Eikenbomen van gerechtigheid 

Assur, waarschuwend voorbeeld voor Egypte

  • ‘In het elfde jaar, in de derde maand, op de eerste van de maand, kwam het woord van de Heer tot mij: Mensenkind, zeg tot Farao, de koning van Egypte en tot zijn mensenmenigte: aan wie bent u in uw grootheid gelijk? Zie, Assur was een ceder op de Libanon, schoon van takken, met schaduwrijk loof, hoog van stam; zijn top reikte tot in de wolken’ (Ez.31:1-18).

Een wonderlijk hoofdstuk, dit Ezechiël 31. Niet alleen Jezus sprak in gelijkenissen, er zijn ook profeten die door Gods Geest geïnspireerd worden en in beelden tot ons spreken. De Bijbel is vol met beelden: de stad van God, de tempel van God, bergen, de hof van Eden. Al deze beelden hebben een betekenis vanuit de onzienlijke wereld. Ezechiël bepaalt ons bij het beeld van een geweldig grote boom in de hof van Eden. Om de soort aan te duiden spreekt hij hier over een ceder van de Libanon. Deze boom heeft lange takken, schaduwrijk loof zodat de dieren daar hun jongen kunnen werpen, maar daaronder kunnen ook de volken leven, twijgen waarop de vogels zich nestelen. De boom is zo groot geworden omdat hij zulke diepe wortels heeft. In vers 4 wordt gesproken over de vloed van de diepte, als het ware een oceaan van water, tot diep in de grond. Deze boom heeft heel diepe wortels, zodat hij zelfs in tijden van droogte kan overleven. Het is de grootste boom, geweldig mooi om te zien. Er is geen boom die hem overtreft in schoonheid, zegt vers 8. Alle bomen waren jaloers op die grote boom.

De boom groeit zover dat hij tussen de wolken komt, maar daar ligt ook meteen zijn begrenzing. Als hij zijn kruin tussen de wolken steekt, trots en hoogmoedig als hij is omdat hij mooier en groter is dan alle andere bomen, komt hij in conflict met de Heer God. God laat hem los, geeft hem over aan de vijand. De vijand wordt ‘machtige onder de volken’ genoemd. Er komen nog meer slechte machten, de barbaren, de meest gewelddadigste van de volkeren en zij kappen de boom om. De heidenvolken hebben hem omgehouwen en zijn val is zeer groot. De takken vallen af en de twijgen breken. Op zijn takken zitten nu de vogels uit de lucht en de wilde dieren springen over de twijgen. De val van de boom werd veroorzaakt door de boom zelf, die ook wel de waterdrinker wordt genoemd. Hij is eigenwijs en trots geworden, hij dacht dat hij ook wel zonder water kon leven. Vers 14 zegt: ‘Opdat de waterdrinkers zich niet verbeelden in hun eigen kracht te kunnen staan’. Vers 16 heeft het over de helpers die ook het water niet nodig hadden. Het eind van de boom is dat hij neerdaalt in het dodenrijk met alle bomen die aan hem gelijk willen zijn, met wie hij verbonden was.

Beeldspraak

Het is goed om ons eens in deze gelijkenis en beeldspraak te verdiepen. De Joden mochten Ezechiël pas lezen als zij 40 jaar oud waren, maar die regel geldt gelukkig niet voor ons als het volk van God in het nieuwe verbond. Wij hebben een betere kijk en een dieper inzicht door Gods Geest. Wij kunnen verder dan hen kijken, zij kijken naar het uiterlijke, het beeld, wij kunnen naar de werkelijkheid kijken die door dit beeld wordt uitgedrukt. Ezechiël heeft het in hoofdstuk 28:12 ook al over deze boom:

  • ‘Een boom in de hof van Eden, een engel, volmaakt van gestalte, vol van wijsheid en uitermate mooi, was in Eden de tuin van God; u was bekleed met allerlei edelstenen: van robijn, topaas en jaspis, chrysoliet, kornalijn en onyx, saffier, granaat en smaragd. Van goud waren de sieraden waarmee u getooid was. U was een cherub met uitgespreide vleugels; tot bewaker had Ik u aangesteld: de heilige berg van God was uw verblijfplaats’.

