4. Jeruzalem daalt neer

Wanneer wij ons bezighouden met het hemelse Jeruzalem, de stad van het leven –en ook met zijn tegenpool, de necropolis, de stad van de dood – behandelen wij zuiver geestelijke onderwerpen. Wij oriënteren ons hierbij op het laatste Bijbelboek, dat zo beeldend spreekt over de dingen die niet gezien worden. Deze geestelijke wereld is even reëel als onze eigen onsterfelijke, innerlijke mens, die gevormd wordt door ziel en geest. In het begin van zijn symbolische visioenen schreef Johannes:

  • ‘Gelukkig is wie dit voorleest en gelukkig zijn zij die deze profetie horen en zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij’ (Op.1:3).

Ik las vroeger al op twaalfjarige leeftijd tijdens de dienst met grote interesse in de Openbaring. De kerk die ik bezocht, was ook een en al symboliek. In het midden van de cirkel stond de spreker, met daarom heen de gemeente gegroepeerd. Zij concentreerde zich dus om het Woord van God dat van de predikant uitging. Het gebouw was gebaseerd op een tienhoek, symbool van de volmaaktheid, die wij destijds als gereformeerden meenden te hebben in ‘de meest zuivere leer’. Op de catechisatie vernam ik dat, buiten onze zienswijze, alles ‘georganiseerd misverstand’ was. Op de tienhoek verhief zich de koepel als symbool van de macht van Christus boven het wereldlijk gezag. Een rozetvenster bevatte een voorstelling van de gelijkenis van de wijnstok. De prediking vanaf het platvorm gaf aan, dat het woord uit de gemeente voortkwam en niet vanaf de preekstoel neerdaalde. Altijd zichtbaar in het midden van het platvorm was het doopvont en ook de avondmaalstafel. Het opzicht over de gemeente werd gesymboliseerd door de kerkenraadsbanken op het platvorm.

’De woning van de vrede’

Hoewel ik de kerk heel mooi vond, net als het boek Openbaring dat mij meer boeide dan de dogmatische preken, begreep ik niets van de geestelijke realiteiten die in kerkgebouw en eindtijdgeschrift waren verborgen. Mijn geest kon de beelden uit de zienlijke wereld nog niet transponeren in de geestelijke werkelijkheid. Ik las wel ‘gelukkig die leest’, maar de sprong van het zichtbare naar het onzichtbare was te hoog. Pas vele jaren later leerde ik de visioenen van Johannes met mijn geest over te zetten en te begrijpen. En nog moet ik erkennen dat de spiegel waarin ik zie, nog vaak wazig is (1 Cor.13:12). Johannes zag de heilige stad, waarin geen enkele vorm van zonde toegelaten wordt, als een nieuw Jeruzalem ‘neerdalende’ uit de hemel (Op.21:2,10). Het oude en natuurlijke Jeruzalem was voor hem voorbijgegaan en het nieuwe was gekomen. ‘Aan wat vroeger was, zou niet meer gedacht worden’. Dit nieuwe Jeruzalem deed zijn naam eer aan, namelijk van ‘woning van de vrede’. Het is de stad van het Koninkrijk van God. Daarom is het neerdalende uit de hemel. In Openbaring 3:12 wordt tot de overwinnaars in de geestelijke strijd gezegd:

  • ‘Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen’.

Deze stad beweegt zich naar de aarde tijdens de prediking van het Koninkrijk der hemelen. Bij het begin van zijn optreden sprak Jezus: ‘Bekeer u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’. Daarom zingen wij: ‘Het hemelse Jeruzalem komt nader, steen voor steen, met gouden wegen van geloof, beproefd door vuurgloed heen’. Door het brengen van het evangelie krijgen wij kennis en inzicht in de hemelse zaken. Wanneer christenen ‘verlost worden van de boze geesten’, gaat in vervulling: ‘Als wij door de Geest van God duivelen uitdrijven, is het Koninkrijk van God bij ons gekomen’ (Matth.12:28). De verloste ervaart: ‘In de dagen van de redding ben Ik u te hulp gekomen’. Een aantal levende stenen bij elkaar vormen een gemeente, waarvan de leden hier op aarde klaar gemaakt worden voor een plaats in de hemelstad (Joh.4:12). Zo werden de stenen van de tempel eenmaal uitgehakt om pasklaar ingevoegd te worden in het huis van God te Jeruzalem (1 Kon.5:17,18).

