Gods schepping wordt niet verwoest! 

‘Hij verwoest alles wat oud is…’

Ik las eens in het ‘Reformatorisch Dagblad’ dat er een referaat was gehouden voor de theologische studenten van de gereformeerde kerken, vrijgemaakt, te Kampen. Er werd gesproken over het ontstaan van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde:

  • ‘Aan de hand van 2 Petrus 3 legde drs. P.H.R van Houwelingen uit, dat de hele wereld door vuur zal vergaan. De aarde, maar ook de hemel en de hemellichamen zullen door vuur vernietigd worden. Deze vernietiging is niet alleen een oordeel en straf van God, zei de spreker, maar schept ook ruimte voor een geheel nieuwe hemel en een geheel nieuwe aarde. Op die nieuwe aarde zal dan gerechtigheid wonen. Want de invloed van de zonde is in dit tijdperk zo groot en alles beheersend, dat God alles wil herstellen wat Hij gemaakt heeft. Daarom verwoest Hij alles, wat oud is. God doet alles zo grondig, dat niemand er meer aan zal denken, hoe het vroeger was’.

Hal Lindsey schreef in zijn boek ‘De Planeet die (vroeger) aarde heette‘ ongeveer dezelfde doemgedachte:

  • ‘Christus zal de atomen (elementen) losmaken van het heelal waarin wij leven. Geen wonder dat dit vergezeld zal gaan met veel lawaai en een intense hitte met veel vuur. Vervolgens zal Christus de atomen weer samenvoegen en een nieuwe hemel vormen, waar alleen gelouterde personen zullen leven, zonder hun tot zonde geneigde natuur’.

Er zijn uitleggers die menen, dat God eenmaal de aarde kant en klaar en volmaakt in orde heeft geschapen. Zij spreken dan in het begin van Genesis over een ante-chaotisch tijdperk met een Pre-Adamitische wereldbevolking (ante en pré betekenen vóór). Zij lezen: ‘De aarde werd woest en ledig’ vanwege de opstand van de engelen onder Lucifer en de val van de Pré-Adamieten. De aarde werd toen niet alleen met water bedekt, maar ook in volslagen duisternis gehuld. In 2 Petrus 3:6 staat, dat de ‘toenmalige wereld vergaan is, verzwolgen door het water’. Dit zou dan niet zien op de zondvloed tijdens Noach, maar op een nog grotere catastrofe, waarmee het Pré-Adamitische tijdperk eindigde. Genesis 1 zou dan eigenlijk het verhaal van een tweede schepping bevatten. Liever lees ik de vertaling van Reisel:

  • ‘In een begintoestand had God het hemelruim en de aarde geschapen. De aarde is ontzettend chaotisch gewéést’. Zoals een beeldhouwer uit een ongevormde klomp steen een schoon monument schept, zo deed de Heer God dit ook met de aarde. Hij schiep eerst de hemel, de onzichtbare wereld, waartoe Hijzelf ook van eeuwigheid behoort en toen de aarde: eerst woest en ledig en daarna omvormend tot een geordende kosmos.’

Volgens drs. Van Houwelingen en Hal Lindsey zou God opnieuw zijn schepping vernietigen aan het einde van dit tijdperk. Hij zou dan daardoor wel zijn onvermogen getoond hebben iets goeds te scheppen, dat bestand zou zijn tegen de aanvallen van de boze geesten in de hemelse gewesten. De volmaakte Schepper, die eenmaal zag dat Hij alles goed gemaakt had, zou de grote verwoester van zijn eigen werk worden. De Vader van de lichten zou de duisternis veroorzaken en het vernietigende werk van de duivel hiermee overnemen, voortzetten en afmaken. Wat een ontheiliging van de goede naam van onze God! Hier kan men toch zeker niet bij zingen: ‘Maar blij vooruitzicht dat mij streelt’. In de Bijbel lees ik dat de aarde terwille van de mens vervloekt is, dus prijsgegeven aan de overste van de macht van de lucht. Maar ook is de belofte geschonken, dat het zaad van de vrouw, dus de Mensenzoon met zijn broers en zusters, de slang de kop zal vermorzelen. Vollediger kan het niet gezegd worden. Naar dit heuglijke feit ziet de zuchtende schepping nu al uit. Met Da Costa belijd ik: ‘Des aardrijks vloek is opgeheven’. De belofte blijft van kracht:

  • ‘God heeft de aarde geformeerd, heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd (chaos) heeft Hij haar geschapen’ (Jes.45:18). Het lied van de aanbidding van de oudsten van de gemeente luidt: ‘Waardig bent U, onze Heer en onze God, de heerlijkheid en de eer en de macht te ontvangen; want U hebt het heelal geschapen: door uw wil ontstond het en werd het geschapen’ (Op.4:11). ’En Hij die op de troon zit, zei: ‘Zie, Ik maak alles nieuw’ (Op.21:5).