Er was in de hemelse hof van Eden, in de hemelse gewesten, een geweldige geest. Hij wordt vergeleken met een boom uit de hof van Eden. Alle bomen hebben daar de eigenschap dat ze het water diep uit de grond moeten halen. Deze engelen, tot de hoogste aan toe, waren voortgekomen uit God die Geest is. God heeft geen lichamelijke gedaante, maar God is Geest. Uit die eeuwige Geest, als een oceaan, komen de geesten voort, ook de menselijke geest komt daaruit voort. Wij zijn uit God, wij zijn zonen van God, net zoals de engelen dat zijn. Onze geest is als het ware afgescheiden van de grote Geest van God. Dat is met deze geweldige geest ook het geval. Hij is zo enorm groot, dat hij ontzettend veel water nodig heeft, daarom zijn zijn wortels zo diep. Water is het beeld van de geest. Dat water is zijn kracht, hij had contact, gemeenschap met Gods Geest. Hij had alles aan God – de Vader van de geesten – te danken: zijn kwaliteiten, zijn functie, zijn gaven.

Deze engel had slechts één begrenzing: Hij mocht niet boven de wolken uitkomen. Een wolk is het beeld van de gemeente van Jezus Christus, de mens waarin God wil wonen, de mens waarmee God zich verbonden heeft, met zijn hoge positie in de hemelse gewesten. De wolk is altijd verbonden met de Mensenzoon. Er zijn ceders om de engel heen, engelen in een lagere orde dan deze machtige boom. Engelen zijn dienende geesten om hen, die de redding beërven, bij te staan (Hebr.1:14). De dienende geesten willen mensen dienen die koningen en priesters zijn in de geestelijke wereld. Deze grote engel was ook eerst een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels om in die geestelijke hof zijn werk te doen en om op aarde de mensen te dienen. Dat was zijn taak door God aan hem gegeven.

God wil van het begin af aan in ons wonen, wij zijn Zijn lichaam, Zijn tent. Als de engelen God willen dienen, zullen ze ook de mens moeten dienen, want God woont in de mensen. Dat is het grote geheim van het plan van God. Maar deze grote engel wou zich gelijkstellen met de mensen en hen niet meer dienen, hij wilde zelfs boven de wolken uitkomen en aan God gelijk zijn. Om die reden heeft God hem verstoten, omdat deze boom zich verzet heeft tegen het plan van God met de mens. Daardoor kan hij niet meer aan water komen. God schrijft deze boom – en de bomen die deze grote boom volgen – af. God schrijft nooit mensen af: ‘Heeft God dan zijn volk verstoten? Nee, zelfs Israël niet’ (Rom.11:1). Maar deze boom en de andere bomen verstoot hij. Daar komt Hij niet meer op terug.

Wij zien elke dag om ons heen hoe deze grote boom nog steeds probeert onder de wolken zijn plaats in te nemen. Hij is van de eeuwige bron van water afgesloten, maar toch is hij nog aan het werk onder de kinderen van God. Hij breekt af waar hij maar kan, hij beschadigt nog steeds mensen, ook kinderen van God. In vers 11 staat: ‘Ik gaf hem over aan een machtige onder de volken’. Machtige, dat is enkelvoud. In de Septuaginta staat: ‘Ik gaf hem over aan de vorst uit de volken’. Met andere woorden: Ik gaf hem over aan de mens Jezus Christus. Dat is de Machtige, Hij heeft de strijd aangebonden en Hij heeft de grote engel verslagen op zijn eigen terrein, in de geestelijke wereld. Hij heeft hem overwonnen en alle ceders, die bij hem stonden, alle helpers, hebben de macht en invloed van Jezus Christus ervaren. Ze hebben het uitgeschreeuwd:

  • ‘Bent U gekomen om ons te pijnigen? Wij weten wie U bent: de vorst onder de volken. U bent de Machtige, de Heer’. Jezus Christus heeft overwonnen. In vers 12 lezen we vervolgens: ‘Barbaren, de gewelddadigste van de volken, velden hem en deden hem neerstorten op de bergen, vreemden’.

