In het Paradijs had God zichzelf verbonden met de levensboom. Adam en Eva hoorden de stem van God die geest is en die in de hof ‘wandelde’ in de tuin tijdens de avondkoelte. Zo verscheen later de Engel van de heer aan Mozes als een vuurvlam vanuit een braamstruik en werd hij daar door God aangesproken. David zou de aanwezigheid van de Heer opmerken in het geruis van een gang in de toppen van de moerbeibomen (2 Sam.5:24). De Heer had dus een plaats en een tijdstip van ontmoeting bepaald.Wanneer Adam en Eva tegen het vallen van de avond naar de levensboom in het midden van de hof wandelden en van zijn vrucht aten, werd hun hart geopend terwijl God tot hen sprak. Dit was hun ‘avondmaal’. Voordat zij gingen rusten, werd hun geest tot God opgetrokken en hoorden zij zijn stem in hun innerlijke mens. Het eten van de vruchten verlichtte hun hart zodat zij de woorden van God verstonden en dit garandeerde hun het eeuwige leven.
De losprijs aan satan, betaald door Jezus Christus
Wij kunnen ons hiervan een voorstelling maken, als wij de levensboom in verband brengen met Jezus Christus. Wie van zijn vruchten eet (zijn woorden aanneemt) ontvangt licht en wie ze bewaart krijgt eeuwig leven. Woord en leven behoren bij elkaar. Met een zinspeling op 1 Corinthiërs 10:4 kunnen wij schrijven: ‘Adam en Eva aten de vruchten van de levensboom en deze boom was de Christus. Zo zouden zij worden tot met Gods Geest gezalfde zonen van God’. Na de verzoening (de losprijs door Jezus aan de satan betaald) heeft God in Christus opnieuw een levensboom opgericht.
Ook voor ons is het goed tot Hem te naderen op bepaalde tijden en op de plaats van de samenkomst, waar Hij ons roept om met ons maaltijd te houden in de onzienlijke wereld. Wanneer het eerste mensenpaar gehoorzaam zou zijn geweest, zouden ongetwijfeld hun stoffelijke, dus vergankelijke lichamen, ‘in een ondeelbaar ogenblik’ veranderd zijn. Een vergankelijk lichaam hoeft immers niet te sterven, maar het kan rechtstreeks veranderd worden in een volmaakt geestelijk en onsterfelijk lichaam, want er staat:
- ‘Ik zal u een geheim onthullen: wij zullen niet allemaal eerst sterven – toch zullen wij allemaal veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, wanneer de bazuin het einde inluidt. Wanneer de bazuin weerklinkt, zullen de doden worden opgewekt met een onvergankelijk lichaam en zullen ook wij veranderen. Want het vergankelijke lichaam moet worden bekleed met het onvergankelijke, het sterfelijke lichaam met het onsterfelijke’ (1 Cor.15:51-53).
Met groot verlangen ziet God uit naar het ogenblik dat zijn eeuwig voornemen met de mens wordt gerealiseerd. Hij zoekt een volkomen geestelijk mens met wie Hij een onafgebroken gemeenschap kan hebben. Vanuit de plaats van de samenkomst riep Hij daarom tot de verloren zoon: ‘Adam, waar ben je?’ Na de ongehoorzaamheid van het eerste mensenpaar werd de levensboom beeld van Jezus Christus, van wie 1 Petrus 1:20 zegt, dat Hij als een onberispelijk en vlekkeloos lam in de gedachten van God van te voren gekend was, voor de grondvesting van de wereld. Door de vrucht van deze levensboom ontvangt de mens herstel en gemeenschap met God, dus ook het eeuwige leven.
