Eenmaal rukten de Moabieten en Ammonieten (broedervolken!) op tegen Josafat, de koning van Juda. Deze stelde mannen op die voor de Heer een lied zongen en Hem loofden. Toen zij zo jubelend voor het leger uittrokken:
- ‘…liet de Heer de Ammonieten, de Moabieten en de bewoners van het Seïrgebergte, die tegen Juda oprukten, vanuit hinderlagen overvallen, zodat ze zware verliezen leden. Daarop keerden de Ammonieten en de Moabieten zich tegen de bewoners van het Seïrgebergte om ze te vernietigen en te verdelgen. Nadat ze de bewoners van Seïr hadden afgeslacht, brachten ze elkaar om het leven. Toen de Judeeërs op het punt gekomen waren, waar ze de woestijn konden overzien en naar het leger uitkeken, zagen ze de grond bezaaid met lijken; niemand was ontkomen’ (2 Kron.20:22-24).
Jezus zei:
- ‘Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder en geen stad of huis, tegen zichzelf verdeeld, zal standhouden. En als de satan de satan uitdrijft, is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn koninkrijk kunnen standhouden?’
De satan is aan het einde van het duizendjarige rijk tegen zichzelf verdeeld. Waarom? Zijn volgelingen zijn in de strik van de duivel gevallen en zo met die originele leugen doordrenkt, dat zij tot de duivel zeggen: ‘Wat heb jij meer dan wij? Wij hoeven geen bevelen van jou af te wachten. Je zult nu ook eens genoegen moeten nemen met een mindere positie’. Zij kunnen zich deze insubordinatie of weerspannigheid veroorloven, omdat de duivel geen macht, geen kracht en geen troon meer bezit. Eeuwenlang hebben de demonen de mens aangevallen en vormden zij het grote leger van knagers, kaalvreters en verslinders waarover Joël profeteerde. Nu verslinden zij elkaar en de zielen van mensen. Niets blijft er meer over dan een restant, ‘hun worm die niet sterft’. Het rijk van de duisternis valt in zijn eigen zwaard, in zijn eigen leugen, in de strik van de duivel die als de grote ‘dwarsligger’ de van God gegeven orde niet wilde erkennen, maar zich uitstrekte naar iets dat hem ‘van boven niet gegeven was’.
Voordat het herstelde hemelse paradijs ons in al zijn schoonheid getoond wordt, beschrijft de Openbaring eerst nog de eindbestemming van de oude slang en van iedere wetteloze geest die met hem verbonden was. Duidelijk wordt wat de waarschuwing van God in het paradijs: ‘Want op de dag, dat je daarvan eet, zal je zeker sterven’, tenslotte inhoudt. Aan het einde van het duizendjarige rijk gebeurt opnieuw wat ook gebeurde voor het begin van het vrederijk. De duivel en zijn engelen die de mensen verleid hadden, worden gegrepen en nu niet naar de afgrond of het dodenrijk verwezen, maar ‘in de poel van vuur en zwavel’ geworpen.
Het beest uit de zee en de antichrist in de vuurpoel geworpen
Opgemerkt wordt dat ook het beest uit de afgrond, Apollyon, met de antichrist, in wie het zich had ingelijfd, daar al zijn (Op.19:20). Ook de Satan en zijn demonen worden nu voor eeuwig machteloos gemaakt en nooit zullen zij tot hun oude staat terugkeren. Zij zullen geen verderf meer brengen in Gods verloste en herstelde schepping. De vuurpoel duidt op de eeuwige concentratie van de demonen (en mensen met een bewust, dichtgeschroeid geweten) die tot verderf en ontbinding veroordeeld zijn. Zij waren altijd bezig geweest om de levens van anderen bewust te vernietigen, maar nu kunnen zij zich alleen maar tegen zichzelf keren en wordt aan hen bewaarheid: ‘Ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, gaat ten onder’ (Matth.12:25).
