Dwaalleraars en antichristenen

 Judas 8-19:

‘Niettemin bezoedelen deze dromers ook nu op dezelfde wijze hun lichaam en zij verwerpen het gezag en lasteren al wat eer toekomt’ 8.

Mensen die in de gemeente van Jezus Christus zijn binnengedrongen en die zich met geweld opwerpen als leraars en profeten, gaan een vleselijke weg. Zij leven niet als burgers in het Koninkrijk van de hemel, maar naar het vlees en de begeerten die van deze aarde zijn. Om zich nog een tintje van geestelijkheid te geven, dragen ze zwarte pakken, rode, paarse of groene jurken incl. allerlei soorten petjes, Ufo’s en andere Alien Stuff. Zij vertellen hun hallucinaties, zoals ook de valse profeten in de dagen van Jeremia deden (Jeremia 23:25-32). Verder zijn deze dromenzieners en breedsprakige leden voor het volk van God, totaal nutteloos, zoals Jeremia zegt. Zij leven naar het vlees en brengen ook de vruchten van het vlees voort (Galaten 5:19-21). Ook de profeet Ezechiël vergelijkt het ontrouwe Jeruzalem met de inwoners van Sodom en Gomorra. Hij verwijt hen dat hun zonden nog groter zijn (Ezechiël 16:47). Zij hebben immers meer kennis en rijkere beloften ontvangen en als ze deze negeren en niet in geloof aanvaarden en ernaar handelen, zullen zij een veel zwaarder oordeel ontvangen. Zij verwerpen alle geestelijk gezag.

  1. In de eerste plaats erkennen zij Jezus niet als Heer en luisteren niet naar zijn stem.
  2. Ten tweede luisteren ze ook niet naar de vermaningen van de door de Heer aangestelde voorgangers van de gemeente.
  3. Zij hebben geen behoefte aan de doop in Heilige Geest of aan de ontwikkeling van de geestelijke gaven, zodat zij de volmaaktheid niet bereiken en de heerlijkheid met Christus niet delen.

‘Michaël, de aartsengel, echter durfde, toen hij met de duivel redetwistte en een woordenwisseling had over het lichaam van Mozes, geen oordeel van lastering tegen hem uit te brengen, maar zei: Dat de Heer u mag straffen!’ 9.

Judas spreekt nog steeds over mensen die wel het bloed van Jezus tot vergeving hebben aangenomen, maar toch niet leven als opnieuw geboren christenen. Zij geven zich dan nog vaak uit voor leraar of dienaar van God en stellen zich zo boven de ander, dat zij veroordelend of lasterend spreken over de heerlijke weg van God en over degenen die daarop wandelen. Zelfs de heilige engelen – die zeer nauwkeurig zijn in het volbrengen van Gods wil in de hemelse gewesten – zullen zo’n veroordelend vonnis niet eens uitspreken. Dit schreef ook Petrus in 2 Petrus 2:11: ‘Terwijl zelfs engelen, in kracht en macht toch hun meerderen, het niet aandurven om die machten namens de Heer te beschuldigen en te veroordelen’. Judas neemt nu als voorbeeld de aartsengel of archangel Michaël, de grootste vorst van Gods hemelse legers (Daniël 10:13) die met deze bijzondere naam wordt aangeduid. Aartsengel of archangel betekent voornaamste engel. Men heeft dit woord ‘aarts’ ook in aartsbisschop en aartsbedrieger.

Van deze hemelvorst wordt in Daniël 12:1 gezegd, dat hij de zonen van Gods volk bij staat. Hij is met het volk Israël meegetrokken in de woestijn en heeft een speciale opdracht gehad om de leider van het volk, Mozes, te beschermen en bij te staan. Van nature, dus zoals hij vroeger was en leefde, was Mozes een opvliegende man, die gemakkelijk driftig werd. Toen hij in Egypte in de macht kwam van zo’n driftbui, doodde hij een Egyptische opzichter die iemand van zijn broeders, sloeg (Ex.2:11) Maar in de leerschool van God werd hij tot een man, van wie de Bijbel getuigt, dat de man Mozes zachtmoediger was dan enig mens op de aarde (Num.12:3). Hij onderging met groot geduld de kritiek en tegenstand van het volk. Tot op een gegeven moment het volk opnieuw met hem ruziede over het gebrek aan water. De Israëlieten verweten Mozes dat hij hen opzettelijk weggehaald had uit een rijk land om hen in de woestijn met hun vee te laten omkomen. Ondanks hun opstand wilde God toch water geven en Hij beval Mozes tegen de rots te spreken. Hiervoor was zelfbeheersing nodig.

