18. Het laatste oordeel

<<<<<

Bij de beschrijving in Openbaring 20 van het laatste oordeel ziet Johannes een grote, schitterende troon, teken van heerschappij en oordeel. Ongetwijfeld bevindt zich behalve de eeuwige God ook het Lam in het midden ervan. In verband met deze autoriteit zei de Heer immers:

  • ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. Over het oordeel werd door Hem gezegd: ‘Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft het hele oordeel aan de Zoon gegeven’ (Joh.5:22). In Handelingen 17:31 staat: ‘Want Hij heeft een dag vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen. Daar heeft Hij iemand voor aangewezen en Hij heeft dit voor iedereen geloofwaardig gemaakt door Hem uit de doden te laten opstaan’.

Onze Heer zit op de troon als ‘koning, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd. De laatste vijand die onttroond wordt is de dood’ (1 Cor.15:25,26). In het laatste oordeel worden ook Dood hemzelf en zijn demonen, de cipiers van de gevangenis, in de vuurpoel geworpen. Onze Heer verwijst hen naar deze ‘plaats’ voor eeuwig, dus zonder einde. De troon van Jezus is echter groot, want naast Jezus heeft ook de gemeente deel aan het oordeel, zoals Paulus schreef: ‘Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ Niet alleen de zichtbare, maar ook de onzichtbare wereld wordt door de zonen van God berecht. Zij die de goede strijd gestreden hebben, zijn ook in staat om een rechtvaardig en barmhartig oordeel te vellen, net als van Jezus gezegd wordt, dat Hij ‘kan meevoelen met onze zwakheden’ (Hebr.4:15). Johannes zag hoe de gestorvenen van alle eeuwen, met uitzondering van hen die deel hadden aan de eerste opstanding en van hen die overgeplant waren in het paradijs, uit het dodenrijk verrijzen. Dan wordt vervuld:

  • ‘Er komt een uur waarop allen die in het graf liggen zijn stem zullen horen en eruit zullen komen; wie goed hebben gedaan zullen opstaan om te leven, wie kwaad hebben gedaan zullen opstaan om veroordeeld te worden‘ (Joh.5:28,29).
  • Daniël schreef over de tweede opstanding: ‘En velen van hen die slapen in het land van het stof zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om de vernedering van een eeuwige schande te ondervinden’ (Dan.12:2).

Er is sprake van ‘velen’ en niet van ‘allen’, omdat talrijke gestorvenen deel zouden krijgen aan de eerste opstanding, of de dood nooit zouden zien (Joh.8:51). Let op de tegenstelling tussen: eeuwig leven en eeuwige schande. Deze zelfde aanduiding van eindeloosheid gebruikte ook Jezus, toen Hij sprak: ‘Deze zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven’ (Matth.25:46). In het dodenrijk bevinden zich dan verschillende categorieën gestorvenen:

  1. De goddelozen van wie het geweten door henzelf(!) met brandijzers was dichtgeschroeid en die onlosmakelijk verbonden waren met Satan en zijn demonen die zij zo graag dienden in het kwaad. 
  2. Degenen uit het oude verbond die tijdens de opstanding van Jezus niet werden overgezet in het hemelse paradijs en die toch God hadden gediend.
  3. Allen die nooit kennis hadden kunnen maken met de ware God en die nooit het evangelie van Jezus Christus hoorden, maar toch rechtvaardige daden deden en het goede hadden gezocht.

Het levensboek

In Openbaring 20:12 wordt ook vermeld dat bij het laatste oordeel boeken worden geopend en er ook een Levensboek aanwezig is. De doden worden dan geoordeeld op grond van wat in de boeken geschreven stond, ieder naar hun werken. Het Levensboek wijst erop, dat niet allen naar de vuurpoel worden verwezen. Wanneer de duivel aan het einde van het duizendjarige rijk in de tweede dood geworpen wordt, laat hij nog wel iets achter, namelijk zijn boekhouding. Nauwkeurig heeft hij tot zijn einde bijgehouden wie tijdens zijn leven op aarde, voor hem werkte. Hij moet immers de mens voor elke wetteloze daad die deze voor hem doet, belonen. Dit ‘verdiende loon’ dat hij uitkeert, brengt de mens in de dood. Er staat: ‘Het loon van de zonde is de dood’ en ‘als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort’. De hemelse Vader houdt deze boekhouding niet bij, want hiervoor is geen enkele grond. Waarom zou Hij de loonstaat moeten bezitten van mensen die het kwade deden en dus voor zijn vijand werkten? Job kende de boeken van de duivel wel, maar hij wist dat hij een rechtvaardige was en zijn werken niet vermeld stonden op de loonstaat van de duivel. Hij sprak vrijmoedig:

  • ‘Ook het stuk, dat mijn tegenpartij heeft geschreven. Voorwaar, ik zal het op mijn schouder nemen, het mij als een diadeem ombinden. Van al mijn schreden zal ik hem (de duivel) rekenschap geven, als een vorst hem naderen’.

