2. De hof van Eden

<<<<<

Er is een hemelse tempel en er was een aardse afbeelding van de onzienlijke dingen. Tot Mozes werd gezegd: ‘Ik zal je een ontwerp laten zien van de tabernakel en van alle voorwerpen die bij deze tent horen; houd je daar nauwkeurig aan’ (Ex.25:9).

  • Zo is er dan een hemelse tempel en er was als beeld een aards heiligdom,
  • er is een hemelse hogepriester die eenmaal afgeschaduwd werd door de aardse,
  • er is een hemels Jeruzalem en er was een aardse stad van God,
  • Zo is er ook een hemelse hof van Eden en er was een aardse afbeelding.

De gelijkenissen van Jezus

Het moet duidelijk zijn dat de natuurlijke lusthof zijn betekenis ontleende aan het geestelijke, onzichtbare, hemelse paradijs. Zoals Jezus later het Koninkrijk van de hemelen in gelijkenissen uitbeeldde, zo was de aardse hof van Eden een ‘gelijkenis’ van de hemelse. Wanneer van Jezus geschreven staat: ‘zonder gelijkenissen sprak Hij tot hen niet’, is dit ook iets dat Hij van zijn Vader geleerd had.

In Ezechiël 28:13-19 lezen we een beschrijving van de hoge plaats die de duivel eenmaal als engel van het licht in de hemelse gewesten innam. Zoals in Jesaja 14 de koning van Babel type is van Lucifer, zo is dit hier in Ezechiël de koning van Tyrus. In vers 13 lezen we: ‘U was in Eden, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u’. Deze negen in goud gevatte juwelen geven een indruk van de grote geestelijke begaafdheden die deze troonengel bezat. Hij was de ‘beschuttende cherub’ die de hemelse hof van Eden ‘bewerken en bewaken’ moest, maar die niet staande is gebleven. Hij liet immers het plan van God los en daardoor werd hij de vader van de leugen, die de woorden van God verdraait en loochent.

De gevallen troonengel

Na de val van Lucifer zijn er in de hemelse gewesten in het Koninkrijk van de hemelen twee elkaar vijandige grootheden: God en de duivel. Er is een Koninkrijk van het licht en een koninkrijk van de duisternis. We merken hierbij op, dat de woorden ‘licht’ en ‘duisternis’ beelden zijn uit de natuurlijke wereld. ‘Licht’ betekent hier ‘leven’, want ‘het leven is het licht van de mensen’ en ‘duisternis’ betekent dus ‘dood’. Leven en dood zijn realiteiten in de gééstelijke wereld.

Wanneer voor Adam en Eva de tijd aangebroken is dat zij geestelijke mensen gaan worden, dus hun ‘een plaats gegeven zou worden in de hemelse gewesten’, ‘plantte God een hof in Eden in het oosten en Hij plaatste daar de mens die Hij ‘geboetseerd’ had. Ook deed God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten. Ook plantte Hij de levensboom in het midden van de hof, naast de boom van kennis van goed en kwaad’ (Gen.2:8,9). Er is hier dus sprake van een nieuwe fase in het leven van de mens. Duidelijk wordt opgemerkt dat Adam in het begin nog niet in het paradijs leefde. Want in vers 15 lezen we: ‘En God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren’. Buiten de hof gold de levensregel:

  • ‘Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot voedsel dienen’.

In het paradijs is er een boom met zaaddragende vrucht, waarvan de mens niét mocht eten:

  • ‘Van alle bomen in de hof mag je eten, maar niet van de boom van de kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven’ (Gen.1:29; 2:16,17).

We merken allereerst op, dat het aardse paradijs een natuurlijke kopie was van de hemelse hof van Eden, dus van het Koninkrijk van de hemelen. Hier zijn twee middelpunten, namelijk God en de duivel. Zo lezen we in Openbaring 8:13 dat er een arend in het midden van de hemel vloog. Dit is de plaats waar de troon van God staat, want in het midden en rondom dit machtscentrum had Johannes al vier dieren opgemerkt, waaronder een vliegende adelaar. In Openbaring 14:6 is sprake van een engel die in het midden van de hemel vliegt. Deze bewoog zich dus in het midden of het centrum van de onzienlijke wereld bij de troon van God. Ook het Lam van God bevindt zich daar in de visioenen van Johannes (Op.5:6).

De drie hemelen

In Openbaring 19:17 is echter sprake van ontbindende machten die als roofvogels in het midden van de hemel vlogen. Zij staan in dienst van de dood, dus van de verderver Apollyon of Abaddon. De bomen in het midden van de hof drukten dus de situatie uit in het Koninkrijk van de hemelen, dus van de eerste hemel. Het nieuwe hémelse Jeruzalem, de stad van God waar geen kwaad meer binnendringt, is later het beeld van de tweede hemel. De levensboom was verbonden met God. De boom van kennis van goed en kwaad was echter verbonden met de duivel die het goede had gekend en zelf voor het kwade had gekozen uit vrije wil. Kwaad wat de satan zelf had uitgevonden en niet God (verg. de zieke aanbidding van Zondag 10 in de kerkgevangenisssen).

