
‘Daarom is mij (zodat ik mij door het alles overtreffende karakter van de openbaringen) niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven. Een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, zodat ik mij niet te zeer zou verheffen’ (2 Cor.12:7).
Paulus heeft zich altijd wel willen verheffen in de hemelse gewesten. Hij was zeker niet hoogmoedig of superieur, zoals de mensen er van gemaakt hebben. Velen zeggen: ‘Paulus kreeg een doorn in het vlees, zodat hij niet hoogmoedig zou worden’. Zij tonen hiermee aan dat ze helemaal niet begrijpen wat Paulus gezien heeft in de hemelse gewesten. Dat hij dingen gezien heeft in een andere dimensie, zodat hij het evangelie van het koninkrijk van de hemelen kon doorgeven. Hij kon de dingen bedenken die boven zijn en die aan ons bekend maken. Jezus heeft diezelfde boodschap gebracht: ‘De Mensenzoon die in de hemel IS’. Je verheffen betekent er bovenuit getild worden.
Paulus kon zich verheffen, maar hij kreeg een doorn in het vlees zodat hij zich ‘niet al te zeer zou verheffen’. Andere vertalingen zeggen: ‘niet te uitbundig’ of ‘buitengewoon zou verheffen’. Hij kon dus niet de climax bereiken, de top van de berg Sion. Wat kan de reden zijn dat je je niet helemaal kan verheffen? Zorgen, druk, spanning, kinderen, echtgenoot of echtgenote, werk of zwarte kerk. Paulus had een engel van satan, de doorn in het vlees, die hem belette om zich te verheffen. Zolang je tegengehouden wordt, kun je je plaats niet innemen in de hemelse gewesten. Paulus werd zwak gemaakt door een demon van satan, niet door God, maar de satan viel hem aan.

Paulus spreekt over ‘de engel van satan die mij ‘slaat met vuisten’, ook wel vertaald door stompen of oorvijgen geven. Dat maakt mij zwak. Ik kan er niet meer tegen op. Verschillende keren heb ik in de gevangenis gezeten, al schrijvend over het koninkrijk van God wat gerechtigheid en vrede brengt’. Vrede is afwezigheid van levensstoornis, maar Paulus was verschillende keren gegeseld en onder de stenen uit gekropen, terwijl ze hem voor dood hadden achtergelaten. Is dat dan ironie als Paulus schrijft over het Koninkrijk wat leven geeft? Hij is immers zo vaak uitgescholden en belasterd?
‘Driemaal heb ik de Heer hierover gebeden, dat hij van mij zou aflaten’ (2 Cor.12:8).
Paulus heeft er al vaker met de Heer over gesproken. Het mankeerde hem niet aan inzicht en kennis, hij werd niet geremd door zondemachten, maar hij kon zich niet verheffen. De omstandigheden beletten hem dat en daar wou hij maar wat graag onderuit. Niet voor zichzelf, maar zodat hij zich dan nog méér kon verheffen. Dat was heel logisch, denk je eens in: als je 24 uur in het water rond dobbert, heb je dan nog de kracht om je in de hemelse gewesten te begeven? Voor de derde maal spreekt hij er weer over met de Heer: ‘Help me toch, Heer, elke keer als ik me wil verheffen, drukt de satan me weer met de neus op de feiten. Dan ben ik bekaf van de nachten zonder slaap, dan word ik weer vastgezet in de gevangenis en zo zijn er meer situaties die mij tegenwerken’. En nu zegt de Heer:
- ‘Paulus, Ik ga jou een nieuwe visie geven. Voordat je je werk gaat beginnen, zul je een totaal andere visie brengen dan de Joden en christenen ooit hebben gehad: de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid’.
Het lijden is ingecalculeerd in de kennis van de hemelse gewesten en daar moeten we bovenuit leren stijgen. We worden (buiten onze schuld) tegen gehouden door satan, maar we zullen merken dat we overwinnen, dat we de berg Sion kunnen beklimmen.
De berg Sion beklimmen

‘En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid. Daarom zal ik veel liever roemen in mijn zwakheden, zodat de kracht van Christus in mij komt wonen. Daarom heb ik een behagen in zwakheden, in smadelijke behandelingen, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus’ wil. Want wanneer ik zwak ben, dan ben ik machtig’ (2 Cor.12:9,10).
Paulus legt in Hebreeën 12:18 en volgende, de link naar de berg Sinaï. In de tijd van Mozes gaf de Heer de opdracht dat het volk bij de langgerekte toon van de hoorn de berg moeten bestijgen (Ex.19:13). Eerst moeten ze zich heiligen en na 3 dagen mogen zij via de dalen en kloven, door de struikgewassen naar de berg Sion komen. Als ze die berg zien, zien ze één en al donkerheid, een zwarte nacht, een Egyptische duisternis. Onweer en bliksemschichten, het is angstig om te zien. Toch mogen ze die berg opklimmen, naar de top toe, want God is daar. Ook de demonen zijn daar, omdat bij iedere opgang naar de hoogte, de boze geesten dit willen beletten en dwarsbomen door storm en vuur. Maar het volk wordt bang, want voordat ze bij de top zijn moeten ze door die duisternis, door het oplaaiende vuur. Ze blijven ver uit de buurt van de berg en zeggen tegen Mozes: ‘Ga jij maar naar boven, God moet niet met ons spreken, anders sterven wij’. Het volk was in paniek door hun ongeloof, daarom zijn ze ook nooit in Kanaän gekomen. Het land leek hen wel aanlokkelijk, maar zij waren ook daar bang voor de vijanden. Een volk wat niet in staat is de berg te beklimmen, is ook niet in staat het nieuwe land binnen te trekken.
Hoe reageren wij?
Er zijn christenen die zeggen:
- ‘Maar wij hebben de berg Sion i.p.v. de Sinaï, dat is een groot verschil. Wij klimmen spelenderwijs naar de top. Het is veel gemakkelijker. Wij zijn immers genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn. Wat wil je nog meer? Deze berg beeft niet, er is geen onweer…’
Maar deze mensen maken een grote vergissing. Want is het wel waar wat zij zeggen. Paulus zegt immers daarna: ‘Zijn stem bracht indertijd de aarde aan het wankelen. Nu echter heeft Hij openlijk gezegd: Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven!’ (vers 26). De laatste hoofdstukken van de Hebreeënbrief gaan juist over worstelingen en strijd. In Hebreeën 12:12 heeft Paulus het over slappe handen en knikkende knieën. Er is dus sprake van moeiten en lijden bij het beklimmen van de berg. Paulus roept de Hebreeën op om Jezus te volgen, de Leider en Voleinder van het geloof, die het kruis op zich genomen heeft. Jezus zei over Zichzelf: ‘Moest de Christus niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?’ (Lucas 24:26). Wij volgen Hem. Ook al is de duivel een verslagen vijand, we zullen er toch doorheen moeten trekken om op die berg Sion te komen. Dat is nodig, anders winnen we de slag van Armageddon nooit.

