6. De koperen slang

Slangen in Egypte en in de woestijn

Niet alleen in Egypte maar ook in de woestijn had Mozes te strijden tegen het koninkrijk van de slang, dat van de duivel of de satan. In Egypte werd de slang als heilig dier vereerd en werd ze zelfs gemummificeerd. Door middel van magische spreuken wisten de tovenaars de natuurlijke slangen te onderwerpen en voor zich te winnen. Hiermee werd dan aangeduid dat zij in de onzienlijke wereld gezag hadden in het koninkrijk van de satan, waarvan de onderdanen zo veelvuldig met de onreine dieren worden vergeleken. De slang werd op deze wijze de beschermer van de Egyptenaren. Op het voorhoofd van de Farao was een afbeelding van een giftige cobra, die op bovennatuurlijke wijze de vijanden van de koning moest vernietigen.

We zagen echter dat Farao met zijn magiërs niet bestand was tegen de macht die Mozes over de duistere geestenwereld had ontvangen. De koning moest het volk van God immers laten vertrekken, nadat op bevel van Mozes het rijk van de duisternis zich tegen hem keerde. Farao was toen voor de satan een onbruikbaar instrument geworden en ten dode opgeschreven. Hetzelfde overkwam bijvoorbeeld later Herodes, toen deze tevergeefs Petrus geprobeerd had te doden. Hij werd toen zelf rechtstreeks door een engel van satan geveld (Handelingen 12). Toen Mozes zijn hand over de zee uitstrekte, werden Farao met zijn ruiters een prooi van de verderfengelen. In verband met Romeinen 1 zouden we kunnen zeggen, dat ‘God hen had prijsgegeven aan de machten met wie ze verbonden waren’.

De vurige draak

In de woestijn blijkt echter dat Israël nog steeds niet verlost is van de slang. In Deuteronomium 8:15 staat dat het volk ging: ’door een grote en vreselijke woestijn met vurige slangen en schorpioenen’. De Bijbel heeft heel wat namen voor de talrijke variaties van de slangenfamilie, die alle beelden zijn van satan’s demonen. De vurige slangen in de woestijn zijn echter niet als een bepaald reptielensoort aan te wijzen. De woestijn kent wel een enkele vergiftige slangensoort, maar deze komt niet massaal voor, zodat ze als sprinkhanenleger tot een plaag kan worden.

Wat bedoelt de Bijbel eigenlijk met vurige slangen? Letterlijk staat er het woord seraf (meervoud serafim) dat bijvoorbeeld in Jesaja 30:6 wordt vertaald door ‘vliegende draak’, ‘vurige, vliegende draak’ (St. vert.), ‘vliegende slang’ (Leidse vert.) en ‘gevleugelde draak’ (vert. Obbink). Uiteraard heeft dit woord niets te maken met de vliegende draak, een soort hagedis die in Indonesië voorkomt. Ook in Jesaja 14:29 lezen we over deze serafsslangen. Er is daar een climax in de opvolging van woorden: adder, ratelslang, vliegende draak (Can. vert.). De profeet schildert daar het rijk van de duisternis als een verzamelplaats van gruwelijke monsters, half dier, half demon. Het gaat over voort wiekende, vliegende, giftige slangen in de gestalte van mythische drakenfiguren.

De Serafs en Cherubs

In het begin van de schepping schiep God eerst de engelen in twee categorieën: de Serafs en de Cherubs. De Serafs waren Gods boodschappers, zoals bv. de engel Gabriël die de boodschapper was voor o.a. Daniël en Maria. De Cherubs zijn geschapen als Gods strijders om samen met God een kosmos te creëren die een bewoonbare planeet kon voortbrengen.  Dat alles vóór Gods kroon op zijn schepping te creëren, de mens. Daaronder noemen we b.v. Michaël die Gods gemeente bijstond bij de inname van Kanaän in de slag bij Armageddon (Openb.12). Ook lucifer was als cherub en grote lichtdrager geschapen, maar viel af van Gods plan. De gevallen engelen (inmiddels bekend als satan met zijn demonen) kunnen niet van ‘structuur’ veranderen. Op het moment dat zij zijn geschapen, waren zij immers klaar (Ez.28:11-17). Afgevallen engelen zetten hun destructie van Gods schepping voort maar dan aan de duistere zijde en in hun zelfde functie. De gevallen serafs zijn nu de bewakers van het dodenrijk, met Dood hemzelf aan het hoofd. De gevallen cherubs zetten hun verwoestende werken voort in het beschadigen van de schepping. Let daarbij op de aardas die uit haar plaats is gerukt, het verdwijnen van het watergewelf om de aarde, waardoor en nu koude en hitte, droogte, overstromingen en kollossale bergen zijn ontstaan i.p.v. een wereldwijd subtropisch klimaat. Daarbij willen zij vanaf de grootste scheuring aller tijden, mensen op aarde vermoorden en ze naar het dodenrijk voeren om voor eeuwig gevangen te zetten. Maar wie beseft zich dit vandaag nog?