Het woordje ‘hem’ zetten wij dus hier niet met een hoofdletter, zoals de Nieuwe Vertaling dit doet. Het komt immers zelfs voor een rechtvaardige niet van pas om God als een vorst te naderen (Job 31:35-37).

Wat gebeurt er nu met de genoemde categorieën?

De Bijbel spreekt over mensen die welbewust de kant van de Satan en zijn demonen kiezen, zoals in Johannes 3:19 staat: ‘En dit oordeel bestaat hierin: het licht is in de wereld gekomen, maar de mensen waren meer gesteld op de duisternis dan op het licht, omdat hun daden slecht waren‘. Deze goddelozen vluchten in de oordeelsdag met de demonenwereld waarmee zij verbonden zijn, ver weg van het aangezicht van de Heer. Zij storten zich dan in de vuurpoel of in de buitenste duisternis, dat betekent de concentratie van alle demonen en hun aanbiddende mensen uit de afgrond. 

Ook noemden we de rechtvaardigen van het oude verbond die wel God dienden, maar die zich nooit bezighielden met de onzienlijke wereld. Hun gebrek aan kennis werd verwoord door de Prediker, die schreef:

  • ‘Want eenzelfde lot treft mensen en dieren: beiden ademen hetzelfde leven, beiden sterven dezelfde dood. De mens heeft dus niets voor op het dier. Alles is ijdel. Beiden gaan naar dezelfde plaats: ze zijn voortgekomen uit stof en keren terug tot stof. En wie weet of de levensgeest van de mens omhoog gaat en die van het dier omlaag naar de aarde?’ (Pred.3:19-21).

De Prediker was een man die alleen geloofde in wat hij met zijn zintuigen waarnam. Hij diende God met betrekking tot dit leven, zodat het hem goed zou gaan en hij een lang leven zou hebben en zijn kinderen in deze zegen zouden delen. Hij hoorde niet bij de rechtvaardigen zoals Abraham, Izak en Jacob en de profeten, want hij liet zich niet in met de hemelse zaken. Voor hem was er geen onzienlijke wereld, waar hij zich op oriënteerde. Degenen die leefden en dachten als hij, ontvingen geen plaats in het paradijs. Zij worden op één lijn gesteld met de laatst genoemde groepering.

Bij het laatste oordeel is sprake van het Levensboek, waarin de namen zijn opgetekend van hen die niet in de vuurpoel worden geworpen, maar die deel hebben aan het leven dat uit God is. Al vóór de geboorte van Jezus Christus wordt dit boek in het Oude Testament genoemd. Toen Mozes het voor zijn ongehoorzaam volk opnam, sprak hij: ‘Schrap mij dan uit het boek dat U geschreven hebt’ (Ex.32:32). David bad over zijn onrechtvaardige vijanden: ‘Laten zij uit het Levensboek worden geschrapt, met de rechtvaardigen niet worden opgeschreven’ (Ps.69:29). Hier vinden wij dus al een aanwijzing dat de mens slechts door zijn begane zonden voorgoed wordt afgesneden van het leven en niet bij zijn geboorte al verworpen is. In het Nieuwe Testament vinden wij dezelfde gedachte, als gezegd wordt, dat zij die het kwade overwinnen, niet uitgewist zullen worden uit het Levensboek (Op.3:5). In het Levensboek staan dus de namen van hen die rechtvaardige daden deden.

Het is dan wel duidelijk dat hier niet gedoeld wordt op een volmaakte rechtvaardigheid, zoals alleen Jezus schenkt. De doden zullen geoordeeld worden ‘ieder naar zijn werken’. Wat de volmaakt rechtvaardigen betreft, zij bevinden zich in het nieuwe Jeruzalem en komen niet in het dodenrijk of in de dood. Van hen wordt gezegd dat zij geschreven zijn in ‘het Levensboek van het Lam’ (Op.13:8 en 21:27), terwijl voor hen die de dood wel zien, kortweg geldt dat een aantal geschreven is ‘in het Levensboek’.

