gelukt deze geestelijke gaven en de geestelijke kracht aan de kerk te ontnemen. In hoofdstuk 14:1 is sprake van een roof (St. Vert.) of buit, die opnieuw binnen de muren van de gemeente verdeeld zal worden. De dag is gekomen, dat de Joëlsprofetie ook aan ons vervuld wordt:  ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees’ (wat voor God leeft). De buit, de geestelijke gaven, die terug zullen keren, wordt aangeduid met de woorden: ‘Uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongeren zullen gezichten zien en de ouderen zullen hun dromen begrijpen’ (Hand.2:17).

Maar dan breekt ook de tijd weer aan van verdrukking en vervolging. Op een schijnchristendom zonder de kracht van Gods Heilige Geest concentreren zich de machten in de hemelse gewesten niet. Het wekt ook geen afkeer of haat in de natuurlijke wereld op; de bevolking stemt immers massaal op de de ‘zich christelijk noemende,’ politieke bananenkartels. Maar zodra de gemeente weer als in het begin gaat functioneren, komt ook de verdrukking. Dan worden ‘alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderd’. De aanvallen van satan’s demonen concentreren zich vooral op hen, die de volkomen redding en de heerlijkheid zoeken en zij zullen gebruik maken van ieder mens, die zich daartoe beschikbaar stelt. De inwoners van de heilige stad ‘Jeruzalem’ zullen opnieuw verdrukt en gelouterd worden. De boze geesten zullen proberen hen door zonde krachteloos te maken en leeg te plunderen, of door ziekte hen te schenden. Veel broers en zusters zijn niet tegen deze loutering bestand. Zo ontstaat een scheiding tussen het ware volk van God, dat ondanks verdrukking volhardt en in de stad blijft en een gedeelte dat uit de stad wegtrekt en de ballingschap verkiest. Deze ballingschap betekent niet een trekken uit, maar een terugkeer naar Babel. Hun overkomt: ’wat een waar spreekwoord zegt: Een hond, die teruggekeerd is naar zijn uitbraaksel, of: een gewassen varken naar de modderpoel’ (2 Petr.2:22).

Zijn voeten op de Olijfberg

In de pinksterbeweging van vandaag zien wij deze scheiding zich voltrekken. Men verkoopt zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes die de grote en invloedrijke ‘christelijke’ bananenkartels hun voorhouden. Vanwege de verdrukking die ermee gepaard gaat, verlaat men de hoop van de heerlijkheid (het streven naar de volkomenheid) en brandmerkt men hen, die daaraan vasthouden, als extreme christenen. Dan gaat men de pinksterwaarheden verdoezelen om in de oecumene erkend en door de wereldraad van kerken geaccepteerd te worden. Maar – prijs de Heer – een overblijfsel wordt niet uit de heilige stad weggesleept. Het wacht met volharding en geduld op de realisering van de beloften van God:

‘Dan trekt Jahwe tegen die volken ten strijde, zoals Hij vroeger streed op de dag van de strijd. Op die dag zullen zijn voeten op de Olijfberg staan’.

Wij hoeven niet te vragen, wie deze Heer is. Hij heet Jezus Christus, wat zijn aanwezigheid op de Olijfberg verklaart. Jezus gaat strijden zoals Hij dit vroeger deed. Bij de openbaring van de zonen van God blijkt, dat Hij dezelfde is, gisteren en vandaag. Dan dragen duizenden zijn beeld en de wereld wordt opnieuw met Hem geconfronteerd zoals Hij is. Deze laatste getuigen zijn aan zijn beeld gelijkvormig en brengen het evangelie van het Koninkrijk van God. Zij werpen demonen uit, genezen mensen en doen tekens en wonderen in zijn Naam. Door en in zijn volk strijdt de Heer ‘tegen de overheden, de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten’. Zij brengen geen verwaterd en Oud Testamentisch evangelie, maar de stem die in de dorpen en gehuchten van Galiléa gehoord werd, klinkt nu duizendvoudig over de hele wereld. Dit is de toekomstige verwachting van een koninklijk en priesterlijk volk. Hier is geen sprake van een opname van een slapende gemeente vóór het gevaarlijkste uur, geen desertie tijdens de strijd in de hemelse gewesten, maar er is een leger van God, dat uittrekt ‘overwinnende en om te overwinnen’.

