‘Last’stenen voor het volk 

Een lezer las een artikel over de oostelijke muur van de tempel en vraagt:

  • ‘Het gaat over die enorme steenblokken, een meter lang, een meter breed en bijna twee meter hoog. Er waren zelfs stenen bij van meer dan tien meter lang. Hoe hebben die mensen vroeger die stenen bij elkaar en op elkaar gekregen? Wat voor werktuigen hebben ze daarvoor gebruikt? Als men deze stenen zou moeten verplaatsen, zouden er weet ik hoe veel machines voor nodig zijn geweest. Toentertijd moet het toch wel een vreselijk karwei zijn geweest. waarschijnlijk zullen daar wel slaven voor zijn gebruikt’.

Allereerst ben ik blij dat deze lezer een artikel zo nauwkeurig heeft gelezen, dat zij ook geïnteresseerd was in de couleur locale, dus de bijzonderheden die wij in onze artikelen weergeven van de beelden in de geestelijke wereld. Wij ontlenen de gegevens over de aardse tempel aan de archeoloog André Parrot, de schrijver van een serie ‘Bijbel en archeologie’ (13 deeltjes). Het is inderdaad nog vaak een raadsel voor ons hoe men vroeger bij gebrek aan de ons bekende werktuigen, zulke reusachtige bouwwerken kon maken. De tempel van Herodes en die van Salomo zijn net als de grote piramide van Cheops door spierkracht gebouwd en niet door occulte krachten van de duisternis, hoewel het bij het bouwen allesbehalve zachtzinnig toeging.

Van de tempel van Salomo staat in 1 Koningen 5:13-18 geschreven dat afwisselend 10.000 arbeiders slavenwerk moesten verrichten in het gebergte van de Libanon: een maand op en twee maanden af. Deze werkers waren Israëlieten en dus geen slaven (1 Kon.9:22). Daarnaast had Salomo 70.000 lastdragers en 80.000 steenhouwers in de Libanon. Deze 150.000 slaven waren ‘vreemdelingen in het land van Israël’: Amorieten, Hethieten, Hevieten, Jebusieten. Het totaal van de werkers met de opzichters erbij was 163.000 man. Al onder koning David was men bezig de stenen van de tempel op de plaats waar zij gehouwen werden, ook pasklaar te maken en dan te vervoeren (1 Kron.22:2). Sommige waren extra groot en zwaar. De grootste die te Jeruzalem gevonden werd, is bijna twaalf meter lang en weegt meer dan 100.000 kg.

Op sommige stenen staat nog een merkteken van de Fenicische steenhouwers. Wanneer in Egypte de Nijl buiten zijn oevers trad en men van het werk op het veld rustte, werden de boeren bij honderdduizenden bij elkaar gedreven voor de bouw van het grafmonument, dat ‘Horizon van Cheops’ heette. Binnen een tijdsbestek van 20 jaar werden er 2.300.000 stenen blokken door menselijke handen aangebracht en opgestapeld, zodat de top van de piramide 146 meter hoog werd. De Sint Pieter en de Sint Paul kunnen bij wijze van spreken in dit graf worden ondergebracht. De bouwers in de oudheid kenden geen mechanische werktuigen zoals katrol, lier of hijskraan. Ze behielpen zich met touwen en hefbomen. De ‘verworpenen van de aarde’ trokken de grote steenblokken tegen de lemen sleephellingen naar boven. Het oppervlak van deze hellingen werd voortdurend nat gehouden om het glibberig te laten zijn. Men gebruikte op harde bodem wel boomstammen om de blokken voort te rollen. De touwen waren van papyrus om te trekken of te hijsen. Met koperen beitels werden de ruwe blokken uit de rotsen gehakt. Ook gebruikte men wel houten wiggen, gemaakt zodat ze opzwollen en de stenen spleten. Het verre vervoer ging zoveel mogelijk per boot.

