7. Deze tijd – Een overzicht

In Marcus 10:29 en 30 staat een belofte voor iedereen, die onvoorwaardelijk Jezus wil volgen:

  • ‘Ik verzeker jullie: iedereen die broers of zusters, moeder, vader of kinderen, huis of akkers heeft achtergelaten omwille van mij en het evangelie, zal het honderdvoudige ontvangen: in deze tijd broers en zusters, moeders en kinderen, huizen en akkers, al zal dat gepaard gaan met vervolging en in de tijd die komt (de toekomende eeuw) het eeuwige leven’.

Wanneer Jezus over ‘deze tijd’ spreekt, wijst Hij op de periode van de halm en de aar, waarin het leven wordt doorgegeven, maar ook wordt begeleid en beïnvloed door de demonen, die onder de overste van de lucht werkzaam zijn (Ef.2:2). Er is sprake van een vergoeding in de zichtbare wereld aan allen, die tot elke prijs Jezus volgen. De vergelding is zelfs ‘honderdvoudig’ (zie ook Matth.19:29). Wij zouden hierbij kunnen denken aan Filippus, die uit Jeruzalem vluchtte vanwege ‘een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem’. Na een zwerftocht door Samaria en de Gazastrook vestigde hij zich met zijn gezin in Caesaréa Palestina. In deze nieuwe omgeving bezat de evangelist spoedig een gastvrij huis, dat vervuld was met de gaven van de Heilige Geest. Paulus logeerde hier op zijn laatste tocht naar Jeruzalem (Hand.8:40; 21:8). Wellicht heeft de hoofdman Cornelius, ‘die veel giften aan het volk gaf’, hem aan deze woning geholpen. Wij noemen Aquila, een Joods leerbewerker, die met zijn vrouw Prisca omstreeks het jaar 50 wegens een vervolging van (christen)-joden onder keizer Claudius naar Corinthe uitweek. Wat een geestelijke winst boekten zij, toen Paulus anderhalf jaar lang zijn intrek in hun nieuwe woning nam. Later vergaderde de gemeente in hun huis te Efeze (Rom.16:5). Dit echtpaar ontving na hun verbanning broeders en zusters en een geestelijke vader in hun eigen huis.

Als gevangene kwam Paulus te Rome aan, maar hij mocht daar ogenblikkelijk ‘een eigen gehuurde woning betrekken’. Deze was zo ruim, dat hij ‘allen, die tot hem kwamen’, kon ontvangen, zelfs een groot aantal ‘mannen broers’ uit de Romeinse Joden (Hand.18:17,23 en 30). Hij vond daar gelegenheid om zelfs ‘heel de pretoriaanse lijfwacht en alle anderen bekend te maken, dat hij zijn boeien droeg om Christus ‘wil’ (Fil.1:12). Hij ontving ook veel broers en zusters in de Heer terug. In Romeinen 16:13 groet de apostel ‘Rufus, de uitverkorene in de Heer, met zijn moeder die ook voor hem een moeder was geweest’. Al deze vervolgden verwekten ook weer geestelijke kinderen. Zij die als martelaar stierven, werden bovendien door hun ‘vrienden’ verwelkomd in de eeuwige tabernakelen (Luc.16:9 St. Vert.) In Rome had Paulus ruimschoots gelegenheid om te strijden tegen wereldbeheersers van de duisternis, die het Romeinse imperium tegen de christenen opzetten. Twee eeuwen van zware vervolgingen zouden aanbreken.

Vervolgingen in het Romeinse rijk

De eerste vervolging in het Romeinse rijk had plaats onder Nero in het jaar 64. Deze keizer stak de stad Rome in brand en gaf de christenen hiervan de schuld. Veel van hen liet hij met teer en pek besmeren om hen daarna in brand te steken en zijn tuinen te verlichten. Onder Domitianus (81-96) werd Johannes naar Patmos verbannen. Bij de derde vervolging onder Trajanus (98-117) was het aantal christenen zo toegenomen, dat de heidense tempels met hun demonendienst, leegstonden. Onder de martelaren was ook Simeon, een bloedverwant van Jezus, die 120 jaar oud was. Ignatius, de hoogbejaarde bisschop van Antiochië werd te Rome voor de wilde dieren geworpen. Onder Marcus Aurelius (161-180) werd Justinus de Martelaar onthoofd en de grijze bisschop Polycarpus levend verbrand.

Onder de regering van Commodus (180-182) schreef Clemens van Alexandrië: ‘Wij zien dagelijks veel martelaren voor onze ogen verbranden’. Ook waren er veel bloedgetuigen onder Septimius Severis (193-211) en onder Decius (249-251). De tijdsduur van de regeringen van deze keizers was vaak kort. ‘Te midden van de vervolgingen’ zoals enkele vertalingen van Marcus 10:30 luiden, waren er ook rustpauzes. De weeën werden dan onderbroken door tijden van verademing, waarbinnen het herstel mogelijk was. Na nog geen twee eeuwen van strijd en lijden bedaarden de vervolgingen in het jaar 263. In plaats van eenvoudige gebedshuizen kwamen er toen prachtige kerken. Onder Constantijn de Grote (306-327) werd het christendom zelfs tot staatsgodsdienst verklaard. De bisschoppen kwamen in hoge ere, de zondagsviering werd bevolen en de kerk kwam uitwendig tot grote bloei. Het leven werd wel doorgegeven, maar de bijverschijnselen, die met de groei gepaard gingen, waren desastreus voor het ware christelijke leven.