Hier staat het in het meervoud, een volk uit de heidenen, gekomen van alle hoeken van de aarde, een machtig, onverslaanbaar volk, een leger van God. Zij hebben geholpen met het omhakken en vellen van die grote boom en de ceders erom heen, die hun wortels niet meer hadden in de diepe aarde, in de diepe watervloed. Hoort u ook bij het leger van God of zegt u: ‘Ik ben maar een klein, nietig mens, onbetekenend, ik ben maar een deurmatje’?

God kan geen deurmatjes gebruiken, hij heeft de machtigsten onder de volken nodig. Wij weten dat de strijd zwaar is, maar wij hebben de overwinning in Jezus Christus. Hij is ons voorgegaan, Hij is ons voorbeeld, Hij heeft overwonnen. Zo worden de zonen van God openbaar. De grote boom is geveld, hij heeft geen stand kunnen houden. Hij was trots op zijn hoogte, hij maakte zich los van de bron en hij verhief zich boven de wolken van de hemel.

Geesten zijn waterdrinkers en als je geen water drinkt ga je eraan, dat is in het natuurlijke leven zo, maar het is ook beeld van het geestelijk leven. Wij moeten voortdurend water drinken. De Bijbel staat er vol mee. Psalm 1 spreekt daarover: Hij is als een boom, geplant aan waterstromen’. In het Nieuwe Testament wordt gesproken van het levende water. Het is belangrijk dat wij gekoppeld blijven aan de waterstromen. Als je dat los laat, word je trots, je gaat je verheffen en dan ga je je eigen weg. Deze gelijkenis gaat niet alleen over de duivel, het gaat ook over de koninkrijken die met hem verwant zijn. In Ezechiël gaat het over de wereldrijken die uit de duivel voortgekomen zijn, zoals Assur, Egypte, Babel en Tyrus. Dat zijn geweldige wereldmachten, geïnspireerd door de satan. Die grote, machtige boom inspireert nu de volkenwereld. Het verdrietige is dat deze boom eigenlijk was geschapen om beschutting en bescherming te geven, hij zou net als de heilige engelen ondersteuning moeten geven. Zo hebben ook de bomen rondom hem, die grote wereldmachten, ook die beschermende functie gehád.

Paulus schrijft in Romeinen 13 over de overheid van toen, het Romeinse Rijk: ‘Ze staan in dienst van God, ons ten goede’. Zo had God in Zijn gedachten de maatschappij opgebouwd: Er zou een duidelijke hiërarchie zijn met heer-knecht, vader-kind, leraar-leerling, koning-onderdanen. Zo zouden de machthebbers hun onderdanen beschermen. In dienst van God zouden ze hen, die het kwaad doen, wreken en het onrecht buiten hun rijk houden. Daarvoor had God deze machtige boom en de bomen rondom hem bestemd. Maar die wereldmachten zijn de mens gaan vernederen, gebruiken de mens als slaaf, ze jagen de mens voort, ze hongeren hem uit. De wereldmachten voelden zich verheven boven de mens. Denk aan Daniël 4, waarin Nebukadnezar een droom heeft. Als deze koning de droom aan Daniël vertelt, dan is Daniël verbijsterd. Hij zegt:

  • ‘De boom die u gezien hebt, die geweldig groot was en waarvan de top tot de hemel reikte, die over heel de aarde te zien was, mooie bladeren had en een overvloed aan vruchten droeg, zodat er voor iedereen voedsel aan hing; die boom waaronder de wilde dieren zich ophielden en in wiens takken de vogels van de hemel nestelden, die boom bent u, koning. U bent geweldig machtig: uw grootheid reikt tot de hemel en uw heerschappij strekt zich uit tot de einden van de aarde’.