Bergen

In vers 4 is sprake van de Olijfberg. In het nieuwe verbond hebben bergen geen geografische betekenis meer, maar een geestelijke zin. Zij zijn beelden van de onzienlijke machten. In verband met het uitdrijven van demonen sprak de Heer: ‘Ik verzeker jullie: als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, dan zullen jullie tegen die berg zeggen: “Verplaats je van hier naar daar!” en dan zal hij zich verplaatsen. Niets zal voor jullie onmogelijk zijn’ (Matth.17:20). Wij zongen: ‘k Sla de ogen naar ‘t gebergte heen, vanwaar ik dag en nacht des Hoogsten bijstand wacht’. Wij willen echter niet onafgebroken onze ogen op de bergen richten, omdat zij beelden zijn van de verschrikkende machten van de duisternis en lezen daarom liever met de Nieuwe Vertaling: ‘Ik hef mijn ogen op naar de bergen: vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft’ (Ps.121:1,2). Als bergen beeld van machten zijn, begrijpen wij ook dat bij het oordeel ‘alle eilanden (bergen in zee) wegvluchten en bergen niet meer gevonden werden’ (Op.16:20). Dan zullen de mensen de demonen aanroepen, op wie zij hun vertrouwen gesteld hadden en zij zullen vergeefs zeggen tot de bergen: ‘Val op ons, en tot de heuvelen: Bedek ons’ (Luc.23:30). De berg Sion is het beeld van de Heilige Geest, waar de stad van God op rust: ‘u staat voor de Sionsberg, voor de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem’ (Hebr.12:22). De valse kerk rust op zeven bergen; op grootmachten uit de afgrond (Openb.17:9). Wij verstaan zo ook de betekenis van Psalm 97:5: ‘De bergen versmelten als was voor het aanschijn van de Heer’ of Psalm 46:3: ‘Al wankelden de bergen in het hart van de zee’. Wat een macht heeft Gods Heilige Geest, als er staat: ‘En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en toonde mij de heilige stad, Jeruzalem’ (Openb.21:10). De gemeente van Jezus Christus rust op de kracht van de Heilige Geest: ‘Toen zag ik dit: het Lam stond op de Sion en bij het lam waren 144.000 mensen die zijn naam en die van zijn Vader op hun voorhoofd hadden’ (Openb.14:1).

De Olijfberg gespleten

Na het laatste avondmaal verliet Jezus de stad en ging met zijn leerlingen naar de Olijfberg. Gethsémane (oliepers) lag aan de voet van deze berg en was er dus een deel van. Hier voerde Jezus de grootste en zwaarste strijd van zijn leven. Alle boze geesten had Hij overwonnen, maar hier stond Hij tegenover een vijand, die Hem overmeesteren zou. Jezus moest in deze worsteling tegen de dood, onderliggen. Hij sprak: ‘Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe’. Hier werd Hij dodelijk beangst en zijn zweet werd als bloeddruppels. In Gethsémane moest Hij de doodsbeker drinken en kreeg Hij deel aan het lijden van de dood (Hebr. 2:9,14). Wat op Golgotha in de zichtbare wereld gebeurde, doorleefde de Heer naar de inwendige mens in de onzienlijke wereld aan de voet van de Olijfberg. Daar kon van Hem gezegd worden: ‘Ik ben een worm en geen man’. Maar, prijs de Heer, Jezus verrees op de Paasdag en sprak: ‘Ik ben dood geweest, en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheid en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk’ (Openb.1:18).