De dood van Paulus en Petrus

Volgens de overlevering werden zowel Paulus als Petrus onder Nero gedood. Tijdens zijn gevangenschap schreef Paulus:

  • ‘Mijn bloed wordt al als een offer uitgegoten, het moment waarop ik heenga nadert. Maar ik heb de goede strijd gestreden (tegen de geestelijke boosheden in de lucht), de wedloop volbracht, het (ware) geloof behouden. Nu wacht mij de krans van de gerechtigheid die de Heer, de rechtvaardige rechter, aan mij zal geven op de grote dag; en niet alleen aan mij, maar aan allen die naar zijn komst hebben uitgezien’ (2 Tim.4:6-8). Petrus schreef in zijn laatste brief: ‘Ik weet dat mijn tent binnenkort zal worden afgebroken – dat heeft onze Heer Jezus Christus mij te kennen gegeven’ (2 Petr.1:14).

Beide apostelen droegen kennis van hun heengaan en werden na hun martelaarschap opgenomen in heerlijkheid, buiten het bereik van de hun vijandige geestenwereld. De macht van de toenmalige ‘wereldbeheersers van de duisternis’ werd mede door hun toedoen verbroken. Deze onzienlijke regeerders over het Romeinse Rijk waren na twee eeuwen van strijd verdwenen. ‘Michaël, een van de voornaamste vorsten’ uit het Rijk van God, was de christenen te hulp gekomen, zoals hij dit in de toekomende eeuw opnieuw zal doen (Dan.10:13; Op.12:7). De triomferende gemeente in het nieuwe Jeruzalem en de wolk van de getuigen met hun Heer blijven echter betrokken bij de bestrijding van de suprematie van de overste van de macht van de lucht. Het woord ‘lucht’ is beeld van de geestelijke wereld, die bij de mens op aarde hoort. In de tijd van de antichrist zullen de heilige hemelingen allen daarom in de ‘lucht’ terugkeren, om ingezet te worden bij de laatste slag in de hemelse gewesten, namelijk in die van Armageddon.

‘Christelijke’ wereldrijken

Nadat het christendom het heidense Romeinse Rijk overwonnen had, kwamen er ‘christelijke’ wereldrijken op. Deze groei van het Koninkrijk van God ging gepaard met de ontwikkeling van het grote ‘Babylon, de moeder van de geestelijke hoererijen en van de gruwelen van de aarde’ (Op.17:5). Omstreeks het jaar 950 ontstond ‘het Heilige Romeinse Rijk’, later genoemd ‘Heiliges römisches Reich der deutschen Nation’, dat zich uitstrekte van de Noord- en Oostzee tot de Middellandse Zee. Het omsloot alle christelijke naties van Europa, waaronder ook Nederland. De vroeger zo verdrukte kerk bezat hierin overvloedig huizen en landerijen en de christelijke volken werden tot wereldmogendheden.

Het herstel van ‘Het Heilige Romeinse Rijk’ was ongeveer 1000 jaar later het droombeeld van Hitler, toen deze zijn veroveringsoorlogen begon. Hoe vaak hoorden wij na zijn redevoeringen niet zingen: ‘Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt’. De wereldbeheersers van het oude Romeinse Rijk probeerden op deze wijze opnieuw aan de macht te komen. Deze geestelijke boosheden inspireerden de Romeinen om Jeruzalem te verwoesten en de Joden over de hele aarde te verstrooien. Daarna richtte hun haat zich tegen de christenen. De messias van het nieuwe ‘Heilige Romeinse Rijk’ zou ‘al tot bederf leidende bloed’ uitroeien: de Joden, de zigeuners en zijn ‘Kampf’ zou eindigen met ‘de liquidatie van de christelijke elite’. ‘Hitler beschouwde zowel de katholieke kerk als de protestantse kerken als zijn gezworen vijanden’ (Adolf Hitler door H.B. Gisevius). In de middeleeuwen gebeurde de machtsuitbreiding van het christendom, de groei van de halm, ook weer ‘te midden van vervolgingen’. Wat een lijden ondergingen de Katharen, Waldenzen, Wycliffieten, Lollarden, Hussieten en later ook de Hugenoten niet van de monopolistische roomse kerk. Na de reformatie werden de protestantse naties rijk en machtig. Zij bezaten invloedrijke staats- en volkskerken.