Het vervolg beschrijft hoe een heilige wachter opdracht geeft om de boom om te hakken. Hij zei tegen de boom: ‘Ik zal uw heerschappij wegnemen, ik zal u verstoten uit de gemeenschap van de mensen’. Koning Nebukadnezar wordt daarop waanzinnig en aan de dieren gelijk. Hier zien we weer hetzelfde beeld. De koning moest een beschutting zijn voor zowel mens als dier, de boom moest een veilige plek zijn voor de mensen en de dieren, zoals later de volken leven in de schaduw van de Levensboom. Daar vinden ze genezing en bescherming, naar de oorspronkelijke gedachte van God. God heeft deze machthebbers, deze koningen afgeschreven. Hij heeft Israël als volk afgeschreven en er is nu een geestelijk Israël uit de volken gekomen. Hij heeft de hof van Eden afgeschreven en er is nu een andere hof van Eden met andere bomen voor gekomen, heerlijker en groter dan voorheen. De heerlijkheid van de tweede tempel is groter dan van de eerste tempel. De heerlijkheid van Gods huis en van Gods zonen is groter dan de heerlijkheid die ooit op aarde is geweest.

Voorbeelden van machtsmisbruik

De machthebbers hebben hun macht misbruikt en misbruiken ze vandaag nog steeds op grote schaal. Van de koning van Babel, die ook deze vorst van de duisternis typeert, wordt gezegd:

  • ‘De Heer heeft de stok van de goddelozen verbroken, de scepter van de heersers waarmee zij, voortdurend, razend op de volken in sloegen, hen grimmig vertrapten en meedogenloos vervolgden’ (Jes.14:5), waarna verder gezegd wordt: ‘De hele aarde is nu rustig en veilig, de mensen juichen van vreugde. Ook de cipressen en de ceders van de Libanon verheugen zich’. Er komt een eind aan de afbraak, aan de aantasting van Gods kinderen.

Zo was daar Assur, een vijand van het natuurlijke volk Israël dat God in Abraham verkozen had. Deze heeft in de tijd van koning Hizkia en Sanhedrin, Israël aangevallen. Assur stond met een geweldig groot leger voor Jeruzalem, hij stond daar op te scheppen, maar in één nacht stierven er 85.000 van zijn soldaten. Zo kwam hij ten val (2 Kon.19). De grote boom, de troonengel had alle macht van God gekregen, hij was verheven boven alles, maar hij hield op met drinken. Een waarschuwing voor ons allemaal. Wij hebben ook veel van God gekregen. Van de duivel staat dat zijn wortels diep reikten, hij stond heel stevig. Maar hoe dieper en groter, hoe meer verantwoordelijkheid. Maar hij heeft zich losgemaakt. Wee de mens die zich losmaakt van de bron. Zoals de Hebreeënschrijver zegt: ‘Zij hebben de geestelijke gaven geproefd en zij zijn tot afval gekomen, zij hebben van het Woord van God gedronken, maar zij deden het in eigen kracht’ (Hebr.6:5). Mensen die op eigen kracht alles gaan doen, worden geweldenaars, ze worden geïnfiltreerd door satans demonen. Tot hen zeggen we: verneder je voor het aangezicht van God, d.w.z. laat je geest weer volgzaam worden, ga weer drinken uit de bron van levend water. Wordt weer een waterdrinker, niet van het naderhand vergiftigde water maar drink uit de Levensbron.

Farao

Er is ook een grote overeenkomst met Farao, de koning van Egypte. Ezechiël noemt ook aan het eind van dit gedeelte de farao, die ten onder gaat met zijn hele leger. De koning van Egypte moest ook een beschuttende cherub zijn, hij had zijn opkomst en zijn bestaan te danken aan Jozef, omdat hij het land gered heeft, dat komt terug in zijn naam: Zafnath Paäneach, behouder van het land. Egypte is niet van hongersnood omgekomen en uitgeroeid, omdat Jozef koren in de schuren verzamelde (Gen.45). Zo kon Farao een machtige vorst blijven en zijn land regeren. De eerste farao’s hebben dat ook zo gezien. Zo werden Jacob en zijn kinderen opgevangen toen hij Kanaän moest verlaten. Jacob kreeg het beste stuk van het land, hij werd geëerd en beschermd. Dat was de bedoeling van God: de farao had de taak om de kinderen van God te beschermen, zodat die 70 mensen die met Jacob mee kwamen, uit konden groeien tot een volwassen volk, zodat zij terug kon keren naar het land Kanaän.