Veel van die kerkgangers zitten met de vraag: ‘waarom plantte God deze verderfelijke boom in het paradijs?’ Slechts met gebruikmaking van de sleutels van het Koninkrijk van de hemelen vindt men het antwoord. Wanneer Adam en Eva werkelijk geestelijke mensen wilden worden, zouden ze hun plaats moeten gaan innemen in de hemelse gewesten. Nooit zouden ze de troon van God bereiken zonder de afgevallen engelen tegen te komen. Ze moesten dus onderscheiding van geesten hebben. Ingaan in het Koninkrijk van de hemelen betekent immers: zich openstellen voor de inspirerende gedachten van God. Zij zouden de stem van God moeten horen in de innerlijke mens en zich moeten afsluiten voor de verleidende inspiraties van de Satan, die hun in de onzienlijke wereld de weg naar de troon zou proberen te versperren. Zo zei Jezus eenmaal:

  • ‘En de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij zeker niet volgen, maar zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem van de vreemden niet kennen’ (Joh.10:4,5).

Kanaän als voorbeeld

Nee, de hof van Eden was niet ongevaarlijk, want hij beeldde de realiteit in de hemelse gewesten uit. Zo begon immers ook voor het volk Israël de strijd pas goed in Kanaän. Het was wel een land overvloeiende van melk en honing en de druiven van Eskol waren beroemd vanwege hun grootte, maar het volk van God moest daar meer strijd voeren dan het ooit in de woestijn had geleverd. Werk en strijd waren de goddelijke instructies die Adam ontving. Hij moest de hof ‘bewerken’. Om het doel te bereiken, zou de mens moeten strijden om in te gaan, want er waren twee koninkrijken in de hof vertegenwoordigd. Adam moest leren kiezen tussen leven en dood, tussen de Woorden van God, de waarheid en de leugens van de duivel, de dwaling. Hij moest leren alleen de gedachten en de woorden van God te ‘bewaren’ en te gehoorzamen en niet te luisteren naar de vijand. Jezus sprak eens: ‘Wie mijn woord bewaart, heeft eeuwig leven’. Zoals een ellips twee brandpunten heeft, zo waren in het midden van de hof de levensboom én die van kennis van goed en kwaad. De vraag kan gesteld worden of zij tot een bijzondere plantensoort behoorden die een andere oorsprong had en in wezen van de normale vegetatie verschilde. Het antwoord is: nee. Wij willen dit duidelijk maken aan de hand van enkele voorbeelden:

Al vanaf het begin zien wij dat in de Bijbel onderscheid gemaakt wordt tussen reine en onreine dieren. Deze waren in het oude tijdperk een illustratie hoe de geestelijke wereld verdeeld was in goede en kwade engelen. Ook door deze indeling sprak God dus weer in gelijkenissen. Toch kunnen wij niet zeggen dat de onreine dieren andersoortige wezens waren dan de reine. De verdeling en de motieven hiertoe zijn naar onze begrippen zelfs vrij willekeurig. Wanneer het nieuwe verbond ingegaan is, houdt de schaduw op. Jezus had immers de geestelijke werkelijkheid geopenbaard die vanaf de grondvesting van de wereld onbekend was gebleven (Matth.13:35). Er staat dan ook dat Jezus alle voedsel rein verklaarde’ (Marcus 7:19). Ook voor het Jehova clubje.

De afscheidingsmuur voor eeuwig gesloopt

In een visioen werd ook Petrus tot driemaal toe erop gewezen dat hij zowel van de reine als van de onreine dieren zou eten. Dit beeld dat uitdrukte dat de scheidingsmuur tussen jood en heiden weggenomen was, zou hem nooit gegeven zijn, wanneer ook niet de scheiding tussen reine en onreine dieren was opgeheven (Hand.10:14-16). Paulus komt daarom tot de conclusie:

  • ‘Ik weet en ben overtuigd in de Heer Jezus, dat niets uit zichzelf onrein is’ (Rom.14:14).

Ook wijzen wij op de betekenis die een afgod had. In Jesaja 44 wordt beschreven hoe zo’n idool gemaakt werd: van een boom werd een deel voor brandhout gebruikt en een ander deel diende de heiden tot het maken van een beeld. Zo’n afgod bestaat niet uit een bijzondere houtsoort en heeft in zichzelf geen enkele kracht of macht. Paulus schreef:

  • ‘Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Integendeel, dat hun offeren een offeren is aan boze geesten en niet aan God’ (1 Cor.10:19,20).

Het dienen van afgoden

Wie voor een afgod knielt, wordt in de geestelijke wereld verbonden met de demonen van wie men een gelijkenis heeft gemaakt. Men wordt hierdoor bezet gebied en kan slechts bevrijd worden door de naam en de kracht van Jezus, die zijn volgelingen de autoriteit schonk om duivelen uit te werpen.

In tegenstelling met genoemde occulte bindingen zien wij dat onze Heer door middel van het gebruik van brood en wijn bij het avondmaal, ons uitdrukking doet geven van ons geloof waardoor wij deel hebben aan de heerlijkheden van de hemelse erfenis. Met het avondmaal belijden wij onze verbondenheid met Jezus Christus en daardoor wordt onze innerlijke mens versterkt. Wij gebruiken voor deze ceremoniën echter geen bijzondere brood of wijnsoort, maar deze elementen hebben voor ons een symbolische betekenis. In de hof van Eden hielden de vruchten van de bomen het natuurlijke leven van de eter in stand en daarom mocht de mens onbekommerd van alle gebruiken, maar de levensboom en die van kennis van goed en kwaad hadden betekenis voor het geestelijke leven in positieve of negatieve zin en konden daarom als rein of onrein beschouwd worden. Hun vrucht moest door Adam en Eva met de bovennatuurlijke wereld geassocieerd worden.

>>>>>