1. God van de hele aarde

Toen God zijn verbond met Abraham sloot, brak er een tijdperk aan, waarin Hij zich van de overige mensen afwendde. Hij bemoeide zich niet langer met de volken, zoals Paulus tot de Lycaoniërs sprak: ‘Hij heeft in de eeuwen die achter ons liggen, alle volken hun eigen weg laten gaan’ (Hand.14:16). Zij waren tot weduwen geworden en God had geen gemeenschap meer met hen. Voor hen waren de tijden van onwetendheid en verlatenheid gekomen. Ze waren overgegeven aan een verwerpelijk denken. Zij vormden ‘de onvruchtbare, die niet gebaard had’ (Jes.54:1). Ook Israël en Juda waren vol schuld tegenover de Heilige van Israël, maar ze werden niet in weduwschap gelaten (Jer.51:5). De vernedering en de smaad van de volken worden in het nieuwe verbond uitgewist. Paulus schreef: ‘En waar tegen hen gezegd is: ‘Jullie zijn mijn volk niet’ zullen ze kinderen van de levende God worden genoemd’ (Rom.9:26). Het bijwoord ‘waar’ wijst op de plaats waar God zijn besluiten neemt, op ‘de heilige godenberg’, waar alle zonen van God of aartsengelen, samen komen voor zijn troon, om ‘zich voor de Heer te stellen’ (Job 1:6). God zou immers zelf de mens vrijkopen door zijn Zoon, want Deze heeft zichzelf als Losprijs, vrijwillig aangeboden en is daardoor de Verlosser voor de zonden van de hele wereld (1 Joh.2:2):

  • ‘Want God had de wereld (en niet alleen Israël) zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, zodat iedereen (uit Sem, Cham en Jafeth) die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft’ (Joh. 3:16).

Jezus heeft een claim op de hele mensheid verworven en dus het recht ontvangen om uit alle natiën en talen zijn gemeente te winnen en te verzamelen. Het volk Israël naar het vlees had slechts een voorbijgaande, bijzondere betekenis. Het was een schaduw van de werkelijkheid en het is geen volk van de toekomst. Mozes wist dat de maquette van de hemelse tabernakel, die hij in de woestijn plaatste, van vergankelijke en tijdelijke constructie was. Er is nu sprake van: ‘een indrukwekkender en volmaakter tent – die niet door mensenhanden gemaakt is en niet hoort bij onze schepping’ (Hebr.9:11, vergelijk Ex.25:40). Zoals Abraham de hemelse stad met fundamenten verwachtte, waarvan God zelf de ontwerper en bouwmeester is, zo zag Mozes de realiteit van de hemelse tabernakel, waarvan gezegd wordt: ‘Zie, Gods woonplaats is onder de mensen’ (Openb.21:3). Deze woonplaats is de gemeente van Jezus Christus, ook genoemd een woonplaats van God in de geestelijke wereld (Ef.2:22). Daarom profeteerde ook Mozes van de voor ons bestemde genade, toen hij zei:

  • ‘Een profeet uit uw midden, uit uw broers, zoals ik ben, zal de Heer, uw God, u verwekken; naar hem zult u luisteren’ (Deut.18:15, vergelijk Hand.3:22 en 7:37). De begrenzing en bekrompenheid van het natuurlijke volk heeft voorgoed plaats moeten maken voor het geestelijk Israël: ‘Jood is men niet door zijn uiterlijk en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. Jood is men door zijn innerlijk en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God’ (Rom.2:28,29).

De belofte is: ‘Hem heb ik aangesteld als Vorst en Heerser over de naties, als getuige voor de volken. Ook U zult een volk ontbieden dat U nog niet kende en een volk dat U nog niet kende zal zich haasten om bij U te zijn, omwille van de Heer, uw God, de Heilige van Israël, die U deze luister heeft verleend.’ De ‘Heilige van Israël’ zal niet langer de God van het natuurlijk Israël heten, maar ‘men noemt hem God van de hele aarde’ (Jes.55:4,5; 54:5). De middelmuur van de afscheiding is weggebroken en zowel Semieten, Jafethieten als Chamieten kunnen wonen in Sems tenten.