Maar er kwamen farao’s die Jozef niet gekend hebben, die het plan van God niet kenden. Zij hielden op met water drinken uit de bron. Farao wordt dan net als zijn meester, de duivel. Hij wordt de farao van de verdrukking, van de hardheid, van het geweld, niets ontziend, met maar één doel: hij zal dat volk tegenhouden en vernederen. De duivel wil de machtige zijn, daarom moeten de mensen vernederd of nog beter: vernietigd worden. Daarom heeft God deze farao met al zijn helpers laten verdrinken in de Rode Zee.

Het beeld van de sterke, machtige boom kunnen we ook toepassen op de schijnkerken. Jezus gaf aan de kerk van alle eeuwen de taak om de mensen die in haar zijn te beschermen, te herstellen en hen te laten opgroeien tot zonen van God, zodat zij eindelijk geopenbaard worden en de troon verwerven. Daarvoor was het nodig dat de kerk diepe wortels zou hebben in de watervloed, zodat de zonen van God daaruit geboren zouden worden (Op.12). Gelukkig is dat ook gebeurd maar niet dankzij de kerk. Denk alleen maar aan de Roomse Kerk, die 17 eeuwen lang alleenheerschappij heeft gevoerd. Deze kerk heeft niet de zonen van God beschermd, maar ging hen juist vervolgen, bijvoorbeeld hen die de babybesprenkeling verwierpen (de Dopersen waaronder Jan de Bakker). ‘Ze hebben de profeten gedood, juist zij die met God gemeenschap hebben en ze hebben de maat van de voorvaders volgemaakt,’ zou Jezus zeggen. De kerk heeft het doel van God, de volmaaktheid tegengewerkt, door te zeggen dat de mens dat doel toch niet zou behalen. Ze hebben aan veel water gezeten en dwalingen ingedronken, zoals het ‘zondaar zijn tot de dood.’

De Levensboom

We willen ook nog stilstaan bij een andere boom in de hof van Eden, de Levensboom (Op.22:1,2). Ook een beeld van een geweldige boom, ook de wortels diep geslagen in de watervloed van Gods Geest. God had Zich met deze boom verbonden en de mens die Leven wil, zal naar deze boom moeten gaan. Adam en Eva gingen ook naar die boom om God te ontmoeten bij het suizen van de wind, in de avondkoelte. Een bijzondere ontmoetingssamenkomst, elke dag weer. Na een dag in de natuurlijke wereld, ontmoetten zij ‘s avonds God bij de Levensboom om te eten van de vrucht. Dan werd hun hart verlicht, ze vierden daar als het ware hun Avondmaal, van de vrucht van de Levensboom, dat is het Woord van God.

Dat eten van die vrucht garandeerde hen het eeuwige leven en tijdens het eten hoorden ze de stem van God. God kon hen onderwijzen, zodat zij hun kennis vermeerderden en steeds meer gingen begrijpen van de geestelijke wereld. Dat was het plan van God met de mens, dat zij geestelijke mensen zouden worden en in een ondeelbaar ogenblik, in punt van de tijd, veranderen, zodat hun sterfelijk lichaam in een onsterfelijk lichaam zou veranderen (1 Cor.15:52). Die ontmoeting; wat moet dat geweldig geweest zijn om dat elke avond mee te maken. God verlangt ook naar deze gemeenschap, want als Adam en Eva op een dag verstek laten gaan en er niet zijn zoals gewoonlijk, roept God: ‘Adam, waar ben je?’ Maar Adam was er niet, hij had van een andere boom gegeten. Daarom kon God geen gemeenschap meer met Adam hebben en Hij breekt met Adam. Hij sluit de hele hof van Eden af en God zegt: ‘Adam, je mag niet meer hier leven, bij die boom komen, de geestelijke wereld is voor je gesloten’.

