17. De herstelde gemeente

<<<<<

Het herstel van alle dingen werkt allereerst door in de leden van de ware gemeente van God. Door gewone mannen en vrouwen komt de volledige overwinning, want zij zijn geroepen om de werken van de duivel te verbreken, eerst in eigen leven en daarna ook in dat van anderen die hun hulp inroepen. Zij nemen daarbij de methode van hun Meester over, want zijn werkwijze is de enig juiste. Zij weerstaan de aanvallen van de Satan van buitenaf door de kracht van Gods Geest die in hen woont en in de naam van Jezus drijven deze gelovigen boze geesten uit, bevrijden gebondenen en leggen op zieken de handen tot genezing. Zo worden de demonen overwonnen met de wapens van de gerechtigheid en met de gaven van Gods Geest.

In de gemeente groeit men naar de mannelijke volwassenheid onder leiding van de ware herders, leraars en profeten, die zich vast houden aan de gezonde leer. Alleen de leer van Jezus Christus, het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen, is in staat het denken zodanig te vernieuwen, dat de overwinning in het leven van de christen een feit wordt.

Sleutels en echte Schriftgeleerden

Waarom spreekt de Heer eigenlijk over de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen en over Schriftgeleerden, die leerlingen geworden zijn in de geestelijke wereld? Omdat men langs deze weg tot volle ontwikkeling kan komen de volmaaktheid wordt bereikt.

Wij weten dat de aarde het domein is van de overste van deze wereld. Met zijn demonen dringt hij binnen door middel van de zintuigen. Ook de ziektemachten bepalen de mens maar al te zeer bij de aarde. Daarom is volgens Romeinen 8:10 het lichaam dood vanwege de zonde, want het moet zich bewegen op het terrein van de overste van deze wereld, maar als Christus door Gods Geest in ons woont, is de geest leven vanwege de gerechtigheid en heeft hij dus gemeenschap met God.

Wie in een wit pak een kolenmijn bezoekt, ontkomt er niet aan dat zijn kleren vuil worden. Zo zal de christen merken dat hij ondanks de vergeving van schuld toch weer in zonden valt, wanneer hij een leer gelooft die hem niet losmaakt van de aarde. Al zijn inspanningen, zijn onthoudingen, zijn vasten, zijn nachtelijke gebeden, zijn worstelingen en het zich terugtrekken achter dikke kloostermuren, zijn tevergeefs en waardeloos. Omdat het naamchristendom eeuwenlang de leer van Jezus over het Koninkrijk van de hemelen niet wilde(!) begrijpen, kon ook het zondeprobleem niet worden opgelost. Men leeft nog steeds in de ‘heilige’ overtuiging dat de mens zondaar blijft tot de dood en zingt graag: De zonde kleeft ons altijd aan…”

Het antwoord dat in het nieuwe verbond op het zondeprobleem gegeven wordt, is:

  • ‘Zoek de dingen, die boven zijn, waar Christus is, Die zit aan de rechterhand van God. Bedenk de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God’ (Col.3:1-3).

De oude mens gestorven

Met onze doop IN water hebben wij beleden dat wij gestorven zijn. Iemand die begraven wordt, is onttrokken aan deze wereld, hij heeft haar verlaten. Hij leeft alleen nog voort in de hemelse gewesten. Paulus schreef:

  • ‘Dus wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen’ (2 Cor.5:6).

De doop als beeld van een begrafenis is duidelijk: de christen moet met zijn innerlijke mens zich losmaken van het terrein van satan. Zijn uiterlijke mens blijft echter op diens terrein, maar houdt zich dood voor de zonde. Hij komt alleen in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van God als zijn denken vernieuwd is. Met zijn gedachtewereld ‘stijgt’ hij op en komt zo buiten het gezicht van de slang. Hij wordt – als bij daar blijft – onaantastbaar en onkwetsbaar. De duivel kan hem alleen naar de uiterlijke mens, dat is zijn bestaansvorm op aarde, aantasten en deze vervalt dan ook (2 Cor.4:16). Ook zijn eer bij mensen, zijn invloed, zijn prestige raakt hij kwijt, maar zijn innerlijke mens, dus zijn ziel en geest, zijn vrij. Daarom is hij langs deze weg ‘onttrokken’ aan de zonde.

De geloofsstrijd bestaat hierin, dat een christen ondanks de aanvallen van de demonen van de duisternis op zijn uiterlijke mens toch met zijn gedachtewereld aan Christus vasthoudt. Allen die de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen ontvingen, hebben de belofte van hun Heer: ‘Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij trekken’. Vanuit deze positie kan een christen heersen over de vijanden, hen binden en uitdrijven en door de kracht van Gods Geest ook anderen herstellen. Van zo’n medewerker van God zegt onze Heer: ‘De werken die Ik gedaan heb, zal hij ook doen’.

