12. De overwinning op de dood

<<<<<

In Mattheüs 13 maken we in een gelijkenis kennis met een koopman die schone parels zocht. Zijn verlangen om zoveel mogelijk van deze kostbaarheden te bezitten, is onverzadigbaar. Wanneer hij echter een kostbare parel ontdekt, die van onschatbare waarde en onvergelijkelijke schoonheid is, gaat hij met de eigenaar een transactie aan. Hij ruilt al zijn parels in om dit dure sieraad in zijn bezit te krijgen. De vergelijking dat mensen parels zijn die in het slijk liggen, geeft een juiste uitdrukking van hun situatie. De mens is goed, maar ligt verloren in de modder, dit wil zeggen in de sfeer van het dodenrijk, waar de duivel macht over hem had (Hebr.2:14).

De kostbare parel stelt dan Jezus voor, die overgeleverd werd aan satan om ons voor God vrij te kopen. Zoals een gouden tientje gewisseld kan worden voor duizend en meer vuile centen, zo raakte de duivel zijn claim op het menselijk geslacht kwijt door deze transactie in de onzienlijke wereld. Jezus was de volmaakt geestelijke mens, die als smetteloos lam voor onze verlossing werd ingezet.

Jezus’ doop met Gods Geest

Toen Hij bij het water van de Jordaan Gods Geest ontving, klonk een stem uit de hemel: ‘Deze mijn geliefde Zoon, in Hem vind Ik vreugde’ (Matth.3:17). God was blij met zijn Zoon, omdat deze aan zijn gedachten beantwoordde. In zijn eeuwig plan had Hij zo’n mens gewenst, om in hem te wonen en met deze gemeenschap te hebben. Vandaar dat Gods Geest in Jezus woonde. Ook was Jezus de volmaakte medewerker van God. Aan het einde van zijn aardse loopbaan zei Hij:

  • ‘Ik heb op aarde Uw grootheid getoond door het werk uit te voeren dat u Mij opgedragen hebt. Vader, verhef Mij nu tot Uw majesteit, tot de grootheid die ik bij U had voordat de wereld bestond. Ik heb aan de mensen die U Mij uit de wereld gegeven hebt uw Naam bekendgemaakt. Zij waren van U, maar U hebt hen aan Mij gegeven. Ze hebben Uw woord bewaard en nu begrijpen ze dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U komt’ (Joh.17:4-6).

Door zijn woorden en daden had Jezus laten zie wie de Vader werkelijk was. Door zijn evangelie kreeg men inzicht in de geestelijke wereld. Hij schonk eeuwig leven door de gedachten van God te openbaren. Zijn woorden waren immers geest en leven. Petrus erkende dit, toen hij uitriep: ‘U hebt woorden van eeuwig leven!’ Wie van zijn woorden afwijkt in gedachten en daden, komt op een dwaalspoor.

Let erop dat Jezus direct na zijn werk op aarde recht liet gelden op de troon. Hij beantwoordde immers volkomen aan de eeuwige gedachten van God met de mens. Daarom vroeg Hij: ‘Verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, voor de wereld was’. In Johannes 12:28 lezen we dat Jezus al voor zijn lijden en sterven verheerlijkt werd, want hier staat: ‘Vader, verheerlijk uw Naam! Toen kwam een stem uit de hemel: ‘Ik heb Hem verheerlijkt en Ik zal Hem nogmaals verheerlijken!’ Voordat de Mensenzoon als de graankorrel in de aarde viel en veel vrucht voortbracht, was het uur gekomen dat Hij door de Vader verheerlijkt werd (Joh.12:23).

Bij zijn afscheid van de leerlingen zei Jezus: ‘Nu is de Mensenzoon verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt’ (Joh.13:31). De verheerlijkte Zoon die alle troonrechten had ontvangen, de allerkostbaarste en mooiste parel, werd als ruilmiddel ingezet. Daarom kon gezegd worden: ‘U bent waardig!’ Door zijn lijden en sterven heen verheerlijkte Hij nogmaals de Vader door zich als een volwaardig rechtvaardige te geven ‘tot een losprijs voor allen’ (1 Tim.2:6). Hij zou hierdoor velen tot heerlijkheid leiden.

De transactie tussen God en de Satan 

De transactie tussen God en de Satan speelde zich af in de hemelse gewesten. De taak van de Heer op aarde was afgelopen en Hij zei: ‘Ik ben niet meer in de wereld… en Ik kom tot U’ (Joh.17:11). Allen die deelnamen aan de overeenkomst, bevonden zich in de onzienlijke wereld: God, Jezus Christus, het leven dat Hij uitstortte, de duivel, het dodenrijk en de verloren mensheid. Paulus schreef later: ‘Ter plaatse (dus in de hemelse gewesten) waar tot hen gezegd was: u bent mijn volk niet, daar zullen zij genoemd worden: zonen van de levende God’ (Rom.9:26). De duivel had zijn doel gemist en hij stond met de rug tegen de muur. De troon van God die hij delen wilde, was toegevallen aan de Mensenzoon. Er was geen andere uitweg dan het aanbod van de Vader te accepteren: ‘Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Zijn eniggeboren Zoon zich vrijwillig(!) gegéven heeft’ en ‘één voor allen’ (Joh.11:50,51). Wanneer de Satan Jezus in de dood kon voeren en Hem daar vasthouden, zouden de anderen die hij moest vrijlaten, toch nooit het doel van God bereiken. Dan zou er geen parlement gevormd kunnen worden om de wereld te regeren. Daarvoor waren de kneuzingen en kwetsuren bij de mensen te groot en was hun geestelijke ontwikkeling te miniem. Bovendien zou er geen verhoogde Heer zijn, uit wiens handen zij Gods Geest zouden ontvangen, die hen maken kon tot koningen en priesters.