In Sems tenten

Op de Pinksterdag werden in de talen van al deze volken de grote daden van God verteld. Jezus schept door de prediking over het Koninkrijk der hemelen en door de kracht van zijn Geest al deze volken ‘tot één nieuwe mens(heid)’ (Ef.2:15,16). Wanneer allen zijn bevrijd van de inwerking van de wereldbeheersers, van de streekgeesten, van de familiemachten, van gebondenheden, is er geen onderscheid meer tussen ‘Griek en Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar en Scyth, slaaf en vrije, maar alles en in allen is Christus’ (Col.3:11). Ze zullen allen als broers en zusters van hetzelfde huis in Sems tenten wonen. In 2 Corinthiërs 3:7-11 schrijft Paulus dat de bediening van de dood – die dus niet kon beletten dat allen in het oude verbond naar het dodenrijk gingen – met heerlijkheid gepaard ging. De glans van het oude verbond was dat het verdwijnen moest om plaats te maken voor het nieuwe. De heerlijkheid van het voorbijgaande, was dat zij voortdurend heen wees naar wat zou komen. Zo vindt bijvoorbeeld de aan de aarde gebonden rups haar heerlijke bestemming in de verwachting dat zij vlinder zal worden. Zo zongen de Korachieten:

  • “k Zie Rahab, ik zie Babel tot uw eer (namelijk van de stad van God) bij pen geteld, die mijne (Gods) grootheid zingen. De Filistijn, de Tyriër, de Moren zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht. Van Sion zal het blijde nageslacht haast zeggen: Deze’ en die is daar geboren. God zal hen zelf bevestigen, en schragen en op zijn rol, waar Hij de volken schrijft, hen tellen als in Israël ingelijfd, en doen, de naam van Sions kinderen dragen’ (Ps. 87:2-4 berijmd).

Rahab is een natuurmonster in de zee. In Job 26:12,13 staat: ‘Met zijn kracht doet Hij de zee bedaren en met zijn vaardigheid verdelgt Hij Rahab. Met zijn adem blaast Hij de hemel schoon, zijn hand doorboort de kronkelende slang.’ Deze mysterieuze draak is het embleem voor Egypte en beeld van de hemelvorst van dit land (vergelijk Jes.30:7; 51:9). De stamvader van de Egyptenaren was Mizraïm, een van de zonen van Cham. Het woord Mizraïm komt 87 maal in de Bijbel voor en is vertaald door het Griekse woord Egypte. De enige uitzondering vindt men in 1 Samuël 30:13, waar in het Hebreeuws staat: ‘Een jonge man, een Egyptenaar’. Mizraïm was ook de stamvader van de Filistijnen. Het merkwaardige is dus dat Psalm 87 de heilsbeloften verbindt aan het nageslacht van Cham. Niet met Jafeth had het volk Gods te strijden, maar met de zonen van Cham en de profetieën getuigen van de heerlijke overwinning op de machten van de duisternis, die met de Chamitische volken zijn verbonden. De profeet Jesaja zegt aangaande deze redding:

  • ‘Hij zei: ‘Dat je mijn Dienaar bent om de stammen van Jakob op te richten en de overlevenden van Israël terug te brengen, dat is nog maar het begin. Ik zal Je maken tot een licht voor alle volken, opdat de redding die Ik brengen zal tot aan de einden van de aarde reikt’ en ‘De een zal zeggen: ‘Ik hoor bij de Heer,’ de ander zal Jacobs naam gebruiken, een derde schrijft op zijn hand: ‘Van de Heer’ en tooit zich met de naam Israël’ (Jes.49:6; 44:5).