Toen greep de driftmacht Mozes na zoveel jaren weer aan. Michaël wilde tussen beiden komen en hij ruziede met de duivel, zodat deze het lichaam van Mozes niet zou gebruiken. Als Mozes echter zijn zelfbeheersing verliest en zich openstelt voor de demon, kan Michaël hem niet helpen en ondersteunen, of de boze geest tegenhouden. Deze aartsengel stond Mozes bij, maar hij sprak geen veroordelend vonnis over Mozes uit. Hij gaf de beoordeling van Mozes over aan God en zei toen: ‘Mag de Heer u straffen’. Uit het vervolg van het verhaal blijkt, dat God geen aanzien des persoons kent en ook van zijn trouwe dienaar gehoorzaamheid verwachtte. Ook Mozes en Aäron stierven in de woestijn vanwege hun ongehoorzaamheid.

Praktisch alle uitleggers menen dat Michaël tot de duivel sprak: ‘Mag de Heer u straffen’. Omdat Michaël zo vaak in strijd gewikkeld is met de duivel, lijkt ons dit onwaarschijnlijk. Dan had Michaël bij wijze van spreken deze woorden dagelijks kunnen spreken. De duivel wist echter zijn straf en zijn verstoting was bekend.

‘Maar deze mensen lasteren alles waarvan zij geen kennis hebben en met de dingen die zij, net als de redeloze dieren, van nature wel begrijpen, richten zij zichzelf te gronde’ 10.

Deze onbekeerde mensen zijn nog vleselijk en een geestelijk leven kennen zij niet, zodat zij onmogelijk over geestelijke kinderen van God of over de heerlijkheden, die God geeft en die Hij voor zijn kinderen gemaakt heeft, een oordeel kunnen vellen. Zij kennen alleen een natuurlijk leven, dat dan nog beïnvloed en misbruikt wordt door de demonen van de duisternis. Een zondags onthoudinkje, een winkeltje op zondag dicht hier, een bikini-reclameverbod daar. Vanaf dit niveau willen ze over anderen een oordeel vellen. Ze zijn goed op de hoogte met eten en drinken, met seks en ook met de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de grootheid van het leven. Omdat hun leven daarmee vervuld is, gaan ze er zelfs aan ten onder en willen zij door hun lasterend spreken ook anderen omlaag trekken. Vanuit hun vleselijk gedachteleven en hun laag niveau beoordelen zij dus opnieuw geboren en Geestvervulde christenen.

‘Wee hen, want zij zijn de weg van Kaïn ingeslagen en hebben zich om loon in de dwaling van Bileam gestort en zijn door het tegenspreken als van Korach omgekomen’ 11.

Judas laat nog een keer een waarschuwend ‘wee hen!’ horen. Zij konden beter weten, want ze hebben het evangelie gehoord, maar wanneer ze daarnaar niet luisteren, doen ze als Kaïn, die ook gewaarschuwd was en die wist, dat wanneer hij wél deed, er bevrijding was. Toch volhardde deze in zijn boosheid. Dit kan ook gezegd worden van Bileam, die ook gewaarschuwd was, maar die toch de wens naar een geldelijke beloning niet los wilde laten. God hield hem tegen om het volk te vervloeken, maar toen gaf Bileam aan Balak de raad om Israël te laten zondigen (Num.25 en 31:16). Ook Korach en zijn vrienden Dathan en Abiram verzetten zich in de woestijn tegen de raad van God, die Mozes en Aäron als leiders van het volk had aangesteld. Zij spraken heel vroom: ‘Alle leden van de gemeenschap zijn heilig en de Heer is in hun midden. Waarom voelt u zich dan boven de gemeenschap van de Heer verheven?’ (Num.16:3). Zij verwierpen daarmee wat gezag heette (vers 8). God strafte de aantasting van het gezag van zijn dienstknechten zwaar, zodat Korach, Dathan en Abiram levend naar het dodenrijk voeren, toen de aarde zich opende.