Judas

Op aarde zien wij de weerspiegeling van wat in de hemelse gewesten gebeurde. Op cynische wijze bootst Satan op zijn terrein het gebeuren in de hemelse gewesten na. Hij bedient zich daarbij van de tussenpersoon Judas, een metgezel en leerling van Jezus. Aan hem geeft Jezus zich over. Wanneer de Heer het brood, beeld van zijn lichaam, aan Judas aanreikt, symboliseert dit dat Hij zich vrijwillig beschikbaar stelt. Huichelachtig pakt deze leerling dat brood aan, waarna we lezen: ‘Toen voer de Satan in hem’. Hij identificeert zich geheel met de gedachtewereld van de vijand, ja hij wordt een duivel (Joh.6:70,71). Hij aanvaardt zijn rol als tussenpersoon in de transactie. De Heer zegt hem: ‘Wat u doen wilt, doe het snel’. ‘Daarop ging een van de twaalf, die met de naam Judas Iskariot, naar de hogepriesters en zei: ”Wat krijg ik van u als ik hem aan u uitlever?” Ze betaalden hem dertig zilverstukken’ (Mattheus 26,14-15).

Na de overeenkomst met de mannen van het sanhedrin te hebben gesloten, gaat hij heen en verraadt de Mensenzoon die hem aanspreekt met ‘vriend’, met de liefdeskus. Hier doet de duivel die hem in bezit had genomen, zich wel heel goed voor als een engel van het licht! De invalspoort van de Satan bij Judas was diens honger naar geld. Judas wordt nu ook nog een moordenaar en wordt zo één met zijn nieuwe meester, de Satan, van wie Jezus zei dat deze een dief en een moordenaar is (Joh.10:10), vanaf het begin van zijn val, naast de troon van God.

Jezus wordt door Judas overgeleverd aan de vertegenwoordigers van de kerk en de overpriesters, die in Jezus de Rechtvaardige hadden moeten waarderen. Zij komen echter tot het oordeel: ‘Hij is de dood schuldig’. De duivelse spot blijkt ook wanneer men Jezus de doornenkroon op het hoofd drukt en de purperen koningsmantel omdoet. Ook de prijs die door de valse kerk wordt betaald, is niet die van een kostbare parel, maar van een slaaf: dertig zilverlingen. Hiermee was dan tegelijkertijd de waarde van de mensheid getaxeerd, want wat zou God ooit met haar kunnen beginnen. Zij zou immers nooit het doel van God kunnen bereiken.

In een visioen voorspelde Zacharia deze transactie. In hoofdstuk 11:12 laat hij Jezus zeggen: ‘Als het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar als niet, laat het.’ Het sanhedrin kon zich nog bekeren, maar de leiders wogen het loon af, waarbij smalend opgemerkt wordt, dat zij minderwaardige slavenprijs, waarop de Zoon van God geschat was, maar aan de pottenbakker moeten geven.

Overwinning op de dood

Tijdens zijn leven op aarde werd Jezus vaak door de duivel verzocht, maar Hij kon door de kracht van Gods Geest steeds weerstand bieden aan iedere verleiding. Hij was niet alleen gedoopt met Gods Geest maar ook de vuurdoop was Hem bekend. In Gethsémané kreeg Jezus te maken met het stervensproces, dus aan ‘de doop in de dood’. De demonen hadden toen macht over Hem. De heilige engelen, die Hem altijd trouw waren, konden Hem niet helpen. Voor een korte tijd werd Hij beneden de wetteloze machten en de doodsengelen gesteld vanwege het ondergaan van de dood (Hebr.2:9). Gods Geest was van Hem geweken en Hij werd van God verlaten. Ontegenzeglijk was het dieptepunt van het overgegeven zijn aan de macht van de doodsengelen, het lijden van Jezus aan het kruis. Daar werd tenslotte zijn lichaam gescheiden van zijn innerlijke mens. Zo vernederde Hij zich en werd gehoorzaam aan de wil van de Vader tot de dood aan het kruis. Toen Hij stierf had Hij de prijs betaald en kon Hij zeggen: ‘Het is volbracht’.