Veel christenen geloven dat alle mensen die niet in Jezus geloven, voor eeuwig verloren gaan. Het is echter duidelijk dat men deze uitspraak moeilijk kan handhaven ten opzichte van hen die vóór de geboorte van onze Heer leefden. Over hen die wel ‘in Jezus’ geloofden, komt ogenblikkelijk de vraag op: in hoeverre is de voorstelling van de hun gepredikte Jezus overeenkomstig de Schriften? In welke Jezus geloofde men in de duistere middeleeuwen? Wat voor diep verschil van opvattingen is er niet tussen rooms-katholieken, gereformeerden, oud gereformeerden, evangelischen en volle-evangelie gelovigen, om de cirkel nog maar niet verder uit te breiden tot Jehova’s getuigen, Zevendedag adventisten of Mormonen (zie verder het hoofdstuk Dwalingen). Het gaat toch immers niet over een magische naam die ons zalig maakt, maar over het geloof in zijn Naam en dat moet inhoud hebben.

Hoe velen kennen Jezus als de Verlosser, Dokter, Hersteller en Doper met Gods Geest? Bij het laatste oordeel gaat het in deze derde categorie over mensen die nooit het zuivere ‘Woord van God’ aanvaardden, omdat dit hun niet verteld werd. Toch deden zij wat de wet van God gebood en functioneerde hun geweten ondanks ‘lek en gebrek’ vaak nog zuiver. Paulus sprak over een soort ‘heidenen’, dat van nature doet wat de wet gebiedt (Rom.2:14). Dit zijn toch geheel andere mensen dan die hij in Romeinen 1 opsomt en van wie hij sprak, dat God hen had ‘overgegeven aan een verwerpelijk denken’, dus losgelaten had, zodat zij volkomen een prooi werden van onreine demonen. Er staat: ‘Wie in de Zoon gelooft, bezit eeuwig leven, maar wie niet naar de Zoon wil luisteren, zal het leven niet zien’ (Joh.3:36).

Deze uitspraak geldt echter hen, die bij het horen van het eeuwig evangelie, dit aanvaarden óf verwerpen. Wij kunnen ons voorstellen dat een redelijk denkend mens een bepaalde evangelieverkondiging verwerpt, omdat deze niet strookt met de eenvoudigste principes van recht en gerechtigheid. Denk alleen al aan een uitverkiezingsleer, waarbij men ervan uitgaat dat bepaalde mensen tot een eeuwig verderf zijn bestemd, voordat zij nog iets goeds of kwaads hebben gedaan. Petrus schreef hierover, dat sommige uitspraken van Paulus door mensen verdraaid worden tot eigen verderf. In het laatste deel van Mattheüs 25 lezen we van mensen die deelhebben aan de zegeningen van de hemelse Vader, terwijl ze toch weinig of in het geheel niet op de hoogte waren van het evangelie van Jezus Christus. In hun leven openbaarde zich echter een goddelijke trek, namelijk die van de barmhartigheid.

Het door God ingeschapen geweten

Bij de opening van het Levensboek wordt een oordeel geveld over mensen in wie het ingeschapen beeld van God nog niet geheel verloren was gegaan. Hun gedachten functioneerden nog zuiver en hun geweten was niet dicht geschroeid met brandijzers. Zij waren niet met haat, maar met liefde vervuld tegenover hun medemens en zij wilden hetzelfde doel als God bereiken, namelijk behoud en herstel. Zij waren dus niet verbonden met de onbarmhartige demonen en worden daarom in het oordeel ook niet prijsgegeven aan de vuurpoel. De apostel Jacobus schreef:‘Barmhartigheid roemt tegen het oordeel’ (Jac.2:13). De vertaling Brouwer luidt: ‘Maar de barmhartigheid behaalt de zege over het oordeel’.

De ontferming aan de minste naaste bewezen, rekent de Heer toe alsof deze aan Hemzelf was bewezen. Zijn evangelie rust immers op de liefde en genade van God en Paulus schreef in verband met de goede werken van de heidenen, dat God het in de mensen verborgene oordeelt volgens zijn evangelie (Rom.2:16). Wij denken aan de Ethiopiër Ebed Melech, die aan Jeremia barmhartigheid bewees, toen hij deze voorzichtig uit de kuil haalde. Ook aan de barmhartige Samaritaan, die zijn ‘naaste’ en ‘een van deze minsten’ wél liefde bewees en voorthielp. Zijn mededogen was niet van buitenaf opgelegd, maar kwam van binnenuit en kenmerkte deze man.