Satan in de afgrond geworpen

De vaste zekerheid en de grote troost voor allen die bij de gemeente van Jezus Christus horen, is, dat voor hen niet het graf het einde is, maar de troon van God. Het eeuwige voornemen van de Schepper wordt immers door hen uitgevoerd. Na het volledige herstel van de gemeente bij de openbaring van de zonen van God, volgt bij de terugkomst van de Heer de vernieuwing van de hele aarde. Wanneer de duivel in de afgrond geworpen is, wordt deze boven hem afgegrendeld en verzegeld, als beeld dat hij onmachtig wordt gemaakt en niet meer kan verleiden of verslinden, totdat onder de toelating van God zijn isolement wordt opgeheven. In het duizendjarige rijk (een geestelijk begrip wat wel miljoenen jaren kan duren, zie Gog en Magog, Op.20:8), is het voor de duivel dus niet mogelijk in de hemel of op aarde enige activiteit tot verleiding of druk te ontplooien. De verleugening van de mens van buitenaf heeft dan opgehouden.

Wel blijven op aarde nog de demonen achter die een schuilplaats in de mensen en in de verdere levende schepping hadden gezocht. In het vrederijk zullen deze boze geesten echter niet straffeloos kunnen manifesteren. Zodra zij de mens, bij wie ze inwonen, gaan gebruiken en hem in de zichtbare wereld tot zondaar maken, wordt zo’n persoon die zich niet heeft laten bevrijden, prijs gegeven aan de vloek, dit wil zeggen aan de bij hem inwonende demonen, die hem meesleuren naar de afgrond in het dodenrijk (Jes.65:20). Verkeerde beïnvloeding door mensen is dan niet meer mogelijk.

Na de slag van Armageddon bleven op aarde nog vele miljoenen mensen over. Zij waren wel door demonen gebonden en overweldigd, maar niet gedoopt in de geest van de antichrist. Zij vormden geen leger die welbewust in de hemelse gewesten tegen de Heer en zijn gezalfden streed. Deze achterblijvenden waren veelal slachtoffer of bezet gebied, maar geen strijdbare soldaten die de Satan kon gebruiken om oorlog te voeren in de hemelse gewesten. Bij het begin van het duizendjarige rijk lezen we in Openbaring 20:4

  • ‘Ik zag tronen en zij zetten zich daarop; en het oordeel werd hun gegeven’.

De aandacht valt op de tronen; waarop de overwinnaars van het beest en de antichrist zitten. De gemeente van Jezus Christus ontvangt dus na de eerste opstanding en na de slag van Armageddon, de autoriteit op aarde. Haar wordt het oordeel geschonken, dit wil zeggen dat zij onderscheiding van geesten bezit en het goede van het kwade kan onderscheiden. Door middel van de beproefde methode van Jezus bevrijdt en geneest zij in de naam van de Heer en door de kracht van Gods Geest de gebondenen en geschondenen. Haar leden vormen met elkaar een feestelijke en algemene vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, dus het parlement door wie Jezus regeert en dat bestaat uit louter koningen en priesters (Hebr.12:23). Wanneer zij de zuchtende schepping bevrijden, dus scheiden van de wetteloze geesten, wordt nog steeds vervuld: ‘Weet u niet, dat wij over engelen zullen oordelen?’ (1 Cor.6:3).

Levensbomen van de gerechtigheid

Als levensbomen voert de gemeente van Jezus Christus in het duizendjarige rijk opnieuw haar opdracht om het zieke te genezen en het beschadigde en overweldigde te herstellen en te bevrijden. Nu is haar werkterrein echter niet beperkt tot een klein deel van de mensheid, maar het is wereldwijd. Het is duidelijk dat slechts zij, die in het huidige tijdperk gewerkt en gestreden hebben met ‘de krachten van de toekomende eeuw’, ook dan ingezet zullen worden met de hoge roeping om de hele aarde te bevrijden van de vloek. Dan wordt vervuld:

  • ‘Verlossers zullen de berg Sion bestijgen (beeld van de gemeente van Jezus Christus die vervuld is met de Geest van God) om over het gebergte van Ezau (beeld van de vijandige demonen) te oordelen en het koningschap zal zijn aan de Heer’ (Obadja 1:21).