‘Deze mensen zijn schandvlekken bij uw liefdemaaltijden. Als zij met u de maaltijd gebruiken, doen zij zichzelf onbeschroomd te goed. Zij zijn wolken zonder water, die door de winden heen en weer gedreven worden. Zij zijn als bomen in de late herfst, zonder vrucht, tweemaal gestorven en ontworteld’ 12.

Judas schildert – net als Petrus – deze christenen die in ongerechtigheid en leugen leven, af als schandvlekken bij hun maaltijden. Ook Petrus schrijft in 2 Petrus 2:13 over schandvlekken en smetten bij de gezamenlijke feestvieringen. Judas noemt in het bijzonder de liefdemalen waarbij de gemeente tot ongeveer de vierde eeuw samen kwam om in de vergaderplaats samen de maaltijd te gebruiken en avondmaal te vieren (1 Cor.11:20). Hier kwam de onderlinge liefde en saamhorigheid en eenheid sterk naar voren. Het maakte zulke maaltijden tot een feest. Deze soort christenen hoorden hier echter niet thuis, want hun leven was niet in overeenstemming met de geboden van Jezus Christus. Zij kwamen dan ook met grote brutaliteit om zichzelf te goed te doen, bekommerden zich niet om hun medechristenen en hadden geen enkele positieve inbreng. Het woord ‘schandvlekken’ betekent letterlijk ‘een verborgen rots onder water’ waarop een schip te pletter loopt. Daarom noemt Judas hen ook wolken die geen water geven.

Regen was in Israël een belangrijke zaak, omdat zij vruchtbaarheid, groei en zegen bracht. Wanneer mensen een wolk zagen naderen, waren zij uitgelaten en blij. Denk aan Elia op de Karmel, toen zijn knecht een wolkje ter grootte van een hand aan de horizon zag. Groot was dan de teleurstelling wanneer de wind de wolk voorbij joeg zonder dat er een druppel regen viel. Zo brachten ook deze mensen geen enkele zegen in de gemeente, geen hulp en geen opbouw, want de machten van de duisternis joegen hen op en zij brachten alleen maar teleurstelling en verwarring. Wat is de inbreng in de gemeente?

Sommige mensen bevonden zich al langere tijd in de gemeente, maar zij waren als bomen die zelfs in de late herfst, de uiterste termijn om vrucht voort te brengen, nog geen goede opbrengst opleverden. Zij waren met Christus gestorven en met hem opgestaan tot een nieuw leven, maar zij hadden dit nieuwe leven weer verloren. Door Jezus werden zij vergeleken met zaad dat op de rotsbodem valt, een poosje groeit, maar dan weer sterft zonder vrucht voort te brengen (Lucas 8:13). Petrus zegt ervan in 2 Petrus 2:20: ‘En als zij die zich door hun kennis van onze Heer en redder Jezus Christus hebben losgemaakt van het vuil van de wereld, daar weer in verstrikt raken en er opnieuw door worden beheerst, zijn ze er erger aan toe dan voorheen’. Vóór hun bekering waren ze dood en nu zijn ze weer dood. Wij concluderen hieruit dat de Bijbel het mogelijk acht dat heiligen weer kunnen afvallen. Toen deze mensen Jezus aanvaard hadden, werden zij overgeplant in zijn Koninkrijk en konden zij hun wortels uitslaan in de liefde van God (Ef.3:17), maar na korte tijd lieten hun wortels de rijke voedingsbodem los en verdorden zij.

‘Zij zijn wilde golven van de zee, die hun eigen schanddaden opschuimen, dwaalsterren, voor wie de diepste duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt’ 13.