Jezus Christus – De Doper met Gods Geest
Jezus is ook de Doper met Gods Geest, zodat het in de laatste dagen mogelijk is om zonder besef van kwaad in de hemelse gewesten te strijden en te overwinnen, zonder dat men gemeenschap hoeft te hebben met de satan. Zo zag ook de tempeldienst met al zijn offers vooruit op de verzoening. Deze ceremoniën waren alle met de onzienlijke wereld verbonden. Ook daar was een plaats van samenkomst waar de mens God mocht ontmoeten. Daar werd door de priesters de wet bekend gemaakt en onderwezen, zodat de stem van God onder zijn volk weer gehoord werd. Toen de werkelijkheid kwam en Jezus Christus voor de zonde van de hele wereld stierf, bleef slechts een stenen gebouw over zonder enige bovennatuurlijke betekenis. Vanaf die tijd was alleen nog maar sprake van de hemelse werkelijkheid: een hemelse tempel, een hemels paradijs en een hemelse levensboom.
In de natuurlijke wereld had de levensboom dus geen opvallende eigenschappen. Het was een gewone boom tussen alle begeerlijke en goede bomen in de hof. Dit komt overeen met Jezus van wie in Jesaja 53 wordt gezegd dat Hij ‘geen (bijzondere) gestalte noch luister had, dat wij Hem zouden aangezien, noch gedaante dat wij Hem zouden hebben begeerd’. Onze Meester was geen imponerende verschijning en had geen opvallend uiterlijk. Hij was onopgemerkt tussen de mensen, zoals de levensboom zich in niets onderscheidde van de andere bomen in de hof. Wie echter geestelijke ogen had en zijn positie in de geestelijke wereld had opgemerkt, moest met Johannes getuigen:
- ‘Het Woord (Gods Logos) is vlees geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader’ (Joh.1:14).
Ook de demonen moesten deze hoogheid erkennen, want een onreine geest ging schreeuwend uit en getuigde:
- ‘Ik weet wel wie Je bent, de Heilige van God’ en een andere riep vertwijfeld: ‘Wat heb ik met jou te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer je bij God: doe me geen pijn!’ (Marc.1:24 en 5:7).
- Als dé Levensboom zei Jezus: ‘Wie van Mij eet, zal leven door Mij’ (Joh.6:57). Het eten van zijn vrucht betekent het bewaren van of het gehoorzamen aan zijn woord.
- De apostel schreef in Openbaring 2:7: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de levensboom, die in het paradijs van God is’.
Wie met de zonde breekt en zich laat reinigen van schuld en ontvangt allereerst de belofte dat hij weer deel krijgt aan het eeuwige leven door middel van de ware levensboom. Overwinning is het positieve resultaat van een strijd waarin de mens zijn ziel bewaren en bewaken moet. Het Nieuwe Testament kent uiteindelijk de ware worsteling tegen de demonen van satan door middel van het vasthouden van de Woorden en de beloften van God door Jezus Christus. Langs deze weg overwint de gelovige en wordt hij vrij van elke kwade geest. Alleen gehoorzaamheid aan het zuivere woord van God, de vrucht van de levensboom, maakt en houdt ons werkelijk vrij (Joh.8:32). Dit gebod hadden ook Adam en Eva gehoord en moeten bewaren.
Demonische aanknopingspunten
Midden in de hof stond ook ‘de boom van kennis van goed en kwaad’. Met deze omschrijving is de duivel getypeerd die zich achter hem had verschanst, want hij heeft het goede gekend en het kwade zélf gemaakt. Door middel van beide bomen moest Adam leren een keuze te maken tussen goed en kwaad, tussen leven en dood. Leven is verbondenheid met God en dood is gescheidenheid van Hem. Natuurlijk had God tot Adam kunnen zeggen: ‘Luister niet naar de duivel’, maar zo’n opdracht zou te moeilijk voor hem zijn geweest, omdat hij onbekend was met de geestenwereld en niet wist wat kwaad was. Hij moest bij het begin beginnen, dit wil zeggen de eenvoudige en duidelijke uitspraken van God leren gehoorzamen. Hij moest die occulte boom vermijden en hem zelfs niet aanraken. Het eten van diens vruchten zou hem in gemeenschap met de dood brengen, dat betekende met de ontbindende machten van de wetteloosheid die zijn geest zouden overweldigen en zijn lichaam en ziel beschadigen en verderven.