Maar God laat de mens niet los, Hij geeft een andere boom. Het ene verdwijnt om het betere tevoorschijn te laten komen: Jezus Christus, de Levensboom. Jezus zegt: ‘Wie van Mij eet, zal leven’. Door gemeenschap met deze Boom kunnen wij overwinnen. Adam en Eva konden drinken van het Levende Water als zij God ontmoeten, wij mogen ook drinken van het Levende Water door gemeenschap met Jezus Christus. In Openbaring 2:7 staat: ‘Wie overwint, Hem zal Ik geven te eten van de Levensboom, die in het paradijs van God is.’ Overwinnen is breken met de zonde, het kwaad, de jaloersheid, drift, onreinheid en trots. Overwinnen is niet strijden tegen vlees en bloed, maar tegen de demonen van de duisternis, de duivel en zijn helpers. Als je overwint, mag je met Jezus eten van de Levensboom. Door de schuldvergeving met het bloed van Jezus Christus krijgen wij weer deel aan het eeuwige leven. Je kan alleen overwinnen door het zuivere Woord van God tot je te nemen. Niet door allerlei bedrieglijke wonderen en tekens, maar doordat we geplant zijn aan waterstromen, door te eten van de Boom waarvan het loof niet verwelkt, maar zijn vruchten geeft en alles wat Hij doet lukt (Ps.1:3). Dat is ons doel, daar willen we samenkomen, wij willen gevoed en verkwikt worden door de levende Heer. Jezus zegt: ‘Wie in Mij gelooft, wordt zelf een bron, wordt Mijn helper, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’. Dan ben je niet alleen waterdrinker, maar dan ben je ook een watergever. Dan kom je in het paradijs van God en heb je deel aan het rijke nieuwe verbond.

Het oude Israël was een natuurlijk volk, het stond tegenover natuurlijke vijanden. Als ze God gehoorzaamden, verdreven ze de vijand, maar door hun ongehoorzaamheid werden zij door de vijanden overheerst. Voor ons is er een nieuwe vloed, een nieuwe stroom, de oude was niet machtig genoeg. De nieuwe vloed is op de Pinksterdag ontstaan, bij de troon van het God en van het Lam, want Jezus is de doper met Heilige Geest. Wij mogen van dit water drinken, hier mogen wij onze wortels diep inslaan. Op de Pinksterdag is deze bron aangeboord, zoals men olie uit de grond boort. Toen kwam Gods Geest, heilbrengend over de hele wereld en nu wordt er weer gedronken uit de Bron, er ontstaan bomen, de Bijbel noemt ze de geweldigsten onder de volken. Is dat niet heerlijk? Het is geweldig om te kunnen zeggen: daar hoor ik ook bij, prijs de Heer! Degene die ons is voorgegaan is de Machtigste, de Vorst van de volken. Van zo’n evangelie krijg je geen minderwaardigheidscomplex, je voelt je sterk worden, je wordt volwassen, je groeit op tot zoon van God. Het evangelie van de duivel is: Je bent niks, je bent klein en je moet nog kleiner worden. Het evangelie van Jezus Christus is: ‘Ik heb je groot gemaakt en Ik laat je nog groter maken tot je op Mijn troon zit als overwinnaar; dan kan God in je wonen en zal je heersen over al de werken die God geschapen heeft’.

Wat een tegenstelling tussen deze twee evangelies, Licht en duisternis. Wat hebben vrome geesten toch enorm veel schade aangericht onder de kinderen van God. In de Woorden van Gods staat: ‘Hij maakt eikenbomen van de gerechtigheid’. Dat is heel wat anders dan een klein plantje in de tuin, de Heer spreekt over eikenbomen. Dat is het evangelie van de gerechtigheid en waarheid. Je kunt er niet mee marchanderen, zoals in zoveel kerken en bewegingen gedaan wordt onder het mom: ‘Och als je elkaar maar liefhebt’. Zij, die verbonden zijn met de Geest van God aan de watervloed, reinigen hemel en aarde en maken de hof van Eden schoon. We zien daarbij op Jezus, die ons voorgegaan is, met eer en heerlijkheid gekroond. We zullen aan Hem gelijk zijn, overeenkomstig zijn beeld (weer een Bijbeltekst waar de schijnkerken geen raad mee weten), in de overwinning in ons eigen leven, in de gemeente, in de wereld. Wat is het dat de wereld overwint? Ons geloof! Het geloof in de Woorden van God.