Jezus’ verheerlijking

Daarna kwam ogenblikkelijk, direct zijn verheerlijking. Jezus legde stervende, zijn geest in de hand van zijn Vader, dus werd Hij weer verbonden met Gods Geest, van wie de hand een beeld is. Toen vervulde de Vader zijn belofte dat Hij zijn naam of zijn wezen nogmaals in de Zoon zou verheerlijken (Joh.12:28). De macht, glorie en kracht van de Schepper van hemel en aarde werden met Jezus verbonden.

Het tijdsbestek van drie dagen dat Jezus zich tussen de doodsengelen bevond, viel dus in tweeën uiteen. De eerste helft was er een van vernedering en ondergang, terwijl de tweede er een was van verhoging en overwinning. Jezus was daarbij de eerste en laatste mens, die verbonden met Gods Geest, het dodenrijk binnenging. Daarom wist de koning van de dood niet wie in zijn domein binnenkwam, namelijk de Christus of de Gezalfde met Gods Geest. Deze alléén had macht zijn leven af te leggen en weer op te nemen. Hij kon zich vrij in het dodenrijk bewegen, want Hij is alle hemelen doorgegaan, terwijl bijvoorbeeld Abraham beperkt was in zijn bewegingsvrijheid en zich niet kon verplaatsen over de onoverbrugbare kloof die in de Hades Lazarus van de rijke man scheidde.

Het evangelie in de gevangenis

Jezus getuigde op elk terrein van deze gevangenis aan de geesten van zijn overwinning. Door met zijn leven te betalen ontnam onze Heer aan de duivel de claim die deze op de mens had. Daarom kan de gelovige zich een absoluut rechtvaardige noemen, zoals er staat: ‘Zoals de zonde heeft geheerst en tot de dood heeft geleid, zo moest door de vrijspraak de genade heersen en tot het eeuwige leven leiden, dankzij Jezus Christus, onze Heer’ (Rom.5:21). Jezus bezit de sleutels, dat is de macht over dood en dodenrijk. Als wij zijn woorden en gedachten overnemen, hebben wij eeuwig leven. Dan kunnen wij zeggen: ‘Ik ben een volmaakt rechtvaardige en ik zal naar de inwendige mens de dood nimmer zien of proeven’. Wanneer in Hebreeën 2:14 opgemerkt wordt, dat de duivel die de macht over de dood had, onttroond is, betekent dit de overwinning van Jezus op de eerste dood.

Jezus overwon niet de tweede dood, het onuitblusbare vuur, want daarin is Hij nooit neergedaald, omdat de vuurpoel nog niet bestaat. God maakt de vuurpoel niet, maar de antichrist en het beest uit de zee, Apollyon, geven daar als eerste, levend(!) gestalte aan wanneer zij bij Armageddon verslagen worden. Wie dáár ingeworpen worden, kunnen nooit meer bevrijd of verlost worden. Zij blijven daar voor eeuwig.

De boeken geopend

Wie echter deel heeft aan de overwinning op de eerste dood, over hem heeft de tweede dood geen macht. Hij heeft immers zijn intrek bij Jezus Christus genomen (Op.20:6). Allen die geen deel hebben aan Christus, blijven in de eerste dood. Zij worden daar bewaard naar de innerlijke mens tot het laatste oordeel. Dan moeten de dood en het dodenrijk hun gevangenen aan de Overwinnaar teruggeven. Dit geestenrijk moet ze voor Hem zolang bewaren, tot Hij zijn parlement waarmee Hij de hele schepping regeren zal, heeft gevormd. Dan worden de doden van elkaar gescheiden want:

  • ‘er komt een moment waarop alle doden zijn stem zullen horen en uit hun graf (beeld van het dodenrijk), zullen komen: wie het goede gedaan heeft staat op om te leven, wie het slechte gedaan heeft staat op om veroordeeld te worden’ (Joh.5:28,29).

Paulus schrijft in Romeinen 8:11 dat de Vader Jezus opwekte, dus God gaf hiervoor het sein. De Geest stelde Hem dus in staat het dodenrijk te verlaten en het is opmerkelijk, dat het vernederde lichaam van Jezus, dat niet tot ontbinding was overgegaan, aan deze verheerlijking deel kreeg. Jezus is niet alleen een voorbeeld van allen die met hun geestelijk lichaam zullen opstaan, maar ook van hen die nog lichamelijk levend, de Heer tegemoet zullen gaan bij zijn terugkomst en wier lichamen in een ondeelbaar ogenblik veranderd zullen worden. Hun sterfelijk lichaam is dan verzwolgen in de overwinning van het geestelijke lichaam (1 Cor.15:54).

Van Christus wordt gezegd, dat al de volheid van de godheid, dus Gods Geest, lichamelijk in Hem woont. Hij heeft nu alle macht in hemel en op aarde, omdat Hij alleen deze Geest dirigeert. Hij geeft deze volheid aan allen die Hem erom bidden. Het loon dat onze Heer voor zijn lijden en sterven ontvangt, is een menigte volgelingen die niemand tellen kan uit alle stammen, talen, volken en naties. Zij zijn gerekruteerd uit het menselijk geslacht dat onder de claim van Satan is weggehaald.

>>>>>