Zoals een boom verdort door gebrek aan water, zo zou de mens afgesneden worden van ‘de grote vloed’ of van de eeuwige geest uit wie en door wie alle geesten zijn geschapen en uit wie alle leven is. Zoals de ceder alleen leven kan door grote hoeveelheden water diep uit de bodem op te zuigen, zo zijn de mensen de ‘waterdrinkers’ die hun leven en hun schoonheid aan God ontlenen. Dit geldt dan niet alleen voor de mens, maar ook voor de heilige engelen die hem dienen. Nooit kunnen de ‘waterdrinkers’ in eigen kracht standhouden (Ez.31:14). De mogelijkheid tot zondigen lag voor de mens alleen in het eten van de verboden vrucht, die een beeld was van de leugen van de satan en van het tot zich nemen van zijn gedachten. Zodra hij at, zou de geestelijke wereld van het rijk van de duisternis voor hem ontsloten zijn en zou hij ook de stem van de duivel in zijn inwendige mens horen. Ongetwijfeld hebben de heilige engelen Adam en Eva beschut tegen rechtstreekse inspiraties van de duivel.
De slang in het paradijs
Om de mens te verleiden moest de vijand zich van halve waarheden bedienen. Daarom gebruikte hij de slang, want door middel van dit medium kon hij de mens van buitenaf in de natuurlijke wereld benaderen. Ook hiervoor was Adam gewaarschuwd, want hij moest immers de hof ‘bewaren’ of zoals de Canisiusvertaling luidt: ‘bewaken’. Niet alleen in de plantenwereld, maar ook onder de dieren zou een exemplaar op bijzondere wijze met de satan verbonden worden. Bovendien richtte de slang in haar sluwheid zich niet rechtstreeks tot Adam maar tot diens vrouw, die het gebod misschien alleen door overlevering van Adam kende.
Gedenigreerd door de satan
God had de levende wezens ieder naar hun aard gemaakt: vee, kruipend gedierte en wilde dieren (Gen.1:24). Bij hun schepping hield Hij dus al rekening met hun verhouding tot de mens. Onder vee verstaan wij dieren die de mens dienen, maar ‘de dieren van het veld’ horen niet bij hen. Zoals in de hemelse gewesten engelen zijn die bij de mens horen en geesten die dezen vijandig zijn, zo gaf de dierenwereld hiervan al een schaduw te zien. Opmerkelijk is dat na de val in het karakter en in de levenswijze van het wilde en in die van het kruipende gedierte de meeste verandering ten kwade is gekomen. Vele zijn tot vijanden van de mens geworden en andere wekken afkeer en walging op. Zij leverden ook de grootste categorie van onreine dieren op. Onder het kruipende gedierte vond de duivel het beest dat naar zijn aard en aanleg het gemakkelijkste door hem kon worden gebruikt en het beste bij zijn oogmerken was aangepast:
- ‘Van alle in het wild levende dieren die God gemaakt had, was de slang het sluwst’ (Gen.3:1).
Dit reptiel probeerde dus niet rechtstreeks zijn doel te bereiken, maar langs een intelligent gekozen omweg. De gespleten tong en de kronkelende bewegingen beelden duivelse eigenschappen uit. De slang is daarom voortaan het onreine dier dat op aarde de grote leider van de onreine engelen vertegenwoordigt. Aan het einde van dit tijdperk is er nog sprake van ‘de draak, de oude slang, dat is de duivel en de satan’ (Op.20:2). De slang verschrikt en beangstigt haar prooi zodat deze in verwarring raakt. Dezelfde werkwijze gebruikt ook de duivel. De ogen van dit reptiel worden door stukjes doorzichtige opperhuid bedekt en oogleden ontbreken. De ogen zijn dus altijd ‘open’ en zij hebben een griezelig starende blik. De Bijbel geeft ons daarom de belofte dat wij in de laatste tijden worden onttrokken aan ‘het gezicht van de slang’ (Op.12:14).





