De mens door satan geëlimineerd tot beest
De slang sprak niet rechtstreeks tot Eva dat deze van de boom moest eten, maar hij bracht verwarring in het denken van de vrouw. De tegenpartij begon zijn sluwe aanval met de leugen:
‘God heeft zeker wel gezegd: U zult van geen enkele boom eten in de hof’ ?
Juist in het paradijs zou de mens dus wat het natuurlijke leven betrof, door God achteruit zijn gezet. Daarbuiten waren alle bomen immers wel voor hem, terwijl het groene kruid slechts tot voedsel voor de dieren diende (Gen.1:29,30). Bij zijn geestelijke ontwikkeling en groei zou de mens dus op aarde worden verlaagd tot het niveau van de dieren. Hij zou in de hof net als Nebukadnezar tijdens zijn waanzin, gras moeten eten als de runderen, of om zich te voeden telkens het paradijs moeten verlaten. Bovendien zouden Adam en Eva dan al in overtreding zijn geweest, want zij hadden immers al van de vruchten van de bomen gegeten. Het zou verder niet belangrijk meer zijn of ze ook nog van de boom van kennis van goed en kwaad zouden eten. Op deze wijze wilde de slang twijfel wekken aan de bedoeling van de goede God met de mens. Diens verhoging in de geestelijke wereld zou parallel lopen met een vernedering in zijn natuurlijke bestaan.
Vrome geesten verdrukken altijd

De eerste confrontatie van de mens met het rijk van de duisternis was dus met ‘vrome geesten‘ die altijd verwarring in het denken probeert te brengen. Deze demonen maken de mens immers wijs dat God er vreugde in heeft, dat hij arm en klein is. Precies wat tot aan de dag van vandaag nog steeds gebeurd. Adam en Eva zouden wel van de gewone bomen in de bossen buiten de hof mogen eten, maar van die prachtige vruchten die de specialiteiten van het paradijs waren, zouden zij niet mogen genieten. Die waren niet voor hen. Wie ze dan wel mochten nuttigen, werd door de slang niet gezegd.
De geest van de mens pijnigen

De verleidende ‘vrome’ geesten maken de mens altijd wijs dat deze zich eigenlijk niet blij mag maken en geen gebruik mag maken van de rijkdommen en de overvloed van de aarde en al het goede daarvan. Dit zou dan zijn geestelijke groei belemmeren. Daarom moet de religieuze kerkganger zich maar veel ontzeggen. Ook zijn kinderen mogen dit niet en dat niet. Het beste zou zijn als hij zich als een kloosterling zou terugtrekken uit de wereld en een leven van ontbering en onthouding leiden. Verder zou God blij zijn als de mens veel vast en honger lijdt, of als hij uren lang (liefst in de nacht) op de knieën zit. Vanwege deze gedachten lopen bepaalde ‘geestelijken’ in hun soepjurken er bij als museumstukken; zijn in bepaalde kringen ter ere van God de hoedjes, Ufo’s en de knoetjes bij de vrouwen verplicht en wordt er een domper gezet op alle natuurlijke vreugde en ontspanning.
Colporteren en vernederen verplicht!