De zonde van het volk

In Egypte waren de Israëlieten overweldigd door de vijand, maar in de woestijn werden zij een prooi van verderfengelen vanwege hun óngeloof. In plaats van God te gehoorzamen, verzochten zij Hem, dat wil zeggen dat zij Hem eisen stelden. In Numeri 21:4,5 wordt ons beschreven hoe Israël na 38 jaar zwerven in de buurt van het beloofde land komt. De Edomieten versperren echter de toegangsweg voor het gehate broedervolk en dan wordt het volk opnieuw de woestijn ingejaagd. Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de richting van de Rietzee om zo om het land Edom heen te trekken, werd het volk ongeduldig. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes:

  • ‘Waarom hebt u ons uit Egypte gevoerd? om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs (manna) walgen wij’. Letterlijk staat er: ‘De ziel van het volk werd kort’ (dat is driftig en giftig).

Vroeger hadden ze hun negativisme nog wel eens bij Aäron kunnen spuien, maar die was er niet meer. Nu komt de climax van ongehoorzaamheid, want het gaat immers rechtstreeks tegen God en Mozes. De Leidse vertaling heeft: ‘Het volk sprak onbeschoft tegen God en Mozes’. Gemis aan fijngevoeligheid ten opzichte van de stokoude leider is hier kenmerkend voor deze vleselijk gezinde rebellen. Deze geestgesteldheid wordt de oorzaak van de plaag van de serafsslangen, de vurige, vliegende draken.

Eenmaal had God het volk gered uit de macht van de slang, die weigerde Israël uit Egypte te laten trekken. Hij had het op wonderbare wijze gespijzigd met het manna uit de hemel. Nu verachten zij zijn werk en goedheid. Van hen kon geschreven worden: ‘Zij hebben hun tong gescherpt als een slang, addervergif is onder hun lippen’ (Psalm 104:4). Op deze wijze ruzieden zij met de gezalfde knecht van de Heer, tegen Mozes, de man van God. Eeuwen later schreef Paulus waarschuwend tot de gemeente van het nieuwe verbond:

  • ‘En laten we Christus niet tarten, zoals anderen deden, want daardoor werden ze door slangen doodgebeten. En kom niet in opstand, zoals weer anderen deden, want daardoor werden ze door de doodsengel vernietigd. Wat hun overkomen is, moet ons tot voorbeeld strekken; het is geschreven om ons, voor wie de tijd ten einde loopt, te waarschuwen’ (1 Cor.10:9-11).

Van dit opstandig en weerspannige volk, dat aan zijn door God gestelde leiders ongehoorzaam was, sprak God tot Samuël: ‘Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist Mij als hun koning. Zo is het altijd gegaan, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte heb geleid tot nu toe. Ze hebben Mij de rug toegekeerd en andere goden gediend en zo vergaat het nu ook jou’ (1 Samuël 8:7,8). Vanwege deze gezagscrisis kon toen van het volk worden gezegd: ‘Noem het Lo-Ammi, want het is mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (Hosea 1:9). ‘Want niet alle die van Israël afstammen (ook nu niet) zijn Israël en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn’ (Romeinen 9:7). Het zondige Israël had zich op één lijn gesteld met Egypte, dat met de slang werd geïdentificeerd. Nu werd het stof niet tot luizen, maar het zand van de woestijn scheen te worden veranderd in vergiftige, dood en verderf zaaiende slangen. Israël maaide wat het had gezaaid. Het had op de akker van het vlees gezaaid en het oogstte uit zijn vlees verderf (Galaten 6).