Alleen wie nu het voorbeeld van Jezus volgen wil, wordt later ingeschakeld. Alleen die nu de strijd voeren tegen de onzienlijke, demonen van Satan in de hemelse gewesten, worden dan geschikt verklaard tot de hoge roeping van het koningschap over deze aarde. In dit tijdperk openbaren de gelovigen zich als koningen en priesters in een vernederd en vergankelijk lichaam. In het duizendjarige rijk heersen zij in een verheerlijkt en onvergankelijk lichaam met Christus een door God bepaalde tijd, om zo de schepping tot herstel te brengen:

  • ‘Want Christus moet met de gemeente als koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten heeft gelegd.’

Als priesters voert deze heilige natie een reinigend, verzoenend en onderwijzend werk en als koningen geeft dit volk van God leiding aan de schepping. Het brengt alles wat tot vruchteloosheid was gedoemd, weer tot zijn oorspronkelijke staat. Daarmee nemen deze overwinnaars de vloek weg, die door de gevallen mens over de aarde gekomen was. Opnieuw is dan het menselijk geslacht ‘overste van deze wereld’. Het Oude Testament spreekt over het duizendjarige rijk als over een tijdperk van grote wereldvrede. Geprofeteerd werd:

  • ‘Laat de woestijn en het dorre land zich verheugen, de wildernis jubelen en bloeien, weelderig bloeien als de krokus; laat haar uitbundig juichen en jubelen. Zij wordt getooid met de glorie van de Libanon, de luister van Karmel en Saron. Dan zal men de glorie van de Heer zien, de luister van onze God’ (Jes.35:1,2).

Naar aanleiding van Jesaja 11:6-10 dichtte Da Costa:

  • ‘In zijne dagen dauwt het vrede; in zijne schaduw lofzingt de aard!
  • ‘t Gedierte zelve jubelt mede, weer onder Edens wet geschaard.
  • Een jongske zal de leeuw beheren! de wolf zal met het lam verkeren
  • en de englen Gods weer met de mens! Het zijn de lang verwachte dagen
  • van ‘t aangekondigd welbehagen en aller hemelingen wens!’

De herleefde gemeente van Jezus Christus regeert dan met Hem vanuit Sion. Zij brengt ‘het eeuwige evangelie’ van redding en vervulling. Het ligt echter voor de hand om te denken dat allen, die in het duizendjarige rijk de volkomenheid bereiken, wel overgezet worden in het hemelse paradijs, maar toch nooit behoren tot de selecte groep van overwinnaars of tot de Levensboom, want er is geen strijd meer in de geestelijke wereld. Alleen in ons tijdperk wordt uit het volk van God een leger gevormd dat heeft leren strijden en overwinnen op dezelfde wijze als Jezus dit deed. Alleen voor ons geldt:

  • ‘Wie overwint, zal Ik naast Mij plaatsen op mijn troon, zoals Ik zelf heb overwonnen en met mijn Vader zetel op zijn troon‘ (Op.3:21).

Alleen zij die in de strijd sterk geworden zijn, zullen met Christus heersen als koningen ‘duizend’ jaar lang. Zij die tot de gemeente horen, zouden wij stadhouders van God willen noemen. Zij zullen de volken besturen en over hen regeren. Aan het einde van het duizendjarige rijk is dan over de hele aarde een paradijstoestand voor mens en dier, die echter nog wel aan de vergankelijkheid onderworpen zijn. De laatste vijand is de dood en deze wordt pas na het laatste oordeel in de vuurpoel geworpen. De bevrijding en de verlossing van de mens in het vrederijk verschillen in wezen niet met die in ons tijdperk. Ook wordt niemand tegen zijn wil verlost en het is zelfs mogelijk dat ook dan Gods Geest wordt gelasterd, want er staat:

  • ‘Spreekt iemand tegen Gods Geest, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende’ (Matth.12:32).

Er is dus altijd geloof nodig in het werk van Gods Geest. De gaven die nu al in het midden van de gemeente geopenbaard worden, zijn een onderpand van onze erfenis in de toekomst. Dan functioneren zij onbelemmerd en in volle kracht. Ze worden genoemd: de krachten van de toekomende eeuw. Slechts aan een volk dat het werk van Jezus navolgt, heeft God de toekomende wereld onderworpen (Hebr.2:5). Het regeren, onderwijzen, bevrijden en onder controle houden van een toegewezen gebied wordt voor deze koningen en priesters vergemakkelijkt, omdat zij een geestelijk lichaam hebben, dat net als dat van Jezus na zijn opstanding, niet aan tijd, plaats en afstand gebonden is. Wij zien dus dat de gemeente van onze Heer, die in onze tijd gevormd wordt, dán ook als levensboom fungeert, want zijn bladeren of begaafdheden zijn ook in het duizendjarige rijk tot genezing van alle volken.

>>>>>