De Kananese vrouw

Het verging Jezus als 900 jaar tevoren Elia. Hij moest vluchten naar het heidense Fenicië vanwege de afkeer van zijn landgenoten. Nadat dezen aanvankelijk zijn boodschap over het Koninkrijk der hemelen met blijdschap ontvangen hadden, keerden velen van zijn leerlingen terug en gingen niet langer met Hem mee (Joh.6:66). Zij begonnen zich vijandig op te stellen tegen zijn woorden, die geest en leven waren. In het bijzonder vermeed de Heer de omgeving van het Galilese meer, waar Herodes Antipas, de moordenaar van Johannes de Doper, in Tiberias, dichtbij Kapernaüm, resideerde. Ook moest Hij ‘in het verborgen’ naar Jeruzalem reizen, om niet in moeilijkheden te raken. Hij ging langs sluipwegen zoals die door Samaria (Joh.7:10). In de synagoge te Nazareth had Jezus er al op gewezen, dat Elia door God was gezonden naar Sarepta, tussen Sidon en Tyrus gelegen. Daar kreeg de profeet onderdak bij een weduwe. Hij vond dus een schuilplaats in het land waar de vader van Izébel koning van de Sidoniërs was. In dit bolwerk van de duivel met zijn afschuwelijke Baälsdienst bouwde de profeet een egelstelling (versterkte stelling midden in vijandelijk gebied), voor Jahweh in het huis van de weduwe van Sarfath. Door het geloof had zij een koek voor Elia bereid, daarmee getuigende dat het werk van de wet in haar hart was geschreven. Dit wonder en de opwekking van haar kind uit de doden waren aanwijzingen, dat de tijd zou komen dat ook de Kanaänieten uit de hand van al hun onzichtbare vijanden zouden worden verlost.

Ook dit volk dat in dichte duisternis wandelde, zou een groot licht zien. In Sarfath bereidde Elia zich voor op het grote treffen met de vijanden van de Heer op de Karmel, waar hij het altaar van de Heer dat omver gehaald was, zou herstellen. Daar zou hij tonen dat hem macht was gegeven om in de hemelse gewesten de overwinning te behalen. Als het waar is wat de kerkvader Hiëronymus, de eerste christen uit het Westen die het Hebreeuws kende en de Bijbel in het Latijn vertaalde, een werk dat als de Vulgata algemeen werd gebruikt, schreef, dat de profeet Obadja dezelfde persoon was die ten tijde van Achab honderd profeten voor deze koning verborgen hield, was hij op de hoogte van wat zich in Sarfath had afgespeeld. De laatste verzen van zijn korte profetie wijzen erop, dat eenmaal ‘in de dag van de Heer’ ‘verlossers de berg Sion zullen bestijgen’ om ook het land van de Kanaänieten tot Sarfath toe, te bevrijden.

In Mattheüs 15:21-28 en in Marcus 7:24-30 wordt verhaald dat Jezus uitweek naar het gebied van Tyrus. Dit vormde het zuidelijke deel van de Romeinse provincie Syrië en grensde in het zuiden aan Galiléa. Wij wezen er al eens eerder op dat Tyrus in het bijzonder onder de heerschappij van de overste van deze wereld stond. De koning van Tyrus wordt in Ezechiël 28 met de duivel zelf geassocieerd. Jezus’ wens om bij het betreden van een huis onbekend te blijven werd niet vervuld. Het gerucht over Hem was tot in geheel Syrië doorgedrongen (Matth.4:24). Een vrouw die over zijn wondermacht had horen spreken, vernam dat Hij in de nabijheid was. In groot geloof komt zij onmiddellijk op de Redder af. Marcus noemt haar een ‘Helleense’, een woord dat door ‘Grieks’ is vertaald. Hierdoor werd zij als heidense aangeduid, omdat het oosterse heidendom met al zijn religies door de Griekse cultuur tot één internationaal veelgodendom was samengebracht.