Tachtigjarige oorlog

In de Tachtigjarige Oorlog weerstonden boeren, burgers en matrozen met succes het machtige Spaanse wereldrijk. Amsterdamse schepen veroverden hele rijken van Oost- en West-Indië. Onnoemelijke schatten vloeiden naar de IJ-stad, die binnen tachtig jaar viermaal werd vergroot. Wij denken ook aan Engeland, dat zulke uitgestrekte koloniale gebieden bezat, dat de zon in het Britse rijk niet onderging. Bij ‘the last prom’ (laatste promenade concert) in de Royal Albert Hall zingt men ook nu nog al vlaggen zwaaiende: ‘And guardian angels sung this strain: Rule, Brittannia, Brittannia rule the waves; Britons never will be slaves’. Maar het christendom is zeer zwak geworden en gaat vandaag zelfs massaal compromissen sluiten met goddeloze bananenkartels. 

De reformatie

Guillaume Farel (Geb.1489) was de eigenlijke grondlegger van de reformatie in Genève. Hij werd vaak ernstig mishandeld en vervolgd om zijn geloof. In Amersfoort staat het Farelcollege waar de ‘kinderen’ van deze hervormer in 1989 precies 500 jaar na zijn geboorte nog reformatorisch onderwijs ontvingen. De (Over)dopers zijn door de Luthersen en Calvinisten zwaar vervolgd, maar in Amersfoort kunnen we zeggen: ‘les extremes se touchent’ (de uitersten raken elkaar). Wij denken ook aan de afgescheidenen, die zich in 1854 losmaakten van de ‘synodale Hervormde liberale kerk’. Hun bijeenkomsten werden door dragonders met de blanke sabel uit elkaar gejaagd. Zij moesten hoge boetes betalen en hun leider ds. Hendrik de Cock kreeg drie maanden gevangenisstraf. Nog geen eeuw later bezet het nageslacht van de ‘kleine luiden’ inmiddels de zetels in staten en raden en zien wij ze in onze tijd terug in de schijnchristelijke regeringspartijen als de Staphorster Varianten, waar ze nu helaas meehelpen om Nederland, Europa en heel het vrije westen, letterlijk om zeep te helpen. 

Vervolgingen van de martelaren

Welke vervolgingen ondergingen ook de Doopsgezinden in heel Europa. Deze ‘weerloze christenen’ vormden het leeuwendeel van de martelaren in onze geschiedenis. Nu vindt men hen terug in wetenschappelijke, sociale, agrarische en overheidsfuncties. In de Verenigde Staten, Canada en Brazilië zijn nu de geëmigreerde ‘mennisten’ of ‘mennonites’ (genoemd naar Menno Simons, 1496-1561) veelal rijke zakenlieden en grote boeren. In de Verenigde Staten werd aanwijsbaar vervuld, dat de verdrukte en vervolgde Pilgrimfathers, Quakers, Mennonites en afgescheidenen na hun landverhuizing honderdvoudige vergoeding ontvingen. Deze vrije, protestantse natie is nog altijd het belangrijkste land op de wereld. Het machtsvertoon van de vrije volken wordt gesymboliseerd in het Pentagon in Washington, centrum van de Amerikaanse defensie. De eedsaflegging van de nieuwe president gebeurt (nog) altijd met de hand op de Bijbel. De christenen, die de hemel als vaderland hebben, zingen in de geborgenheid van de ‘christelijke naties’ graag met Luther in diens goede jaren: ‘Geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren’, of het supranationale lied: ‘Waarheen pelgrims, waarheen gaat gij, ‘t oog omhoog en hand in hand? Wij gaan op des Konings roepstem naar ons huis en vaderland’.

Bijna vanzelfsprekend is het dat de ‘christelijke’ landen ook de rijke landen zijn, in tegenstelling met de derdewereldlanden, waar armoede, oorlogen, hongersnoden en demonenaanbidding, de bevolking teisteren en decimeren. Ook wijzelf hebben in de eerste decennia de verachting van de geestelijke leiders voor de pinksterbeweging gekend. De begaafde zuster W.J.M. Polman-Blekkink, de echtgenote van de pinksterpionier G.R. Polman, schreef in 1917 na tien jaren werk de volgende ontboezeming:

  • ‘Men heeft geprobeerd ons als duivelskinderen te brandmerken, als geestenbezweerders, als fanatici, als spiritisten, als onzedelijken, als verleiders, als krankzinnigen, als zenuwlijders, als vraten, als wijnzuipers, als oplichters, als liefdelozen, ja, zal ik meerdere epitheta herhalen waarmee men ons, die in dit Pinksterwonder geloofden en er zich naar uitstrekten, betitelde?’

Een eeuw later ervaren wij bij de vorming van de gemeenten de aversie tegen de leer van het Koninkrijk der hemelen, die wij brengen. Bij dit alles werden wij niet alleen gezegend in de geestelijke wereld, maar ook ontbrak het ons aan niets in het natuurlijke leven. Wij staan nu echter in de kentering van de tijden en op de drempel van de toekomende eeuw, waarvan Jezus zei, dat de vergelding alleen zal bestaan in een machtige openbaring van het geestelijke ‘eeuwige leven’. Met de oude Simeon bidden wij daarom, dat wij voor ons heengaan de ‘redding mogen zien, die God bewerkt heeft ten overstaan van alle volken’.