Waarom sloeg de rijke man in het dodenrijk de ogen op onder pijnigingen? Alleen vanwege het feit dat hij Lazarus niet had vertroost, diens honger niet had gestild en omdat hij dus geen acht had geslagen op een van de minsten en kleinsten onder de mensenkinderen. Wie barmhartigheid bewijst, beweegt zich in de lijn van het evangelie van Jezus Christus. Dit wordt immers gebracht, zodat de navolgers van de Meester hun mededogen zouden betonen zowel in de zienlijke als in de onzienlijke wereld.

De ware barmhartigheid kan slechts geopenbaard worden door de met Gods Geest vervulde christen, want de liefde van God en de gaven van de Geest maken hem bekwaam zich metterdaad te ontfermen over de medemens in de natuurlijke en in de geestelijke wereld. Bij de opening van het Levensboek gaat het over mensen die hun goede werken niet in verband konden brengen met Jezus Christus. Zij vragen immers: ‘Wanneer hebben wij U gezien?’ Deze vraag stellen zowel ‘de gezegende mensen van de Vader’ als ‘de vervloekten’. Hier worden dus de goeden en de kwaden gescheiden die vóór de komst van de Heer hebben geleefd of zij die nooit het ware evangelie hadden gehoord. Ook onder de ‘heidenen’ die Jezus niet kenden, zijn altijd goede mensen geweest. Voor zijn bekering werd van een Romein het volgende getuigenis gegeven:

  • ‘In Caesarea woonde een zekere Cornelius, een centurio van de Italiaanse afdeling. Hij was een vroom man, die met al zijn huisgenoten tot de God vrezenden behoorde, veel liefdadigheid bewees aan het volk en geregeld tot God bad’ (Hand.10:1,2).

Hij was een voorbeeld van ‘een gezegende van de Vader’, die goed bekend stond in zijn omgeving. De ‘vrome’ Jood mocht echter wel uit zijn beker met wijn de vieze vlieg met de vinger weghalen en dan drinken, maar hij mocht hem niet leeg drinken, als deze Romein hem had vastgehouden, want dan was hij verontreinigd.

Ook herinneren wij ons de hoofdman te Kapernaüm van wie gezegd werd, dat hij het waard was dat Jezus hem een gunst bewees. En de Heer deed daar dan ook een machtig werk tot behoud. Duidelijk wordt in het laatste vers van de Olijfbergrede over de eindbestemming van de rechtvaardigen en van de barmhartigen in de natuurlijke wereld, gesproken. Zij ontvangen het eeuwige leven (Matth.25:46b). Dit geluk werd ook voor hen mogelijk gemaakt doordat Jezus voor de zonde van de hele wereld als Lam van God stierf. Bij het laatste oordeel staan wij bij de horizonten van de grenzeloze barmhartigheid van God, die niet wil dat enig mens verloren gaat, als deze hongert en dorst naar de gerechtigheid.

Spreken wij dan over een tweede kans voor de mens? Nee, want het gaat hier over hen die nooit één kans gehad hadden, omdat hun het ware evangelie nooit vertelt werd. Wat wisten bijvoorbeeld onze gerechtigheid en waarheid zoekende ouders van de heerlijkheid van de volle boodschap? Als zij het werkelijke ware evangelie van Jezus vernomen hadden, zouden zij het met beide handen aanvaard hebben, omdat deze ware boodschap hun dan de mogelijkheid had geschonken, niet alleen in de natuurlijke wereld goed te doen, maar hun naaste ook goed te doen in de geestelijke wereld. Zij zouden daardoor niet alleen zelf verlost zijn van hun onzienlijke vijanden, maar zij zouden ook anderen van zonde, ziekte en gebondenheden hebben kunnen bevrijden.

Zij die geschreven zijn in het Levensboek en naar hun werken geoordeeld worden, vinden na het laatste oordeel hun bestemming op een nieuwe aarde. Zij vormen met elkaar en met de kinderen die geen goed en geen kwaad konden onderscheiden, de grote categorie van wie gezegd wordt, dat de eer van de volken nog moet worden gebracht binnen de poorten van het nieuwe Jeruzalem.

 

>>>>>