De evangelist gebruikt het woord ‘Syro-Fenicische’ om haar nationaliteit aan te duiden. Zijn evangelie werd waarschijnlijk in Italië geschreven en hij kon deze vrouw niet enkel als Fenicische aanduiden, want dan dacht iedere Romein aan de streek van Carthago in Noord-Afrika. In de derde Punische of Fenicische oorlog was immers Carthago in 146 voor Christus door de Romeinen verwoest. Daarom spreekt Marcus hier over een ‘Syro-Fenicische’, dit wil zeggen een inwoonster uit de kuststrook van Tyrus en Sidon. Het doet daarom zeer vreemd aan, dat Mattheüs het heeft over ‘een Kananese vrouw uit dat gebied’. Dit was een verouderde uitdrukking en werd niet meer gebruikt, evenmin als wij zeggen bij een bezoek aan Twente, dat wij daar een vrouw uit Tubantia – een Germaans woord voor Twente – hadden ontmoet. Bij Mattheüs gaat het er echter om aan te geven, dat Jezus hier contact kreeg met een Kanaänitische vrouw, wier volk tot in het verste geslacht vervloekt was. Deze evangelist beschrijft hier de strijd van Jezus in de hemelse gewesten op het terrein, dat specifiek aan de duivel toebehoorde. Let er ook op dat uitdrukkingen als ‘hemelse Vader’, ‘kinderen van het Koninkrijk’, ‘Koninkrijk der hemelen’ kenmerkend voor deze evangelist zijn. Van de 12 gelijkenissen die hij opgetekend heeft, handelt er slechts één niet over het Koninkrijk der hemelen.

In Mattheüs 13:52 ontmoeten wij een ‘Schriftgeleerde’, onderwezen in het Koninkrijk der hemelen. Het gaat er bij hem om, ‘dat de Schrift vervuld zou worden’, dus om aan te tonen dat de profeten zonder uitzondering over de voor ons bestemde genade hebben geprofeteerd. In het specifieke domein van de vijand zal Jezus tonen dat ook Kanaän mag wonen in Sems tenten. Hier komt dan ook een grote keer in zijn prediking. Hij kwam eerst tot het zijne, maar de zijnen namen Hem niet aan. Toen dit openbaar geworden was, werd bewaarheid:

  • ‘Hij kwam naar wat van Hem was, maar wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen. Wie Hem wel ontvingen en in zijn Naam geloven, heeft Hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God’ (Joh.1:11-13). In Mattheüs 10:5-8 gebood Jezus nog zijn leerlingen: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in en bezoek geen Samaritaanse stad. Ga liever op zoek naar de verloren schapen van het volk van Israël. Ga op weg en verkondig: ‘Het koninkrijk van de hemel is nabij’. Genees zieken, wek doden op, maak mensen die aan huidvraat lijden rein en drijf demonen uit.’

Nu komt Jezus wél op de weg van de heidenen en daar drijft Hij boze geesten uit. Nu gaat Jezus wél naar Samaria om in die streek ‘velen’ tot het geloof te brengen, want de ‘velden’ (meervoud) waren wit om te oogsten (Joh.4). Openlijk zou Hij verder de Joden erop wijzen, dat Hij nog andere schapen had, die niet van hun stal waren. Deze zouden naar zijn stem horen en het zou worden één kudde en één herder. De religieuze geesten reageerden hierop in grote vijandschap met de opmerking: ‘Hij is bezeten en waanzinnig’ (Joh.10:16-21). De Kananese vrouw sprak de Heer aan met de titel ‘Zoon van David’. Zij erkende hiermee dat Jezus ‘het koningschap over Israël zou oprichten’ (Hand.1:6). In de onzienlijke wereld betekende dit dat Jezus na zijn opstanding de troon van zijn vader David zou bestijgen, die identiek was met de troon van God (Hand.2:30,31; 1 Kron.29:23). Zo kwam immers de troon van de koning van Tyrus overeen met die van de overste van deze wereld (Ez.28:11-19). De vrouw doet een beroep op Jezus, die rondging om de werken van de duivel te verbreken, want haar dochtertje was ‘ernstig bezeten door een boze geest’. Let erop dat het Koninkrijk van God niet vanzelf over deze vrouw komt, omdat er nu eenmaal in het optreden van Jezus een nieuwe situatie was ontstaan. Er staat immers: ‘zovelen Hem áángenomen(!) hebben.’ Jezus stelt deze vrouw op de proef met de woorden:

  • ‘Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israël’, dat was tot de brede massa van het volk dat zonder ware herders was en zuchtte onder het wettische juk van Farizeeën en Schriftgeleerden: ‘En Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden, want het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen’. De Statenvertaling heeft het verkleinwoord ‘hondekens’ en een van deze zou dan het bezeten dochtertje van de Kananese vrouw zijn.

