‘Onder de aarde’ 

Letterlijk?

Door de prediking over het Koninkrijk der hemelen zijn wij de Bijbel geestelijk gaan begrijpen en situeren wij het Koninkrijk van God, het koninkrijk van satan en het rijk van de dood, in de onzienlijke wereld. Met onze innerlijke mens bevinden wij ons in deze sfeer en zijn daarom niet aan plaats en tijd gebonden. Wij horen naar ziel en geest bij de wereld van de geesten. Hoe geheel anders was de voorstelling die de Oudtestamentische gelovigen hadden en hoe verschilt de onze ook van hen die er ook nu nog van uitgaan, dat men letterlijk in de natuurlijke wereld moet verklaren wat men leest. We kennen bijvoorbeeld wel het tweede gebod van de Sinaïtische wet, waar staat dat niemand een beeld of gelijkenis mag maken van datgene wat boven in de hemel is, maar ook niet van dat wat op de aarde is en ook niet van dat wat in de wateren onder de aarde is. Wat wordt nu met die wateren onder de aarde bedoeld? Rond 1.500 stelde de astronoom Copernicus een theorie op, waarin de aarde een planeet werd genoemd, die om de zon en om haar as draaide. Zo werd pas aan het einde van de middeleeuwen in de christelijke kerk geloofd dat de aarde bolvormig is.

In Bijbelse tijden beschouwde men haar als een platte schijf die zich boven het water van een wereldoceaan bevond. In deze geweldige watervloed stonden dan de zuilen waarop de wereld rustte. Zo staat in Job 9:6: ‘De aarde schudt Hij van haar plaats zodat zuilen wankelen’. In deze voorstelling werd de wereldoceaan afgebakend door een ringmuur van hoge bergketens. Op hun toppen rustte de hemelkoepel (het uitspansel), voorzien van twaalf grote poorten met luiken, waarachter de zon zich bewoog. ‘s Morgens kwam de zon door het oosterluik en wie ‘s avonds haar zag ondergaan, merkte de laaiende gloed van goud en purper die nog een moment zichtbaar was. Dan sloten zich de ‘eeuwige deuren’ als de valluiken werden neergelaten en werd het duister. Bij de hemelvaart van Jezus paste dan dus wel Psalm 24:7: ‘Hef, o poorten, uw hoofden omhoog, verhef u, aloude ingangen: de koning vol majesteit wil binnengaan.’ Achter deze poorten dacht men zich de troon van God en deze was zo ver van de aardse stervelingen verwijderd, dat gezegd kon worden: De hemel is de hemel van de Heer, de aarde heeft Hij aan de mensen gegeven…’ (Ps.115:16).

Onlangs las ik nog op een christelijke site, dat Jezus bij zijn opname de hemel zou zijn binnengegaan door een gat in het uitspansel, dat zich boven de Noordpool zou bevinden! Zulke schriftuitleggers noemen zich dan ‘fundamentalisten’, omdat ze de Bijbel letterlijk in de zienlijke wereld verklaren. Het evangelie van Jezus Christus verklaart ons echter de beeldende voorstellingen van het oude verbond. Het verzekert dat wij een plaats hebben in de hemelse gewesten in Christus Jezus, want daar moeten wij wandelen, strijden, overwinnen en onze schatten verzamelen. We begrijpen nu ook de betekenis van de grote diepten onder de aarde, waar geen licht, maar duisternis is. Het wordt gebruikt als beeld van de geestelijke wereld van satan en dood. In de grote vloed onder de aarde bevonden zich naar de voorstelling van de ouden enorme waterdieren zoals de leviathan, beeld van de satan (Ps.74:14). Zo staat in Jesaja 27:1:

  • ‘Op die dag zal de Heer ingrijpen: hij trekt zijn groot en machtig zwaard tegen Leviathan, de snelle, kronkelende slang, en hij zal Leviathan doden, het monster in de zee’.

De zee die men zag was niets anders dan dezelfde vloed die zich onder de aarde bevond en hier en daar aan de oppervlakte kwam. In deze ‘diepte van de zee’, in ‘de buitenste duisternis’, was het dodenrijk. Zo kon het gebeuren dat er een geweldige kloof in de aarde ontstond en we in Numeri 16:32 en 33 lezen: ‘De aarde opende haar mond en slokte hen op, met hun families, alle mensen van Korach en alles wat ze bezaten. Zo daalden zij met allen die bij hen hoorden levend in het dodenrijk af. De aarde sloot zich boven hen en zij waren uit de gemeenschap verdwenen’. Paulus gebruikt deze voorstelling, wanneer hij schrijft, dat Jezus bij zijn sterven ‘neerdaalde naar de lagere, aardse gewesten’ (Ef.4:9). In Job 26:5 lezen we over ‘de schimmen onder de wateren, de bewoners van het dodenrijk’.

Wanneer door middel van een spiritistische seance gemeenschap met de doden gezocht wordt, ziet de toverkol van Endor ‘een bovennatuurlijk wezen uit de aarde opkomen’ (1 Sam.28:13). In de Openbaring is er sprake van ‘de put van de afgrond’ waar de occulte demonen uit opkomen zoals de zwarte rook uit een oven opstijgt. Tenslotte wordt de duivel in deze bodemloze diepte geworpen en wordt zij boven hem verzegeld. Daar is de verblijfplaats van de vijanden van het volk van God, want:

  • ‘Laat verzinken in de diepten van de aarde wie mij naar het leven staan’ (Ps.63:10).

We zullen er nu toch wel langzamerhand achter komen, dat wij die de waarheid hebben leren kennen, niet meer het beeld voor de werkelijkheid moeten houden. God moest in zijn openbaring wel rekening houden met de ontwikkeling die de mensen vroeger hadden. De profetie is immers naar de maat van het geloof. Voor ons zijn deze tijdgebonden voorstellingen beelden en gelijkenissen van de eeuwige onzichtbare wereld. Het doel van de schriften is, dat de hogere en geestelijke kennis overgedragen wordt met termen van gewoon natuurlijk spraakgebruik. Daarom sprak Jezus in gelijkenissen, omdat de hoorder daardoor gedwongen wordt tot een hoger begripsvermogen en tot transformatie van de betekenissen. De Heer wil immers dat wij vernieuwd worden in ons denken, dat is dat wij het oude, natuurlijk en zichtbare loslaten en het nieuwe, geestelijke en onzichtbare vastgrijpen door ons geloof. Tot ons wil de Heer in gelijkenissen spreken en soms in visioenen, zodat wij ziende wél opmerken en horende wél verstaan.