Een nieuw mens is een vernieuwde mens. Een nieuwe hemel en een nieuwe aarde betekenen een gezuiverde en gereinigde kosmos. Er is een wereldwijd herstel van alle dingen. De Duitse Führer Adolf Hitler gebruikte destijds veelvuldig het woord ‘Lebensraum’ (ruimte om te leven). Om deze sfeer te scheppen vermoordde hij miljoenen mensen en verwoestte hij grote gebieden. De Europese Unie – aangemoedigd door Nederland – wil heel Europa vervangen Afrikanen en het Midden Oosten. De oorspronkelijke Europese bevolking moet in zijn geheel worden ‘ausradierd.’ God doet zo niet, want Hij heeft de aarde, zijn schepping, lief. Hij behoudt haar, want ‘de aarde is van de Heer’ en blijft van de Heer. Hoe kan iemand zeggen dat God alles wil herstellen en daarom alles eerst gaat verwoesten? Ook lees ik nergens dat de hemellichamen onder de vloek liggen. Zij wentelen zich nog altijd in hun banen rond als een groot precisie-uurwerk.

De apostel Petrus schreef dat de ‘hemelen’ (meervoud) brandende zullen vergaan. Deze onzichtbare geestenwereld met haar overste zal ‘beven’ (Hebr.12:26). Vuur is een beeld van het rijk van satan. De demonen zullen in de ‘vuurpoel’ worden geworpen, een situatie die buiten het Koninkrijk van God is. Daar worden dan de boze geesten – en allen die hen liefhebben – aan zichzelf ‘overgegeven’, een prooi van het vuur dat zij zelf vormen. Petrus schreef over de ‘elementen’. Hij doelde daarbij zeker niet op atomen. De vier elementen in zijn tijd waren: aarde, lucht, vuur en water. Het is moeilijk in te denken dat hij water zag branden, of lucht, of vuur door vuur. Het Griekse woord ‘stoicheion’ dat in 2 Petrus 3:12 door elementen vertaald is, betekent het meest oorspronkelijke, niet samengestelde bestanddeel. Men vertaalt het ook door ‘eerste oorzaken’, ‘grondbeginselen’, ‘eerste beginselen’ en ‘wereldgeesten’. De wereldgeesten vormen de grondbeginselen, het bestuursapparaat van de levende schepping. In het hemelse leven kunnen wij denken aan troonengelen, cherubs, overheden, engelen van de gemeente en bij de gevallen, satanische engelen bijvoorbeeld aan hun overheden, machten en wereldbeheersers van de duisternis.

Parallel met deze bestuur principes uit de onzienlijke wereld zijn ook de menselijke geesten naar de wil van God hiërarchisch geordend. Dezen zijn zo ingesteld dat er rangen en standen zijn, zoals ouders-kind, leiders-volk, meester-knecht. Deze ordenende ‘wereldgeesten’ maken het leven op aarde mogelijk en ze zijn door God ingesteld (Rom.13:1). De wet van de Sinaï houdt rekening met dit scheppingsprincipe en daarom wordt zij in verband gebracht met de wereldgeesten (Gal.4:3,9; Col.2:8,20). Deze geesten zijn zwak en armelijk, want zij moeten zonder hulp van Gods Heilige Geest het afleggen tegen de opkomende demonie in de laatste dagen. 

Wanneer de wereldgeesten door ‘vuur’ vergaan of ‘brandend ontbonden  zullen worden’, zal dit veroorzaakt worden doordat satan’s demonen hen uitschakelen. Zij zullen dan al hun gezag verliezen. In onze tijd zien wij een toenemende wetteloosheid en dit wijst op het komende rijk van de antichrist. Er is dan sprake van een in elkaar storting van het maatschappelijke, politieke en religieuze leven (Jes.3:1-7). In de Joodse voorstelling van de eindtijd wordt vaak gesproken van de goddelijke toorn, maar alleen in figuurlijke zin. Voor ons betekent het dat de mensheid ‘overgegeven’ wordt aan Satans demonen, die ze zelf graag gediend heeft (Rom.1:24,26,28). De doop in vuur ziet op de beproeving en loutering van de christen.

Didachè

Het oudste christelijke geschrift dat wij kennen, is de ‘Leer der twaalf apostelen’ (Didachè). Dit werd in de eerste eeuw na Christus geschreven. Op de laatste bladzijde van dit boekje staat, dat in de tijd van de antichrist ‘de schepping van de mensen in het vuur van de beproeving zal komen. Dan zullen velen geërgerd worden en verloren gaan, maar zij die in hun geloof volhard hebben, zullen vanuit deze vervloeking gered worden’. Gods eigendom, de aarde met de mensheid, wordt niet prijsgegeven aan de duivel, maar wordt gelouterd en behouden ‘als door vuur heen’ (1 Cor.3:12-15).