Let op het woordje ‘eerst’. De bedoeling is immers: eerst de Jood en via hem ook de heiden. Zo is het ook gebeurd. De eerste groep over wie Jezus koning zou worden en over wie Hij vanuit zijn hemelse troon regeren zou, bestond uit Joden. Het ging niet over het hele volk, maar er was geprofeteerd: ‘Al zou het volk van Israël zo talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, slechts een klein deel zal worden gered’ (Jes.10:22; Rom.9:27,28). Deze rest ontstond op de Pinksterdag, toen 3.000 Joden en Jodengenoten zich bekeerden en zich lieten dopen op de naam van Christus tot vergeving van hun zonden en zij de gave van de Heilige Geest ontvingen. Later is er sprake van een getal van ongeveer 5.000 mannen. In Handelingen 6:7 staat:

  • ‘Het woord van God vond steeds meer gehoor, zodat het aantal leerlingen in Jeruzalem sterk groeide; ook een grote groep priesters aanvaardde het geloof.’

Verder ontstonden er veel gemeenten in Judea, die het zeer moeilijk hadden vanwege de vervolgingen door hun volksgenoten, de niet bekeerde Joden (Gal.1:22; 1 Thess.2:14). Jezus Christus vestigde zijn gemeente op het woord van Joodse apostelen en profeten, die ‘de redding die allereerst door de Heer gebracht was, op betrouwbare wijze aan de wereld hebben overgeleverd’ door hun geschriften (Hebr.2:3). In Handelingen 15:16,17 wijst de broer van de Heer naar de profetieën, waarin de bekering van de heidenen werd voorspeld. Eerst zou de vervallen en de ineengestorte tent van David weer overeind worden gezet. Dit gebeurde op de Pinksterdag. Daarna zouden de overige mensen en alle volken de Heer zoeken. Daarom zingen wij: ‘Wat Davids huis was toegezegd, dat wil Hij óns nu schenken’. De Kananese vrouw kan echter niet op een toekomende tijd wachten. Wie zo’n beschadigd kind heeft, begrijpt dat deze vrouw niet gebaat was met wat later zou worden geopenbaard. De Hebreeënschrijver heeft het over een rij van geloofsgetuigen, die getuigenissen ontvingen dat zij God behaagden, omdat zij de hand legden op iets dat komen zou. Onder hen was de Kanaänitische vrouw Rachab. Zij ontving beloften die eigenlijk niet voor haar tijdperk waren bestemd. Ook de weduwe te Sarfath was haar tijd vooruit. Nu doorbreekt deze Kananese vrouw de vervloeking die op haar geslacht rustte. Zij zegt:

  • ‘Ja, maar voordat de maaltijd van de kinderen is afgelopen, eten de honden al mee van de afval van de tafel’.

In een gelijkenis had Jezus haar uitgelegd, dat haar dochtertje nog geen recht had op verlossing. Dit zou pas later gebeuren. De vrouw vangt nu Jezus vrijmoedig in zijn eigen woorden. Met haar geloofsoog en gedreven door moederliefde ziet zij de mazen, waardoor zij zich kan heen dringen. De vrouw heeft niet te doen met een systematicus, die de regels consequent en onwrikbaar hanteert, niet met een Farizeeër en Schriftgeleerde die het voornaamste van de wet, het oordeel en de barmhartigheid, nalieten. Zij ziet voor haar de goede Herder die met barmhartigheid is bewogen. Jezus verheugde Zich over haar antwoord, zoals Hij dit ook deed met dat van de hoofdman te Kapernaüm. Beiden hadden een geloof zoals Jezus in Israël niet had gevonden. De Heer hoefde zelfs hun huizen niet meer in te gaan om persoonlijk contact met de zieken te krijgen. De kracht van de wetteloze geesten was al verbroken en zowel de knecht van de centurio als het dochtertje van de Kananese vrouw waren ter plekke genezen.

Het boek Handelingen vermeldt dat de eerste bekeerling uit de heidenen een eunuch was uit Ethiopië. Ook hij was een nakomeling van Cham, want Ethiopië is in het Hebreeuws ‘Koesj’, welke naam men tegenkomt in vers 6 van de volkenlijst in Genesis 10. Zo kwamen de redding en verlossing van Christus tot alle volken in het begin van het nieuwe verbond!