De nieuwe hof van Eden

Aan het eind van de tijden zien we weer een boom zich verheffen. Een boom zoals Farao was, want Farao is het type van de antichrist. Deze boom gaat zich nog meer verheffen dan alle andere bomen, tegen God en alles wat voorwerp van verering heet, zodat hij in de tempel van God zal laten zien dat hij een God is. Deze boom, de antichrist, komt voort uit het volk van God, zoals de duivel voortgekomen is uit de aartsengelen. Je ziet steeds weer de herhaling. Prediker zei al dat er niets nieuws onder de zon is. De haat tegen Gods volk komt niet uit de heidenen, maar uit de valse kerken, zij hebben Jezus gedood. Zij voeren oorlog tegen het Lam, de Machtigste onder de natiën, maar Hij is de Sterke, Hij zal overwinnen, want Hij is de Heer van de Heren en de Koning van de koningen. Die heren en koningen vormen Zijn leger, de geroepenen, de heiligen, de uitverkorenen, de gelovigen. Dan kunnen wij alleen maar zeggen: ‘Heer wat is dat machtig, wat een toekomst gaan wij tegemoet’. Aan de ene kant de valse kerk, geïnspireerd door boze geesten, zittend aan veel stinkende, vergiftigde wateren (Op.16:12). Onvruchtbare bomen, die in de onderwereld worden neergeworpen. Zo gaat het met de vijand; met farao en zijn leger, luidt het woord van de Heer. Geworpen in de afgrond en daarna de vuurpoel (Op.20:13-15). Dan is de hele aarde stil, de aarde rust. De bomen gaan weer jubelen en klappen in de handen. In Openbaring 22 zien we het einde: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en een nieuwe hof van Eden:

  • ‘En hij liet mij een zuivere rivier zien, van het levenswater, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam. In het midden van haar straat en aan de ene en de andere zijde van de rivier bevond zich de levensboom (levenshout), die twaalf vruchten voortbrengt, van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de volken. En er zal geen enkele vervloeking meer zijn’ (Op.22:1,2).

Dat is de nieuwe hof van Eden. Allen die aan de rivier staan, drinken van het levende water, ontstaan op de Pinksterdag uit de troon van God en het Lam. Dat water springt op tot het eeuwige leven, het geeft vreugde. Het water is helder, de mens kan zich er in spiegelen. Wij zien de heerlijkheid van de Heer als in een spiegel. De rivier ontspringt in het midden van de straat of het plein (Can. Vert.). Op dat plein zien we de troon van God, de hof van Eden, vanuit die troon ontspringt het water. Het stroomt over het plein, daar staan de grote bomen uit de oude hof, die vroeger gestreden en geworsteld hebben met de vijand.

Er staan ook bomen uit het oude verbond, die de strijd in de hemel niet gekend hebben. Ze staan allemaal bij de rivier, koninklijke, hoge bomen. Het ‘levensgeboomte’ is niet goed vertaald, er staat eigenlijk levenshout – zoals gesproken wordt over het ‘groene hout’. Jezus was het groene hout, het levende hout (Luc.23:31). Hout leeft omdat er water in zit. Het hout geeft 12 keer in een jaar vrucht, of zoals ook vertaald wordt: twaalf soorten elke maand (verg. Matth.24:45). Een rijke, oneindige variatie aan één boom. Onder hun schaduw is genezing. Daar komen de volken van de aarde, die zijn opgestaan en waarvan hun namen geschreven staan in het Levensboek, maar die de naam van Jezus nooit gekend hebben. Zij worden genezen van hun beschadigingen en er is altijd weer redding onder dat geboomte voor hen die de waarheid liefgehad hebben: ‘En er zal niets vervloekts meer zijn’.

Alles wat vervloekt was, is prijsgegeven aan de vuurpoel. Zo willen wij ook drinken van het levende water, wij zijn koningskinderen, wij zijn een priesterlijk volk (1 Petr.2;9). Wat we in het natuurlijke leven zijn, maakt niet uit. Maar wij leven voor altijd en eeuwig met onze Heer Jezus Christus!