Als wij nu al knikkende knieën krijgen, wat moeten wij dan in Armageddon? Jezus waarschuwt ons dat er veel verdrukkingen zullen komen. Hij zegt erbij dat velen zich zullen ergeren (Stat.Vert.) oftewel zij zullen ten val komen. De goede strijd is nodig, anders winnen we de slag van Armageddon nooit. Als wij nu al knikkende knieën krijgen, wat moeten wij dan in Armageddon? Het is dus een heel ander verhaal dan een christelijk pretpakket met mooi weer.
Paulus sluit Hebreeën 12 af met de mededeling: ‘Onze God, een verterend vuur.’ Het is een omschrijving van God. God is zelf het verterende vuur niet, want God is boven dat verterende vuur. Je moet dus door het verterende vuur heen om tot God te komen. Het verterende vuur is dus de verdrukking, het lijden, de engel van satan, de doorn in het vlees. De hemelen bewegen, d.w.z. de onzienlijke wereld is in beweging en daar moeten we doorheen om de top te kunnen bereiken en als zonen van God tevoorschijn te kunnen komen. We zullen moeten standhouden, zoals de weduwe die ‘Verschaf mij recht’ bleef roepen (Lucas 18). Zullen wij er ook doorheen gaan en doorzetten, net als die weduwe? Hoe gaan wij om met het lijden dat ons deel wordt als wij de top willen bereiken? Worden we mismoedig, gaan we negatief denken? Als we dat doen, komen we er zeker niet doorheen. We kunnen het proberen te ontlopen, maar we willen onze opdracht hier op aarde uitvoeren, zodat we binnen in het koninkrijk van God komen, de top van de berg Sion. En daar hoort verdrukking bij.
David en Goliath als voorbeeld
‘Ik kom naar jou toe in de Naam van de Heer van de hemelse legers, de God van de slagorden van Israël’

We gaan die moeilijkheden tegemoet in de naam van de Heer, zoals David, Goliath tegemoet trad. ‘Mijn genade is u genoeg’. God is vol genade voor ons en geeft ons de doop met Gods Geest, de kennis van de hemelse gewesten, de zekerheid van het geloof en de volharding. We komen niet om, we gaan er door heen. We zullen merken dat die duisternis ons niet beschadigt, we hebben de zekerheid dat we overwinnen door de kracht van God. Paulus is ook niet omgekomen, omdat hij wist dat hij maar één doel had en de vijand hem niet te pakken kon krijgen. We willen niet in de handen van de vijand vallen en niet door hem overweldigd worden. Dan kunnen we met Paulus zeggen, in welke situatie we ook zijn: ‘Verblijdt u altijd in de Heer, ik zeg het opnieuw: verblijdt u’. God geeft ons genoeg om te leven. Hoe meer moeilijkheden, hoe meer kracht we krijgen om er tegen bestand te zijn. In die kracht zit ook kennis en wijsheid, zodat we herstellen en ons ontplooien. We hebben de rust van God en de vrede die alle verstand te boven gaat, al zitten we midden in de strijd. Zo zullen we overwinnen als we de wedloop lopen. Jeremia zegt:
- ‘Als u met voetgangers loopt, maken zij u moe; hoe zult u dan een wedloop beginnen met paarden? In een vredig land voelt u zich niet veilig; hoe zult u het dan maken in de pronk van de Jordaan – waar de wilde beesten zijn?’ (Jer.12:5).
Paulus roemt in de mens die in Christus is, de geestelijke mens die in Christus zijn gedachten heeft. De mens die een troon verwerver is en die er doorheen gaat omdat hij Jezus in alles wil volgen. Zo blijven ook wij staan met onze wapenuitrusting aan (Efeze 6). We gaan niet onder, al staan we onder zware druk. Wij nemen geen aanstoot aan het lijden, wij vragen ons niet af: waarom? Dat is een welvaartsdroom waar we van afstappen, want dat werkt niet. Aan onze littekens is te zien dat wij veel slagen hebben gehad, ook al doen we net als Paulus helemaal niets verkeerd en hebben we geen schuld. Wij staan net als hij als rechtvaardigen voor God en zoeken de dingen die boven zijn. God zal ons elke keer helpen als wij in moeite zijn. Als wij zwak zijn, dan is God machtig, Hij geeft ons kracht.