Het hemelse Jeruzalem daalt neer

Bij de doop in Heilige Geest en vooral bij de vervulling met Die Geest wordt de uitspraak van Jezus bewaarheid: ‘Het koninkrijk van God is binnen u’ (Luc.17:21). Daarom gaan de geestelijke christenen op de vermaning in:

  • ‘Laat u ook zelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijke tempel. Vorm een heilige priesterschap om geestelijke offers te brengen die God, dankzij Jezus Christus, welgevallig zijn’ (1 Petr.2:5).

Zo wordt de tempel van God in de hemel gebouwd (Op.11:19). Bij het grote keerpunt in het leven van Jezus op aarde wordt gezegd, dat de hemel zich opende en de Geest van God neerdaalde. Hij werd toen de levende steen, door mensen wel verworpen, maar bij God de uitverkoren hoeksteen (Matth.3:16; 1 Petr.2:4). Bij de voltooiing van het hemelse Jeruzalem is er geen aparte tempel meer, want dan is sprake van één grote tempelstad (Op.21:22). Al eerder noemden wij het Jeruzalem dat boven is, dus dat zich in de geestelijke wereld bevindt en waar God zijn troon heeft, de moederstad of metropolis. Een Oudgriekse stad, die burgers had uitgezonden om een dochterstad of kolonie te stichten, noemde men in de antieke wereld een metropool. De kolonisten bleven nauw met de moederstad verbonden. Zo woonden er buiten Palestina veel Joden in de verstrooiing of diaspora. De ‘Joden uit alle volken onder de hemel’ hadden hun synagogen, waar zij onderwezen werden in de wet en de profeten. Hun levensgewoonten waren gebaseerd op de uitspraak, dat uit Sion de wet uitging en het woord van de Heer uit Jeruzalem (Jes.2:3). Op grote feesten trokken zij vol vreugde van alle kanten naar Jeruzalem om daar hun nationale en religieuze eenheid te beleven.

Paulus, de Jood uit Tarsus, schreef dat hij na zijn bekering het contact met Jeruzalem was kwijtgeraakt. De Heer had hem toen van de moederschoot af aan afgezonderd of gescheiden en uit genade als apostel geroepen. Niet het aardse maar het hemelse Jeruzalem was voortaan zijn moederstad (Gal.1:15; 4:26). Iedere christen persoonlijk en iedere gemeente van Jezus op aarde is op deze manier verbonden met het hemelse Jeruzalem: ‘Een man zal zeggen Sion is mijn moeder’ (Ps.86 (87):5 Septuagint). Als dit Jeruzalem neerdaalt, hebben wij deel aan de gerechtigheid, de vrede en de blijdschap van het Koninkrijk van God. Jezus sprak:

  • ‘U bent het licht van de wereld. Een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven’ (Matth.5:14).