De zwavel wijst op de boosheid en ongerechtigheid als wezen van de onreine geesten. Zwavel voedt het vuur zoals slechtheid de bron is van de existentie van demonen. Bij de heilige engelen en de kinderen van God is echter de gerechtigheid en het leven het beginsel van hun wezen en bestaan. Ezechiël noemt in beeldspraak dit geworpen worden in de vuurpoel: ‘begraven worden in het dal van de doortrekkers’ (39:11). De duivel en zijn engelen zijn als brullende leeuwen door getrokken: zij waren eerst in de hemelse gewesten, werden op aarde geworpen en kwamen in de afgrond of in het dodenrijk. Daarna trokken zij weer rond over de hele breedte van de aarde en vonden hun einde in de vuurpoel. Daar wordt hun weg verder geblokkeerd. ‘Dat zal de weg versperren, aan wie erdoor wil trekken’. De Septuaginta spreekt erover dat de uitgang van de vallei, waar Gog en zijn menigte begraven worden, wordt afgesloten. Hun pijn blijft tot in alle eeuwigheden, dat wil zeggen dat zij nooit meer tot activiteit in Gods schepping komen.
Wij wijzen erop dat Ezechiël in hoofdstuk 39:12 schrijft, dat het huis van Israël het land of de aarde zal reinigen en daar een bepaalde tijd voor nodig heeft. Na de gestelde termijn van zeven maanden – een door God bepaalde tijd – stellen zij nog een nauwkeurig onderzoek in of niet een van de demonen is achtergebleven. Ook de laatste demon zal in het dal van Gog’s menigte begraven worden. Ook dan gebeurt niets automatisch, maar altijd weer wordt de gemeente, het ware Israël van God, ingeschakeld.
Wij wijzen ook op het belangrijke feit dat voor en na het duizendjarige rijk de duivel gegrepen kan worden. De oorzaak hiervan ligt in het feit dat hij volgens Openbaring 13:2 ‘zijn kracht en zijn troon en grote macht’ aan het beest dat uit de afgrond opkomt, afstaat. Wanneer dit beest met de antichrist bij Armageddon strijdende tegen Christus en zijn gemeente, de nederlaag lijdt, worden zij beiden als eersten, levend in de vuurpoel geworpen. De overste van deze wereld is dan zijn grote kracht en autoriteit voorgoed kwijt. Na het duizendjarige rijk kan hij alleen nog optreden als verleider, die door leugens zijn invloed probeert uit te breiden. Deze verleugening is de oorzaak zijn dat grote groepen mensen opnieuw op een dwaalweg worden gebracht en zich door middel van spiritistische seances in verbinding stellen met de occulte demonen en deze uit de afgrond laten opkomen om zo met de satan een korte tijd op aarde te opereren. Na het duizendjarige rijk zijn immers alle boze geesten in de afgrond opgesloten en slechts de mens is in staat hen daaruit langs spiritistische weg op te roepen.
Het laatste oordeel – Het dodenrijk in de vuurpoel geworpen
Het is frappant dat ook God de Vader aan zijn Zoon, de mens Jezus Christus, alle macht en gezag heeft overgedragen. Deze zal als hoofd van zijn gemeente in het hemelse Armageddon de overwinning behalen op zijn vijanden. De dood is al door Hem overwonnen, want Jezus heeft de sleutels van dood en dodenrijk. Bij het laatste oordeel wordt de dood ook geworpen in de vuurpoel (Op.20:14). Dan wordt waarheid: ‘De laatste vijand, die teniet gedaan wordt, is de dood’ (1 Cor.15:26 St. Vert.). Dit ‘teniet’ doen vindt dus in de vuurpoel plaats. Door zijn overwinningen is onze Heer in staat om na de overwinning, na het herstel van de schepping en na de vervulling van de behouden mens met de Geest van God, zichzelf te onderwerpen aan de Vader en daardoor alle macht en gezag aan God teruggeven, ‘zodat God alles in allen zal zijn’ (1 Cor.15:28).
Eeuwige scheiding
Bij de tweede opstanding komt het oordeel tot overwinning. Dan worden de goeden definitief van de kwaden gescheiden. ‘De vervloekten’ worden verwezen ‘naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is’. Zij zullen dus hetzelfde lot ondergaan als de ongehoorzame geestenwereld (Matth.25:41). Dit oordeel treft dus de mensen die de duisternis liever hebben gehad dan het licht. Zij waren vrijwillig met de demonen verbonden. Het kwade dat zij wilden, deden zij en het goede waarvan zij een afkeer hadden, deden zij niet. Zij oogsten dan wat zij zaaiden. Er staat dat aarde en hemel vluchtten voor het aangezicht van Hem die op de grote witte troon zat. Omdat zij gewillig met de duisternis verbonden waren, verwijderden zij zich altijd van het licht. Omdat zij zich aan de leugengeesten vastklemden, distantieerden zij zich van de waarheid. Wanneer zij zich in de vuurpoel storten, vergaat het hun als Judas die naar ‘zijn eigen plaats ging’.