In ‘Goden, graven en geleerden’ schrijft C.W. Ceram: Meer dan 4500 jaar geleden:

  • ‘van de Nijloever omhoog rolt een brede stroom naakte slaven aan, blanke en zwarte, met platte neuzen, met dikke lippen en kaalgeschoren hoofden. Stinkend naar slechte olie en zweet, naar ramenas, uien en knoflook, gillend en zuchtend onder de zweepslagen van de opzichters, trokken ze over de gepolijste granieten tegels van de straatweg, die van de Nijl naar het bouwterrein opwaarts liep, kreunend onder de last van de zelen die in hun schouders sneden en sleurden de reusachtige, op walsen langzaam voortrollende sleden mee, beladen met stenen, die elk meer dan een kubieke meter inhoud hadden. Onder hun gekreun, hun geschreeuw, hun sterven groeide de piramide’.

De bouwvallen van de Jupitertempel te Baälbek in de Bekavallei zijn de meest grandioze van de hele Romeinse oudheid. Daar liggen stenen van 10 meter lengte en 4 meter dikte, die de onderbouw van deze tempel vormden. Eén steen, die men bij dit niet geheel voltooide bouwwerk in het veld heeft laten liggen, is de grootste bouwsteen op de wereld. De mankracht die nodig was om dit gigantische rotsblok vanuit het gebied van de Rode Zee te vervoeren, gaat elke voorstelling te boven. De majestueuze tempel te Baälbek gewijd aan Jupiter en de kleinere Bacchus- en Venustempel daar zijn een herinnering aan de zedeloze Fenicische Baälcultus. Deze spreekt van priesterdespotisme en van niets ontziende wreedheid tijdens hun bouwen ook van bloedige mensenoffers. De geweldige piramiden getuigen nu nog van de egocentrische levenshouding van de farao’s en hun gebrek aan gemeenschapszin. Bij hen ging het er uitsluitend om hun gemummificeerde lichaam en hun onsterfelijke ziel ongestoord te laten bestaan. Duizenden levens werden opgeofferd om hun een eeuwige ‘veiligheid’ te garanderen.

Wat nu te zeggen van Salomo? Deze verloor de sympathie van de gewone man van het volk, het gevoel van meeleven waaraan het David nooit had ontbroken. In het Noorden betaalde Salomo een heidens collega met Israëlitische onderdanen en hun land (1 Kon.9:11). Dit om het bouwen van eigen paleis en de tempel te financieren. Bij de scheuring van het rijk zeiden de vertegenwoordigers van Israël tot Rehabeam, de zoon van Salomo: ’Uw vader heeft ons juk hard gemaakt’ (1 Kon.12:4).

De bouwer van de laatste tempel in Jeruzalem was koning Herodes, een sterk figuur zonder enige scrupules. Een moord meer of minder telde zo nauw niet, al was dit op een nabestaande in zijn gezin. Om zich van de gunst van het volk te verzekeren vernieuwde hij op grootse en luxueuze wijze de tempel die na de ballingschap was herbouwd. Hij nam meer dan 10.000 werklieden voor dit doel in dienst en leerde bovendien 1.000 priesters metselen, zodat zij in de heiligste gedeelten van de tempel dit werk konden verrichten. Zo was deze Edomiet de Joden een Jood en de Grieken een Griek, met dien verstande dat zijn volle sympathie naar de Grieken uitging en hij het Joodse masker alleen uit politieke overwegingen opzette.

Wij zijn blij dat wij gebouwd worden tot een woonplaats van God in de Geest, waar allen die honger en dorst hebben naar de gerechtigheid, welkom worden geheten en van waaruit de zachtmoedigen de aarde zullen erven. Deze tempel is gebouwd op het grote en vaste fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus Zelf de immense hoeksteen is. Hij is ook de aanstootgevende steen die men niet aan de kant kan schuiven. Van zijn gemeente kan dan ook gezegd worden dat zij een zware ‘laststeen’ is voor alle volken. Allen die haar willen opheffen om haar met haar Heer ook ‘spottend’ aan de kant te schuiven, zullen zich flink verwonden (Zach.12:3, zie ook de Septuagint).