Judas vergelijkt hen met hoog opgejaagde golven in de zee, waarvan het witte schuim beeld is van hun zonde die openbaar wordt. Het zijn twijfelaars die hun vast geloof kwijt zijn en opgejaagd worden door de demonen. Jacobus zegt dat de ware christen moet bidden in geloof zonder te twijfelen (Jac.1:6-8). Judas vergelijkt ze tenslotte met dwaalsterren of meteorieten, die zich door het luchtruim bewegen zonder vast doel of richting. De verschrikkelijke conclusie is dan, dat zulke mensen naar de ondergang snellen, omdat zij zich voor eeuwig verbonden hebben met de leugen en met zondemachten die hen meevoeren naar de buitenste duisternis of absolute duisternis, het diepste punt in de afgrond. Zij hadden immers de duisternis liever dan het licht. Petrus zegt van hen dat het beter was, dat zij geen kennis hadden gekregen van de weg van de gerechtigheid dan met die kennis zich af te keren van het heilig gebod dat hun overgeleverd is (2 Petrus 2:21).

‘Ook over hen heeft Henoch, de zevende vanaf Adam, geprofeteerd, toen hij zei: Zie, de Heer is gekomen met Zijn tienduizenden heiligen, om over allen het oordeel te vellen en alle goddelozen onder hen terecht te wijzen voor al hun goddeloze daden, die zij op goddeloze wijze bedreven hebben en voor al de harde woorden die zij, goddeloze zondaars, tegen Hem gesproken hebben. Zij zijn het die morren, die klagen over hun lot, die naar hun eigen begeerten wandelen. Hun mond spreekt hoogdravende woorden, terwijl zij mensen naar de ogen zien ter wille van voordeel’ 14-16.

Er staat letterlijk: ‘Henoch, zevende van Adam’, want ook Lamech behoorde via Kaïn tot de zevende generatie. Toen al, zo vroeg in de geschiedenis, heeft de Heer aan Henoch – die zelf rechtvaardig leefde en die zich bezig hield met het probleem van de zonde – een getuigenis gegeven. God maakte deze profeet duidelijk dat er een oordeel zou gaan over alle mensen. Henoch zelf kreeg het getuigenis dat hij een rechtvaardige was en hij mocht dan ook zonder te sterven het nieuwe Jeruzalem binnengaan. De zonde zou niet ongestraft blijven, maar de Heer zou komen met zijn heilige tienduizendtallen om over allen het vonnis uit te spreken.

Onder de vierschaar (NBG 1951) verstond men in de middeleeuwen de vier schepenbanken (schepen of rechter). Met spannen – dat is sluiten – bedoelde men waarschijnlijk het met een touw omgeven van de banken, waarbinnen de beschuldigde stond. Het vonnis werd tussen deze touwen uitgesproken. Ook de afvallige christenen zouden in het dodenrijk terecht komen en op de oordeelsdag zou blijken, dat hun namen niet meer geschreven stonden in het levensboek. ‘De Heer met zijn heilige tienduizendtallen’ is Christus met zijn gemeente, die zich heeft gezet op de grote witte troon, waarvan Openbaring 20:11 spreekt, om te oordelen. De tienduizenden zijn dus geen engelen, maar het volk van God. Paulus schreef: ‘Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ (1 Cor.6:2).

De vraag komt naar boven hoe Judas aan deze profetie van Henoch kwam. Ze staat niet in de Bijbel. Er bestaat wel een apocrief boek van Henoch, waar deze woorden voorkomen. Men kan echter niet met zekerheid beweren dat Judas zijn kennis aan dit boek ontleende. Tenslotte wordt erop gewezen, dat het oordeel van God niet alleen gaat over wetteloze werken, maar ook over de wetteloze woorden die gesproken zijn. Jezus waarschuwde: ‘Van elk nutteloos woord dat mensen spreken, zullen ze op de dag van het oordeel rekenschap moeten afleggen. Want op grond van je woorden zal je worden vrijgesproken en op grond van je woorden zal je worden veroordeeld’ (Matth.12:36,37). Het is dus wel belangrijk om op onze woorden te letten en niet zo maar wat te kletsen.