Ook is het duidelijk dat bijvoorbeeld allen die in het duizendjarige rijk zich lieten verleiden en tot opstand kwamen, in de vuurpoel terechtkomen. Zij hadden immers in het vrederijk de volledige en zuivere evangelieboodschap gehoord. Er was geen druk van de duivel om hen te beletten gedoopt te worden met Gods Geest. Zij hadden dus allen zonder uitzondering de onderscheiding van geesten kunnen krijgen. Voor hen geldt dus: ‘Hoe zullen wij dan ontkomen, wanneer wij een zo grote redding verwaarlozen?’ Wie vandaag het eeuwig evangelie verwerpt, wie nu de leugen liever heeft dan de waarheid, zal later geen reden hebben zijn houding te wijzigen. Velen kennen echter geen zuiver evangelie, omdat het hun nooit gebracht werd. Zij geloofden immers hun leiders die hen op dwaalwegen brachten. Daarom kon Petrus tot de Joden zeggen:
- ‘Welnu, broeders, ik weet dat u in onwetendheid hebt gehandeld, net als uw leiders…. Kom daarom tot inkeer en bekeer u, zodat uw zonden worden uitgewist. Dan komen er van Godswege tijden van verademing’ (Hand.3:17-19).
Tot de onwaarachtige geestelijke leiders zei de Heer echter: ‘Slangen, adderengebroed, hoe zult u ontkomen aan het oordeel van de hel?’ (Matth.23:33). Zij lieten zich immers erop voorstaan God en zijn woord te kennen, maar handelden daar niet naar.
Eerste en tweede dood
De vuurpoel betekent voor mens en engel: eeuwige destructie en eeuwige liquidatie. Daniël profeteerde over de tweede opstanding:
- ‘En velen van hen die slapen in het land van het stof zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om de vernedering van een eeuwige schande te ondervinden’ (Dan.12:2).
De vuurpoel wordt ook ‘de tweede dood’ genoemd. In deze aanduiding vinden we een aanwijzing die ons iets doet begrijpen van deze situatie. Bij de eerste dood zien we alleen een destructie van het lichaam: ‘Stof bent u en tot stof zult u terug keren’. Het kan lang duren, maar tenslotte keert het lichaam weer terug tot de elementen van de aarde waaruit het genomen was. De uitwendige mens die in de zichtbare wereld functioneert, is tijdelijk en vergaat na zijn sterven. Als de mens niet opnieuw geboren is, blijft zijn inwendige mens ook verder in de dood en het dodenrijk, een situatie die overeenkomt met gevangen zijn.
Zo wordt na het duizendjarige rijk de duivel uit zijn gevangenis losgelaten. Hij was daar zoals iedere gevangene onmachtig, in bewaring en niet in staat zijn slechte werk te doen. In het dodenrijk wordt de innerlijke mens niet verder beschadigd, maar hij is niet in staat te functioneren in de natuurlijke noch in de geestelijke wereld. Hij wordt daar bewaard tot het laatste oordeel. Na de tweede dood volgt de destructie van de geest.
Zoals bij de eerste dood het lichaam volkomen ontluisterd wordt, zo berooft de vuurpoel de geest van alle kracht, begaafdheid, macht en autoriteit. De vuurpoel betekent de totale onttakeling van de geestenwereld die daarin geworpen wordt. De eerste dood is de tijdelijke scheiding van het leven dat uit God is en de tweede dood is de definitieve separatie. Wat het graf is voor het lichaam, is de vuurpoel voor ziel en geest.
- We merken op dat de eerste dood een situatie is, waarin de niet opnieuw geborene verblijft. Hij is hier op aarde al dood door zijn overtredingen en zonden (Ef.2:1). Wanneer hij sterft, verliest hij het natuurlijke leven en rest hem slechts voor geest en ziel het dodenrijk.