Serafsslangen

Paulus sprak over de verderfengel en over slangen. Deze prediker van het Koninkrijk der hemelen legde ogenblikkelijk verband tussen het zichtbare en het onzichtbare. Het opmerkelijke van het woord ‘seraf’, dat ook in Numeri 21 gebruikt wordt, is, dat het ook een categorie engelen aanduidt. In het roepingsvisioen van Jesaja in hoofdstuk 6 lezen we over serafsengelen. De profeet ziet ze in de tempel op het ogenblik dat de dorpelposten beven, de deuren opengaan en voor het eerst in de reddingsgeschiedenis mensen, die verzoend zijn door het bloed van het Lam, overgeplaatst worden in de hemelse gewesten. De (goede) serafs zijn daar heilige, gevleugelde engelen, die het toekomstige behoud verkondigen en vreugdevol uitroepen: ‘Heilig, heilig, heilig, is de Heer van de legermachten, de hele aarde is van zijn heerlijkheid vol’. Het woord ‘seraf’ betekent ‘brandend’. De serafs verteren elke vijandige indringer die de troon van God wil benaderen, ‘want onze God is een verterend vuur’ voor de demonen, die zijn plan met de mens tegenwerken. Ook de (goede) cherubs zijn in de tempel en zij beschutten en bewaken de troon, wat afgebeeld werd door de engelenfiguren van wie de vleugels boven de ark waren uitgespreid. Slechts een heilige natie, die gescheiden is van iedere boze geest en een koninklijk priesterdom dat door de zonen van God gevormd wordt, zijn de rechtmatige troonpretendenten.

Val van een troonengel

Eenmaal was Lucifer het hoofd van de beschuttende engelen. Deze aartsengel viel en sleepte veel cherubs mee. Ook onder de serafs waren er die zijn kant kozen. Zij bleven hun naam ‘brandend’ waarmaken, maar dan voortaan als verderfengelen. Zij horen bij het rijk van de satan. In Psalm 103:7 merkte David het geestelijke verschil op tussen Mozes en het volk Israël met de woorden: ‘De Heer maakte Mozes zijn wegen bekend, de kinderen van Israël zijn daden’. In de woestijn vielen velen van het volk door giftige slangenbeten. Dit speelde zich allereerst af in de zichtbare wereld. Israël zag daarin de straffende hand van zijn God en diens verschrikkelijke daden. Maar Mozes kende de wegen en gedachten van God. Hij merkte op wat in de onzichtbare wereld afspeelde. Hij zag daar de aanval van de vurige, vliegende draken op het zondige volk, dat het hart voor de vijand wijd had opengezet. Hun vleugels beeldden uit dat zij zich in de hemelse gewesten bewogen. Zij waren de wezenlijke vijanden van de Israëlieten en benutte hun kans vanwege de ongehoorzaamheid van het volk. Het waren hun zonden die scheiding hadden gemaakt tussen God en hen, zodat de vijand nu kon toeslaan.

Als Israël had geloofd in God en Mozes, had het kunnen heersen over deze vijanden, maar nu bezweek het vanwege zijn ongeloof. In het paradijsverhaal vinden we een parallel met deze woestijngebeurtenis. In de zichtbare wereld een schuifelende, verleidende slang en in de onzichtbare sferen de oude slang, de draak, dat is de satan en de duivel. Het is opvallend dat de vertalers het niet hebben aangedurfd het woord ‘seraf’ weer te geven door ‘vurige, vliegende draken’. Wat moet trouwens de ongeestelijke lezer aan met de vurige beten van de ‘boze geesten in de hemelse gewesten’? Hij zal zich deze gedrochtelijke monsters toch altijd weer concreet in de natuurlijke wereld voorstellen. Wie echter het boek Openbaring verstaat en dit geestelijk interpreteert, heeft beslist geen moeite zich voor te stellen hoe hemel en aarde op elkaar zijn afgestemd.

De verhoogde slang

Toen de gemeente te Corinthe op de verkeerde weg zat en door de onderlinge ruzies verdeeld werd, schreef de apostel:

  • ‘Daarom zijn er onder u veel zwakke en zieke mensen en zijn er al velen onder u gestorven. Als we onszelf zouden toetsen, zouden we niet worden veroordeeld’ (1 Cor.11:30,31). De tweespalt veroorzaakt bressen in de muur van de stad van God, vooral wanneer het volk zich tegen de van God gegeven leiders keert. In Numeri 21:7 staat: ‘Daarop kwam het volk tot Mozes en zei: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de Heer en tegen u gesproken; bid tot de Heer, dat Hij de slangen van ons wegdoe’. Israël zag toen het verband tussen zijn zonde en de slangen als symbool van de vijand. Jacobus schreef later tot de gemeente: ‘Beken elkaar uw zonden en bid voor elkaar, dan zult u genezen. Want het gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet’ (Jacobus 5:16).