Judas spreekt hier over de ontevredenen, die altijd vol kritiek zijn en vol zelfbeklag. Ze zijn zwak van geest en stellen hun vertrouwen ook niet op de Heilige Geest, maar zij geven toe aan allerlei begeerten en lusten, die door misleidende geesten worden opgewekt. In de gemeente zoeken zij geen contact met geestelijke mensen, maar zij letten op de leden die rijk zijn of invloedrijk en die hen voordeel kunnen bezorgen. Tegenover hen hebben zij geen kritiek op de levenswandel, maar zij slijmen met hen en zij doen zichzelf voor als heel vrome mannen, die rijke geestelijke ervaringen hebben, waardoor zij dus denken dat deze leden hen eerder zullen accepteren. Zij noemen zich bijvoorbeeld graag ‘gezalfden van de Heer’ of ‘mannen van God’, spreken over hun visioenen en over hun bijzondere openbaringen die zij van ‘hun Heer’ ontvingen. Zo verblinden zij de ogen en proberen hieruit munt te slaan en zichzelf te bevoordelen.

Roeping van de gelovigen

‘Maar u, geliefden, herinnert u zich de woorden die voorspeld zijn door de apostelen van onze Heer Jezus Christus, dat zij u gezegd hebben dat er in de laatste tijd spotters zullen zijn, die naar hun eigen goddeloze begeerten wandelen’ 17,18.

We hebben gezien dat Judas eerst op allerlei manieren gewaarschuwd heeft voor hen die wel in de gemeente zijn, maar die niet als rechtvaardige en geestelijke mensen wandelen naar het plan van God. We zullen nu zien dat hij zich tot de geliefden richt, d.w.z. tot hen die wél als geestelijke mensen willen wandelen. Het woordje ‘maar’ geeft een scherpe wending aan zijn betoog, zoals Paulus wel eens schreef: ‘Maar u bent totaal anders’. Hij herinnert de oprechte broeders en zusters eraan, dat hij niet de eerste is die hen wijst op het gevaar, dat de vleselijke broeders in de gemeente brengen.

Ook andere apostelen hebben daarvoor gewaarschuwd. Paulus schreef in 1 Cor.3:1-3 over zulke vleselijke christenen, die hoewel ze zelfs geestelijke gaven bezaten, toch vleselijk leefden en die de oorzaak waren van jaloezie, ruzie en verdeeldheid. Ook in 2 Tim.3:1-9 waarschuwt deze apostel voor de manier van leven van christenen ‘met een zieke geest en een onbetrouwbaar geloof. Judas gebruikte dezelfde uitdrukking als Petrus, die voorspelde dat er aan het einde van de tijd spotters zullen komen, die hun eigen begeerte volgen (2 Petrus 3:3). Zij trokken zich dus van de redding en verlossing van de gemeente weinig aan, maar handelden buiten de broeders om naar eigen goeddunken. Hoewel ze zeggen bij de gemeente te horen, zijn hun begeerten goddeloos, doordat ze beïnvloed worden door de demonen van de duisternis en zij zich niet houden aan de wetten en regels van God.

Nu zijn er altijd al zulke huichelachtige en innerlijk verdeelde mensen in de gemeente geweest, maar speciaal ‘in de tijd als hij op het laatst is’, wanneer de gemeente zich naar de volmaaktheid gaat ontwikkelen, zullen deze dubbelhartigen zich duidelijker openbaren. Een waarschuwing ook voor onze gemeenten. Het verschil wordt immers groter. Vroeger leerde men immers dat allen zondaars bleven en zelfs de beste werken met zonde waren bevlekt, naar in de eindtijd worden de zonen van God geopenbaard, die de duivel overwinnen en die naar de wetten van God leven.

‘Zij zijn het die scheuringen veroorzaken, natuurlijke mensen, die de Geest niet hebben’ 19.

Paulus zei al in 1 Cor.1:10 dat zulke mensen de oorzaak waren van haat en ruzie en dat zij door hun verdeeldheid scheuringen veroorzaakten. Zij werden niet geleid door Gods Woord en door Gods Heilige Geest, die naar eenheid voeren, maar door hun natuurlijke begeerten gedreven. Zij bleven bij de aarde en werden geen geestelijke mensen en veroorzaakten zo spanningen en scheuringen in de gemeente. God kon niet anders dan hen loslaten aan het eeuwig verderf.