De duivel daalt óók neer

Het evangelie van het Koninkrijk zal over de hele wereld bekend worden gemaakt en dan zal het einde gekomen zijn en het resultaat ervan worden gezien (Matth.24:14). In die tijd herhaalt zich de pinksterbelofte, dat God in de laatste dagen van zijn Geest zal uitstorten op alles wat (voor God) leeft. De gemeente van Christus begon met een pinkstertijd en zal er ook mee eindigen. Van deze grote gemeente kan gezegd worden, dat zij ‘stralend is en zonder vlek of rimpel’. Zij spreekt zoals Jezus sprak en doet de werken, die Hij eenmaal deed en zelfs nog grotere (Joh.14:12). Aan haar leden wordt vervuld: ‘Wie overwint… zoals ook Ik heb overwonnen’ (Op.3:21). Ook zij ontmaskeren de vijand en stellen hem ten toon en door de kracht van Gods Geest herstellen zij overal de beschadigde mens die door de duivel overweldigd werd. Deze volheid van het Israël van God, dat symbolisch uit twaalf stammen bestaat van elk duizend maal twaalf apostelen, deze ‘144.000’ brengen grote menigten binnen uit alle volk en stammen en natiën en talen (Op.7:1-9). Is het een wonder dat aan het einde van dit tijdperk er een oorlog uitbreekt in de hemel, waar zich dit Israël van God bevindt? Want in dit volk trekt Gods woord uit, overwinnende en om te overwinnen. In deze vlekkeloze en onberispelijke gemeente van de eindtijd is geen plaats meer voor de aanklager van de broeders. Zij overwinnen hem door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis. De duivel wordt dan buiten het geestelijk domein van deze zonen van God gezet (Op.12:7-12). In een profetisch visioen sprak Jezus, toen Hij die overwinning van zijn volgelingen meemaakte:

  • ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen. Zie, Ik heb u macht gegeven om slangen en schorpioenen te vertrappen en tegen het hele leger van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen’ (Luc.10:18,19).

Omdat hij weet dat hij maar weinig tijd meer over heeft, daalt dan de duivel neer naar de aarde en naar de zee, dit wil zeggen naar de afvallige schijnkerk die geen burgerschap kent in de hemel, dus naar het grote Babylon van de christenheid, dat aardsgericht denkt en handelt. De duivel is dan ‘neergedaald in grote grimmigheid’. De zee is beeld van de menselijke geesten, die verbonden zijn met dood en dodenrijk. Dan volgt het drama van de eindtijd:

  • ‘En de draak bleef staan op het zand van de (mensen) zee. En ik zag uit de zee een beest opkomen’ (Op.12:10;13:1).

Het beest komt naar boven

De heilige stad telt 12 poorten als beeld van de grote verscheidenheid in het Israël van God. Zijn eenheid wordt uitgedrukt in de 12 fundamenten waarop de namen van de 12 apostelen zijn geschreven. Onder hen was ook verschil in geaardheid en belevenis, maar allen verkondigden de leer van Jezus over het Koninkrijk der hemelen. In hun stagetijd werden ze allen uitgezonden ‘om het koninkrijk van God te verkondigen en mensen te genezen’ (Luc.9:1,2). Wie door een poort binnengaat, heeft deze leer als vaste grond onder de voeten. Hij komt dan in een wijk die bij hem past, want de ene wijk verschilt in hoogte en heerlijkheid van de andere. De necropolis heeft ook poorten die toegang geven tot verschillende wijken, die op verschillende diepten liggen.

Kaïn en Abel waren twee broers. Kaïn vermoordde zijn broer, ‘omdat zijn eigen daden slecht waren en die van zijn broer rechtvaardig’ (1 Joh.3:12). Bij zijn sterven ging deze door de poort van rechtvaardigen naar de plaats, die later, ‘de schoot van Abraham’ of paradijs werd genoemd. Kaïn kwam de Hades binnen door de poort van de bozen. Deze toegang voert volgens Openbaring 21:8 naar de diepste sferen van de necropolis. Bij deze vuurzee worden genoemd de lafhartigen, die de strijd in de hemelse gewesten ontweken en voor de demonen bezweken of hen aanbaden. Omdat zij de naam van Jezus voor de mensen verloochenden, worden zij bij hun sterven door de begeleidende engelen van God ook verloochend (Luc.12:9). Dan volgen de ongelovigen of trouwelozen bij wie de twijfel en onstandvastigheid de weg naar het leven versperden. De boosdoeners, moordenaars en ontuchtigen vielen ten prooi aan de geestelijke boosheden in de lucht, terwijl de tovenaars en afgodendienaars contact onderhielden met de sinistere geesten uit het dodenrijk. De leugenaars werden geïnspireerd door de vader van de leugen. Onder hen zijn ook de brengers van valse leringen. Wie niet van de onreine geesten gescheiden wil worden en ze liefheeft, gaat met hen ten onder. Zo ging de apostel Judas na zijn zelfmoord door de poort van afvalligen ‘naar zijn eigen plaats’ in de dodenstad (Hand.1:25).