- De eerste opstanding is ook een toestand. Men heeft er immers ‘deel aan’. De eerste opstanding begint bij de nieuwe geboorte en brengt de mens uit de dood in het leven. Daardoor heeft de tweede dood vanzelfsprekend geen macht over zo’n verloste. Bij de tweede opstanding worden de woorden van Jezus vervuld:
‘Er komt een uur waarop allen die in het graf liggen (in het dodenrijk), zijn stem zullen horen en eruit zullen komen; wie goed hebben gedaan zullen opstaan om te leven, wie kwaad hebben gedaan zullen opstaan om veroordeeld te worden’ (Joh.5:28).
De hel
In ons gewone spraakgebruik benadert het woordje ‘hel’ het meest de betekenis van de vuurpoel. ‘Hel’ is afgeleid van het werkwoord ‘helen’, dat ‘verbergen’ betekent. Wij kennen deze betekenis nog uit het gezegde: de heler is zo goed als de steler. Een heler is iemand die gestolen goederen verbergt. ‘Hel’ betekent dus letterlijk de verborgen of onzienlijke plaats waar de doden zich bevinden, maar men denkt daarbij ook aan ‘het onuitblusbare vuur’, ‘de buitenste duisternis’, ‘de vurige oven’, ‘de rook van de pijniging’, dus aan een eindeloze ontredderde toestand. In Marcus 9:47,48 zegt onze Heer:
- ‘Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit; je kunt beter met één oog het koninkrijk van God ingaan dan met twee ogen in de hel gegooid worden, waar hun worm niet van ophouden weet en het vuur niet dooft’.
Wie tot slogan heeft: “Lees wat er staat, geloof wat er staat en je zult ontvangen wat er staat…”, zal merken dat een letterlijke opvatting in de natuurlijke wereld tot een verschrikkelijke verminking van het lichaam zou leiden. Voor hen die zo de Bijbel willen opvatten, gelden de woorden van Paulus tot de gevangenbewaarder: ‘Doe uzelf geen kwaad!’ Wij hoeven geen oog uit te rukken of een hand af te kappen, want deze brengen ons niet tot zondigen, maar we moeten Satans demonen weerstaan en de beïnvloeding van demonen breken, die willen heersen door onreinheid en wetteloosheid (Rom.6:19). De bedoeling is dat wij om deze strijd te winnen, bepaalde natuurlijke begeerten moeten intomen en ons volkomen ervan distantiëren. Zo zal een alcoholist zich het genot van een enkel glas sterke drank moeten ontzeggen, wil hij staande blijven. Een verloste roker zal geen enkele sigaret meer moeten aansteken. Een kleptomaan zal zich ook niet het minste meer wat een ander toebehoort, mogen toe-eigenen. Wat tot zonde verleidt, moet worden uitgerukt en afgekapt worden, ook al gaat het ten koste van aards genot, want anders wordt zo’n kwaad de invalspoort die tot totale zondeslavernij voert. Zei Jezus niet: ‘Wat immers baat het de mens als hij de hele wereld wint, maar zichzelf verliest of schaadt’ (Lucas 9:25)? De aanwijzing in Marcus 9:47,48 is dus bedoeld als leidraad bij onze strijd in de hemelse gewesten. Zo moeten wij ook het tweede gedeelte terugvoeren in de geestelijke wereld.
Het dal ‘Ge-Hinnom’ – Het offeren van kinderen
Het woordje ‘hel’ is in de Nieuwe Vertaling steeds de weergave van ‘Gehenna’ of ‘Gehenna’, de vergriekste vorm voor het Hebreeuwse ‘Ge-Hinnom’, dat is ‘vallei van Hinnom’. Dit nauwe en diepe dal lag ten zuiden van Jeruzalem. De joden hadden daar hun kinderen aan het vuur prijsgegeven als offer aan de heidense god, Moloch (2 Kon.23:10). In latere tijden diende dit dal als een soort vuilnisbelt, waar de afval die Jeruzalem verontreinigen zou, werd gestort. Zo werd het dal van Hinnom vanwege de altijd brandende vuilnishopen beeld van ‘de plaats’ van eeuwige straf. Ook Jezus en de apostelen gebruikten deze vergelijking om het onuitblusbare vuur in de geestelijke wereld aan te duiden. De passages waarin het woord ‘Gehenna’ gebruikt wordt, tonen duidelijk aan dat dit populaire woord hetzelfde begrip uitdrukte als ons woord hel. Door Jezus werd het gebruikt om een eeuwige verlorenheid en wanhoop aan te duiden. In de vuurpoel sterft echter ‘hun worm’ niet.