Ook zou de godsdienstige mens al zijn vrije tijd eigenlijk moeten besteden met langs de huizen te trekken om te colporteren. Verder mag hij op zondag geen gebruik maken van trein of auto om zijn ouders, familie of vrienden te bezoeken (alleen wanneer dezen in het ziekenhuis liggen, is een bezoekje op zondag toegestaan). Ook bepaald eten, sieraden en spaargeld zijn dan verboden (in de rest van de week uiteraard weer wel).
Eva ontzenuwde de grove onwaarheid van de slang met te zeggen, dat haar man en zij wel van alle bomen mochten eten, ook al waren deze mooier en heerlijker dan die daarbuiten. Slechts van de occulte boom in het midden van de hof mochten zij niet eten. Opnieuw probeert dan de duivel afbreuk te doen aan de waarachtige en goede intenties van de Schepper, die de mens wil verheffen tot een koning in zijn rijk. Buiten de ervaring van de zonde om zouden Adam en Eva immers toch kennis kunnen krijgen en ook onderscheiding van goed en kwaad. Langs de weg van God zouden zij dan volmaakt geestelijke mensen zijn geworden naar het beeld van de Schepper en als zijn gelijkenis. De slang antwoordde echter:
- ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de slang. Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad’ (Gen.3:4,5).
De begeerte naar goede kennis is door God ingeschapen
De begeerte om de dingen van de zienlijke en van de onzienlijke wereld te weten en te verstaan, is de mens ingeschapen. De slang suggereerde echter:
- ‘Door jullie niet toe te staan van deze boom te eten, wil God voorkomen dat ooit aan dit ingeschapen verlangen wordt voldaan. Hij staat niet toe dat je eens zult zeggen: ‘Wij zullen aan Hem gelijk zijn; want wij zullen Hem zien, zoals Hij is’ (1 Joh.3:2). Neem daarom de weg buitenom, klim van buiten en over de muur het rijk van God binnen en je zult je doel bereiken’ (Joh.10:1).
Jezus heeft ons later het waarachtige plan van God met de mens duidelijk uitgelegd. Hij bracht deze verborgenheden en geheimen aan het licht. Hij heeft ons ook de ogen geopend. Tot Paulus zei de Heer, dat de apostel aan de heidenen het evangelie moest brengen ‘om hun ogen te openen’. Welke oprechte christen verlangt hier niet naar, zodat hij goed onderscheid zal hebben tussen goed en kwaad en het wezen van de eeuwig blijvende dingen zal verstaan. De duivel speculeerde hier op de hoogste begeerten van de mens die op weg is naar zijn hoog en verheven doel, de troon van God.
Gods Geest voor allen die daarom bidden
Jezus geeft ons ook Gods Geest (wanneer men daarom bidt!) zodat wij zouden functioneren in de hemelse gewesten en daar zouden wandelen, strijden en overwinnen. Gods Geest overtuigt van zonde en van gerechtigheid en brengt zelfs het oordeel of de scheiding in ons tussen goed en kwaad tot stand. Langs deze weg wordt de mens uitermate verhoogd. De gedachte dat de mens een vloermatje of deurdrempeltje zou moeten zijn, verbroken van geest en verslagen van hart, is niet uit God. De duivel wil de mens vernederen, maar God wil hem verheffen. Hij wil dat zijn zonen en dochters van al hun vijanden verlost, in gerechtigheid leven al hun dagen en zo de heerlijkheid eigen zullen maken die ook zijn eniggeboren Zoon ontvangen heeft. Ieder die deze hoop heeft, reinigt zich van het verderfelijke denken van de slang, de vader van de leugen.
In het hart van Eva kwam de twijfel (satans woorden) opzetten:
- ‘De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog en ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou geven. Ze plukte een paar vruchten en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was en ook hij at ervan’ (Gen.3:6,7).
Onmachtig, zondaar tot de dood en uitgesloten van het eeuwige leven
De eerste leugen van satan had Eva gemakkelijk kunnen onderscheiden, want het niet mogen eten van geen enkele boom in de hof hield in, dat de mens dan ook niet van de levensboom mocht eten. Eva wist uit ervaring van hoe groot belang dit was voor de gemeenschap met de Allerhoogste.
‘Vrome’ geesten benaderen ook nu nog de mens die God zoekt, met veel verboden. Zij accentueren de onmacht van de mens om rechtvaardig te leven en leren het zondaar blijven tot de dood. De mens mag dus niet eten van de levensboom, want de blijvende zondaar wordt uitgesloten van het eeuwige leven. Mensen die geleid worden door ‘vrome’ geesten, zijn daarom nooit zeker van hun eeuwige redding.
De satan: ‘U zult als God zijn’
De tweede leugen was meer geraffineerd, want de duivel sprak toen over de verheffing van de natuurlijke mens tot het niveau van zijn Schepper: ‘U zult als God zijn’. Dit sloot aan bij de gedachte van de hemelse Vader, maar die alleen gerealiseerd kon worden door het eten van de vruchten van het levensgeboomte. De weg naar de troon is alleen geopend voor de gehoorzame en rechtvaardige mens, die de woorden van God hoort en ze ook doet. De boom waarmee de duivel verbonden was, viel op door zijn schoonheid. Hij was ‘een lust voor de ogen’.
Betoveringen

Om de mens te verleiden gebruikt de duivel dikwijls een blikvanger, die de ogen streelt en de begeerte opwekt. Mooie muziek die de zinnen streelt, grote kathedralen, indrukwekkende ceremoniën, pompeuze soepjurken worden door hem gebruikt om de aandacht van de zielen te trekken en hen dan te misleiden. De Openbaring spreekt met betrekking tot Babylon, de valse kerk, over:
- ‘Ladingen van goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer’ (Op.18:12).
Allemaal surrogaten voor de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten.
Verstandig worden
Ook was de boom aantrekkelijk om verstandig te worden. Het verstand is een gave van God net als het geloof. Het moet echter gebruikt, ontwikkeld en verlicht worden. Het is onontbeerlijk bij het ijveren naar de gaven van kennis en wijsheid. Het geloof grijpt iets uit de onzienlijke wereld en door gebruik te maken van het verstand krijgt men ook inzicht. Dat Eva verstandig wilde worden, was goed en noodzakelijk. Zij stond echter bij de verkeerde boom, want het verstand werd daar verduisterd. Het kwam in dienst te staan van de satan. Slechts door het eten van de vruchten van het levensgeboomte werd het verstand verlicht. De apostel schreef later: ‘Wees geen kinderen in het verstand, maar in de boosheid: wordt in het verstand volwassen’. Slechts in gemeenschap met de levende God bereikt het verstand zijn volle ontplooiing om te werken met de dingen uit de natuurlijke zowel als uit de geestelijke wereld.
Was het eigenlijk wel mogelijk voor de onschuldige mens om dit geraffineerde leugenspel te doorzien? Hij was immers niet gedoopt met Gods Geest en miste de gave van de onderscheiding van geesten. Onze Heer werd in het begin van zijn bediening ook door de duivel bezocht, maar die was de eerste mens in wie de Geest van God volledig woonde. Hij kende de geestenwereld en de gedachten van de satan waren Hem niet onbekend (2 Cor.2:11).
Hoewel Adam en Eva nog geen kennis van de hemelse gewesten bezaten, waren zij toch niet te verontschuldigen. Hun inzicht in de natuurlijke wereld had hun erop attent moeten maken, dat een sprekende slang een wetteloos dier is. Zij kenden toch de aard en het wezen van de levende schepping en haar gedragspatroon. Zij moesten de hof juist bewaken tegen wetteloze penetraties.
Wat hadden ze moeten doen?
Dit reptiel bij de kop moeten grijpen en uit de hof moeten werpen, want in dit beest werkten mysterieuze krachten, die het tot bezet gebied hadden gemaakt. Een natuurlijk mens die niet gebonden is, ziet dikwijls duidelijk de geestelijke afwijkingen bij een ander. Wij zagen eens een jongetje van vier jaar naar een voorbijganger wijzen en opmerken: ‘Deze man is zeker niet van Jezus’. Toen ons dochtertje nog heel klein was, kregen we eens een man op visite. De kleine meid keek hem van opzij wantrouwend aan en vroeg: ‘Pappa, is deze man van ons?’