Sifra, Pua en Ebed-Melech waren liefdevolle mensen. Zij gingen door de poort binnen, waarboven geschreven staat: ‘Gelukkig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden’. Kinderen die nog geen onderscheid kennen tussen hun rechter- en linkerhand, gaan bij hun sterven door een poort binnen met het opschrift: ‘voor hen is het koninkrijk der hemelen’. Door de poort van het verderf ging met zijn wetteloze geesten Abaddon (of Apollyon), de grootvorst uit het rijk van de duisternis, die in de voortijd de aarde had verdorven. Deze boze engelen zondigden tegen de Heilige Geest, omdat zij hun eigen woning in de hemel verlieten en in mensen gingen huizen, wier lichamen bestemd waren voor de inwoning van de goddelijke Geest. Zij werden in de krochten van de Tartarus (afgrond) geworpen om hen voor het gericht van de grote dag in bewaring te houden (Judas 6).

Occulte demonen opgeroepen uit de afgrond

Verslagen en grimmig staat de draak aan de oever van de zee. Hij heeft hulp nodig om het triomfantelijke werk van de Heilige Geest in de gemeente van Jezus Christus weer ongedaan te maken. Beneden hem is de bodemloze afgrond. Over de koning van de Necropolis heeft hij geen gezag. Hij heeft niet het geweld óver de dood maar ván de dood. De Statenbijbel heeft in Hebreeën 2:14 terecht ‘het geweld des doods’. Zijn heerschappij over het menselijk geslacht blijkt hieruit, dat het de mens gezet is eenmaal na een aftakelingsproces te sterven om daarna in de Hades volkomen inactief te worden en uitgeschakeld te zijn. Gelukkig heeft Jezus deze autoriteit van de dood, die de duivel bezat, verbroken. Op aarde proclameerde Hij een genezings- en herstelprogramma en door het hanteren van de sleutels van dood en dodenrijk houdt Hij zijn gemeente buiten de poorten van de Hades. Hij schenkt zijn volgelingen het eeuwige leven en voert ze naar het hemelse Jeruzalem.

Wij zagen al dat de Zoon van God veel heiligen uit de necropolis verloste en dat de zonen van God bij de laatste opstanding ontelbare anderen gevangenen zullen bevrijden. De duivel zoekt nu naar een mens, die de kracht bezit om gevallen engelen naar boven te brengen. Deze vindt hij in de persoon van de antichrist. Voor de antichristen geldt immers: ‘Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons’ (1 Joh.2:19). De antichrist kent dus de leer van de onzienlijke wereld. Deze niet meer tot bekering te brengen persoon hoort bij:

  • ‘degenen, die ooit door het licht beschenen zijn, geproefd hebben van de hemelse gave en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, die het weldadig woord van God en de kracht van de komende wereld ervaren hebben en vervolgens afvallig zijn geworden’ (Hebr.6:4).

Door middel van spiritistische praktijken daalt deze mens van de zonde naar de diepte van de Tartarus en verbindt zich daar met Abaddon, die in het Grieks Apollyon genoemd wordt. Deze naam betekent verderver. Zoals Jezus gevangen mensen uit het dodenrijk bevrijdde en meevoerde naar de hoge, zo neemt de antipode gevallen engelen mee naar de aarde om ze op mensen los te laten. Christus redt mensen en de antichrist bevrijdt demonen (roept ze op uit de afgrond). Spiritisten kunnen nooit mensen, maar alleen demonen uit de Hades oproepen. Tijdens deze grootste seance aller tijden vaart Abaddon, de engel van de afgrond, in de antichrist en wordt deze ‘dè zoon van het verderf’, dè mens van de wetteloosheid (2 Thess.2:3).