Dit beeld duidt er niet op dat zoals in het dal Hinnom de lijken van misdadigers door wormen zouden worden aangetast, zo ook de mens in de hel door wormen zou worden belaagd, maar dan door wormen die niet sterven. Dan had er moeten staan ‘de wormen’, zoals ook later Herodes werd opgegeten ‘door wormen’ en niet door zijn worm. Het gaat hier echter om de ontluisterde menselijke geest, die vergeleken kan worden met een worm. Zo vergeleek de ‘vrome’ geest die door Bildad sprak ‘de sterveling met een made en het mensenkind met een worm’ (Job 25:6). David tekende het lijden en de onwaardigheid van de Messias met de uitroep: ‘Maar ik ben een worm en geen man’ (Ps.22:7). Het onuitblusbare vuur laat geen enkel aanzien en geen enkele grootheid over. Iedere eigenschap die nog enigszins doet denken aan de verhevenheid en kracht van een vorige staat, wordt dan weggenomen. Hun worm blijft over, dat is het verschrompelde, het naakte, het ontledigde, het restant, zoals in het laatste vers van Jesaja gezegd wordt: ‘Want hun worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitdoven en zij zullen voor alles wat leeft een afgrijzen zijn.’
Wanneer in Openbaring 20:10 staat, dat de pijniging in de vuurpoel duurt tot in alle eeuwigheden of letterlijk tot in de eeuwen der eeuwen, zoals ook de Canisiusvertaling luidt, wijst dit wel op een eindeloosheid. Immers in Hebreeën 1:8 wordt deze zelfde uitdrukking gebruikt voor de tijdsduur van de heerschappij en heerlijkheid van Gods Zoon, als er staat: ‘Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid’. Wij kunnen ons geen voorstelling maken van de inhoud van de woorden ‘tot in de eeuwen der eeuwen’. Jezus sprak in Mattheüs 25:46 tegelijkertijd over ‘de eeuwige straf’ en ‘het eeuwige leven’. De uitdrukking ‘hun worm sterft niet’ en ‘het vuur wordt niet uitgeblust’ wijst op tijdloze duur, die uitgaat boven de begrenzing van het aardse denken.
Geen valse uitverkiezingsleer
De populaire gedachte dat een mens bij zijn sterven – in gedachten van velen al van eeuwigheid vastgelegd – rechtstreeks óf naar de hel, óf naar de hemel gaat, vindt in de Bijbel geen enkele steun. Deze gekleurde voorstelling is een gevolg van gebrek aan inzicht in de geestelijke wereld. De niet opnieuw geboren mens blijft bij zijn sterven geestelijk in het dodenrijk, een plaats van bewaring en verblijft in deze toestand tot het tijdstip van de tweede opstanding. Dan wordt hij geoordeeld naar zijn werken. Heeft hij de duisternis liever gehad dan het licht en het evangelie van Jezus Christus verworpen, dan komt hij in de vuurpoel.
De boeken geopend – Het levensboek
- ‘En ik zag de doden, klein en groot, voor God staan. En de boeken werden geopend en nog een ander boek werd geopend, namelijk het levensboek. En de doden werden geoordeeld overeenkomstig wat in de boeken geschreven stond, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren. Ook de dood en het rijk van de dood gaven de doden die in hen waren en zij werden geoordeeld, ieder overeenkomstig zijn werken’ (Op.20:12,13).
Heeft hij het goede gedaan en staat hij in het Levensboek, dan komt hij op de nieuwe aarde. De opnieuw geboren mens woont bij zijn ontslapen in het nieuwe Jeruzalem, eventueel in de tempel van God. Hij wacht op het ogenblik om ingeschakeld te worden bij het herstel van de schepping. Zij die bij de tempel horen, worden gebruikt in het duizendjarige rijk en op de nieuwe aarde. Zij die alleen bij het nieuwe Jeruzalem horen, worden enkel gebruikt om de nieuwe aarde tot haar volheid te brengen.