De rechtvaardige Mozes kon zelf geen verlossing schenken, maar hij kon er bij zijn God om vragen. Deze verhoorde zijn gebed maar op andere wijze dan het volk zich had voorgesteld. Dit had immers gevraagd: neem de slangen weg. Het was alleen maar bang voor de gevolgen van de zonde. Mozes wilde echter Israël bevrijden van de verwekker van het kwaad, de onzichtbare slang, die de inwendige mens doodt met haar giftige beet. Israël moest genezen worden van zijn ongeloof en ongehoorzaamheid. In dit verband schreef de apostel, toen hij deze geschiedenis tot voorbeeld stelde: ‘God zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat u ertegen bestand bent’ (1 Cor.10:13). God neemt zijn volk niet uit de boze wereld weg, maar geeft het kracht om de satan te overwinnen. Zo werd de engel van de satan bij Paulus niet weggenomen, maar Gods genade, zijn Geest, was voldoende om hem te doen zegevieren. In de woestijn bleven de slangen woelen en woeden, maar God beval: ‘Maak u een seraf en zet deze op een staak’. Mozes zag verder en hoger dan het volk, want hij was deelgenoot van een hemelse roeping. Hij was ziende het onzienlijke. Daarom maakte hij een koperen of bronzen slang, een afbeelding naar het model dat de Heer hem in de geest had getoond (vergelijk Ex.25:40). Mozes verhoogde deze demonische seraf, dat betekent dat hij – in nieuwtestamentische bewoordingen – de slang openlijk ten toon stelde en zo over haar triomfeerde (Col.2:15). Wie van de gevolgen van de zonde bevrijd worden wil, moet allereerst zijn ware vijand leren kennen. Hij zal bidden:

  • ‘Verlos ons van de boze, dat wij, ontkomen aan onze vijanden, Hem zonder angst zouden dienen, toegewijd en oprecht, altijd levend in Zijn nabijheid’ (Lucas 1:74,75).

Er was voor Israël maar één vijand, namelijk de duivel, de oude slang. Het volk moest van alle geweld of heerschappij van de duivel verlost worden. Toen Mozes de staak met de slang oprichtte, deed hij dit met een profetische visie. Hij gaf getuigenis van al het lijden dat over Christus zou komen en van al de heerlijkheid daarna. Hem werd geopenbaard dat Hij niet zichzelf of zijn volk, maar ons diende (1 Petrus 1:11,12). Het volk van God kan nooit de strijd winnen, als het niet weet tegen wie het strijden moet. Mozes verhoogde de slang als teken van vervloeking. God wees daarbij de enige vijand van de mens aan. Het geestelijke monster moest ‘natuur’- getrouw worden nagebootst: het gevlekte lichaam, de opengesperde kop, de giftige tong en de mysterieuze vleugels. Niets mocht aan de afbeelding ontbreken, zelfs niet de rode kleur van de ‘rossige draak’ zoals Johannes die later in zijn Openbaring beschreef. Dan gaan de vreugdeboden met het evangelie van de heerlijkheid naar allen toe, die door de duivel zijn overweldigd. Ze roepen het uit: er is redding. Wie de koperen slang aanziet, mag leven. Waarom? Omdat deze vijand aan een paal onbeweeglijk is ‘gebonden’. Hij kan de mens niet meer aanvallen en bijten. Genas dan de slang de zieken, die het oog op haar hadden gericht? Neen, maar er staat:

  • ‘Zij waren de poorten van de dood nabij. Ze schreeuwden in hun angst tot de Heer – Hij heeft hen gered uit veel gevaren, Hij zond zijn woord en genas hen, ontrukte hen aan het graf‘ (Psalm 107:19,20). In het apocriefe ‘Boek van de Wijsheid’ lezen we iets soortgelijks: ‘Want wie zich daartoe keerde, werd niet behouden door wat hij gezien had, maar door U, de behouder van alles. Want noch kruid noch pleister heeft hen genezen, maar Heer, uw woord, wat alle dingen heelt’ (16:7,12).