Na zijn opstanding zien wij onze Heer met zijn leerlingen niet onderaan de Olijfberg, maar er bovenop. Hij, sprak: ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Ook de laatste vijand was overwonnen. De berg aan welks voet onze Heer na zware strijd zijn leven aflegde en op wiens top zijn voeten na de overwinning op de dood stonden, is voortaan het beeld van de engel, die het geweld van de dood heeft, Dood hemzelf. In vers 4 zien wij dat na de openbaring van de zonen van God en na de grote verdrukking de voeten van onze Heer voor de tweede maal op de Olijfberg staan. De tijd van de schaduwen is nu echter voorbij en de Olijfberg symboliseert het dodenrijk met als hoofd, de Dood zelf. Daar verschijnt Jezus met ‘al zijn heiligen’. Dit zijn de doden, die in Christus ontsliepen en wier geestelijk lichaam bij de Heer zijn intrek genomen had (2 Cor.5:8). Zij zijn de eersten die opgewekt worden en een opstandinglichaam ontvangen. Daarna komt het ogenblik, waarvan de apostel zegt, dat de levend overgeblevenen in een ondeelbaar ogenblik veranderd zullen worden en de Heer tegemoet gaan in de lucht (1 Cor.15:52 en 1 Thess.4:17). Zij voegen zich dan bij de wolk van getuigen, waarmee Jezus terug komt. Wanneer de levend overgeblevenen in een ondeelbaar ogenblik veranderd worden, is het duidelijk dat zij aan de macht van de dood onttrokken worden. Zij zullen immers niet voor eeuwig doodgaan (1 Cor.15:51). Jezus behaalt voor hen een machtige overwinning op de dood. Als beeld hiervan wordt gesproken over het splijten van de Olijfberg, ofwel het krachteloos maken van de dood, zodat nu voor de zonen van God op aarde een weg ter ontkoming ontstaat.

  • Zoals Jezus van de Olijfberg als overwinnaar heenging, zo keert Hij op de Olijfberg als overwinnaar terug om zijn volk ook naar het lichaam tot volkomenheid te brengen. Het zal een machtige zege zijn, want er is sprake van een zeer groot dal. Het is een ontzaglijk en indrukwekkend gebeuren als de levend overblijvenden in massavlucht getransformeerd en opgenomen worden tot een nieuwe roeping in de geestelijke wereld. Eeuwen lang hebben de kinderen van God voor de dood moeten zwichten, maar de zonen van God die net als de Zoon van God de zonde en ziektemachten bestreden en overwonnen hebben, zullen als hun Heer ook de dood overwinnen.

Van Jezus staat dat de Vader Hem uit de doden opgewekt heeft en van de zonen van God dat Christus hen in een ondeelbaar ogenblik verandert. ‘De dood is verslonden in de overwinning!’ Wanneer deze doodsberg scheurt, ontstaat er een vlakte met een weg, die door Jezus vanuit de aardse verdrukking naar de hemelse heerlijkheid gebaand is. Op deze wijze worden de dagen van de verdrukking verkort. De profeet zegt dat deze weg zal reiken tot Azal, een onbekend plaatsje. De kanttekenaren van de Statenvertaling merken op dat gelezen kan worden: ‘Want deze vallei der bergen zal reiken tot de berg, die Hij afgezonderd heeft of verkoren heeft; te weten de berg Sion’. De Vulgata vertaalt: ‘Het dal der bergen zal reiken tot nabij de stad, of zal hij aan de stad palen’.

Sion, de hoogste berg

Zij die in het ware Jeruzalem in een tijd van grote verdrukking leven, zien plotseling een weg tot ontkoming. Zij nemen de vlucht, zoals het volk Israël uit Egypte trok langs de weg, die de Heer te midden van de woeste zee, baande. Om de kracht van dit uit elkaar scheuren van de Dood uit te beelden, herinnert Zacharia aan het feit, dat twee eeuwen tevoren in de dagen van koning Uzzia een grote aardbeving was, waarvan men in zijn tijd nog sprak. In Palestina zijn aardbevingen overigens zeer zeldzaam. Voor de Jeruzalemmers die op Sion wonen, betekent het splijten van de Olijfberg de overwinning op de dood. Het vergankelijke lichaam doet onvergankelijkheid aan en het vernederde, sterfelijke lichaam, heerlijkheid en onsterfelijkheid. Dan is er nog maar één berg over, de berg van God, beeld van de Heilige Geest, die het leven onderhoudt. In de natuurlijke wereld is de Olijfberg ongeveer 70 meter hoger dan de Sion. Maar: ‘het zal gebeuren in de laatste dagen: dan zal de berg van het huis van de Heer vast staan als de hoogste berg’ (Jes.2:2).

De dag breekt aan dat vrede en gerechtigheid de aarde zullen bedekken. Dan is er geen dag en nacht, geen licht en duisternis, maar alleen dag. Dan is er geen verstijving of winter, maar er heerst een heerlijk klimaat, dat genade en waarheid uitbeeldt. Wanneer daarna de zegevierende legers van het Woord van God de antichrist en zijn gemeente vernietigd hebben, kan het vrederijk ingaan.