Later identificeerde Jezus Christus Zich met de slang, toen Hij de zondeschuld van de wereld op Zich nam. ‘Christus heeft ons (daar) vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder, die aan het hout hangt’ (Galaten 3:13). ‘Hij heeft in zijn lichaam onze zonden het kruishout op gedragen, zodat wij, dood voor de zonde, rechtvaardig zouden leven. Door zijn striemen bent u genezen’ (1 Petrus 2:24). De vergeving van onze zondeschuld is een zaak in de onzienlijke wereld geweest. Wie gelooft, grijpt daar de verlossing, want het geloof is het bewijs – het zich toe-eigenen van de dingen – die men niet ziet (Hebr.11:1). Alleen door het geloof wordt de schuldvergeving realiteit, want:

  • ‘De Mensenzoon moet hoog verheven worden, zoals Mozes in de woestijn de slang omhoog geheven heeft, opdat iedereen die gelooft, in hem eeuwig leven heeft’ (Joh.3:14,15).

Nehustan

Naar men algemeen aanneemt, heeft men de koperen slang naar het beloofde land meegenomen. Daar kreeg het een plaatsje in de voorhof van het tempelgebouw of in de buurt ervan. Ongeveer 800 jaar later vinden wij deze slang terug als een uiterst heilig relikwie, waarvoor de pelgrims volgens de Septuaginta wierook brandden op een reukofferaltaar (2 Kon.18:4). Volgens de rabbijnen maakte deze slang haar aanbidders onvatbaar voor ziekte en ouderdomsgebreken. Deze dienst stond dus op hetzelfde niveau als die van de Griekse Asclepiostempels. Het esculaapteken – een staf waar zich een slang om kronkelt – is nog steeds het symbool van medici.

Bij Jeruzalem was ook nog de ‘slangen steen’, of ‘de steen Zohèleth die bij de fontein Rogel is’. Ook daar was een gewijde plaats waar Adonia met zijn helpers samenkwam om een paleisrevolutie te beramen (1 Kon.1:9). De godvrezende koning Hizkia zag hoe de ‘oude’ slang de tempelbezoekers tot afgoderij bracht (2 Kon.18:4). Wat eenmaal een heilzame uitwerking had, was tot een occult voorwerp geworden. Niet het geloof in het woord van God zou volgens deze pelgrims genezing hebben gegeven, maar het geloof in de bijzondere kracht van de slang. Daarom werd deze eeuwenoude relikwie in de tijd van Hizkia verachtelijk Nehustan genoemd, dat wellicht toverding of slangending betekent. De koning bewaarde deze afgod uit de oudheid niet als een kostbaar museumstuk, maar liet deze slang vanwege van zijn geloof in een levende God, verpulveren en verstrooien. Wat bij Mozes een geestelijke zaak geweest was, was bij het vleselijke volk tot een fetisj, dat is een voorwerp van afgodische verering geworden.

Waarschuwing

Ook dit gebeuren in de tijd van Hizkia is ons tot waarschuwing opgeschreven, zodat wij niet aan de tekens en symbolen van het nieuwe verbond occulte waarde toeschrijven. We denken hierbij aan de crucifixen, die voorwerpen worden van magie, die men tot op de dag van vandaag verbindt met bovennatuurlijke werkingen en meent de demonen ermee uit de kerk te kunnen verdrijven. Welke magische krachten heeft men bijvoorbeeld ook niet aan het doopwater toegeschreven. Zo wordt geleerd dat voor een ongedoopte baby de hemel is toegesloten en na de besprenkeling met waterdruppeltjes is geopend. Ook geloven velen dat in het brood en in de wijn bij het avondmaal een paranormale kracht zou zitten, die ook zonder geloof werkzaam kan zijn.

Veronderstel dat men eens het werkelijke kruis van Golgotha had gevonden. Het zou dan een centrum zijn geworden van pelgrimages. Verschijningen van hemelse wezens zouden er veelvuldig mee gepaard gaan, om maar niet te spreken van een verkoop van aflaten op grote schaal tot verzoening van zonden. Wat ook te denken van de eeuwenoude formulieren, de gecanoniseerde belijdenisgeschriften, het vasthouden en vereren van de voorvaders en het beroep op hun geschriften. Wat ook te denken van een kerkbesef dat berust op een met elkaar verbonden zijn van ouder op ouder, ook al zijn ze eeuwen geleden gestorven. Als christenen die in de eindtijd leven, willen wij echter onze vastigheid bezitten in Woord en Geest door een levende gemeenschap met onze verhoogde Meester die in de hemel is!