1. Het nieuwe Jeruzalem – de hemelstad

  • ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet (naar de inwendige mens) sterven; gelooft u dat?’

De Stad van de Dood of de Stad van het Leven?

In de onzienlijke wereld zijn er twéé steden die overeenkomsten hebben èn felle contrasten vertonen: de stad van de Dood (de necropolis) en de stad van de levende God (het hemelse Jeruzalem – Hebr.12:22). Óns wenkt het hemelse Jeruzalem, de stad van de levenden. Jezus sprak tot Martha: ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven en ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet (naar de inwendige mens) sterven; gelooft u dat?’

Niet onkundig zijn

Enkele maanden geleden beleefden wij in onze gemeente binnen een week enkele bijzondere gebeurtenissen: de begrafenis van een broeder, een 55-jarig huwelijksfeest, een bruiloft van een jong stelletje en verder nog een zuster die haar 86ste verjaardag vierde. Niet alle gemeenteleden trouwen, niet allen bereiken de leeftijd van de zeer sterken (Ps.90), maar ‘zolang de Heer nog niet terug komt’ zullen we alle sterven. In 1 Thessalonicenzen 4:13 schrijft de apostel:

  • ‘Broeders en zusters, wij willen u niet in het onzekere laten over de doden, zodat u niet hoeft te treuren, zoals zij die geen hoop hebben’.

Sterven is de meest ingrijpende gebeurtenis in het leven en daarom heeft de Schepper in ieder mens ‘de eeuwigheidsbehoefte in het hart gelegd’ (Pred.3:11 vert. Obbink). Paulus schrijft dat de christenen goed moeten weten wat er na hun heengaan gebeurt, want zij alleen bezitten onafgebroken, eeuwig leven. Er staat dat dood noch leven, hoogte noch diepte ons kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus, onze Heer. In Christus (zijnde) hebben wij het onvergankelijke leven. De gemeente te Thessaloníki bestond uit levende, opnieuw geboren christenen, want hun geloof dat zich op God gericht had, was overal bekend geworden en zij zagen uit naar de terugkomst van de Heer (1 Thess.1:8-10). In Handelingen 17 lezen wij dat veel leden al voor hun bekering ‘God vereerden’. Zij waren belangstellende bezoekers van de synagoge geweest, maar werden niet tot de Jodengenoten gerekend, omdat zij zich niet hadden laten besnijden en niet naar Joodse wetten leefden. Ongetwijfeld bezaten deze christenen nog voorstellingen van het hiernamaals, die berusten op Griekse en Joodse gedachten, die weinig hoop schonken. En wat voor begrip heeft het huidige christendom van de toestand na het sterven? Wat weet het van de hemel en wat van het dodenrijk?

Het dodenrijk

Bij de klassieke volken was onder de Romeinen, Pluto – die door de Grieken Hades werd genoemd – de god van de onderwereld. De naam Hades werd ook aan het dodenrijk gegeven; vergelijk de uitdrukking ‘dood en dodenrijk’ in Openbaring 1:18; 20:14. Het woord ‘Hades’ betekent misschien ‘onzienlijke wereld’, afgeleid van ‘a’, een ontkenning en van ‘eido’, zien. Het kan ook te maken hebben met ‘hado’, een woord dat ‘alles ontvangend’ betekent. Pluto was de vijand van het leven en door goden en mensen gehaat. Zijn rijk werd omspoeld door rivieren, waarvan de Styx wel de bekendste is. De bootsman Charon voerde de zielen van de gestorvenen over deze rivier de Hades binnen. Andere rivieren droegen de naam: de rivier van smart, de van vuur brandende, die van de jammer. Alle gestorvenen bevonden zich in de diepte van de aarde. De slechte mensen werden verwezen naar het jammeroord ‘de Tartarus’ en de goede ‘schimmen’ naar het oord van de gelukzaligheid, het Elysium. Voor allen gold echter: ‘Wie hier binnentreedt, laat alle hoop varen’.

In het Oude Testament is het woord ‘dodenrijk’ een vertaling van het Hebreeuwse ‘sjeool’, dat in de Septuaginta praktisch altijd wordt weergegeven door ‘Hades’. Het woord ‘sjeool’ staat wellicht in verband met ‘diepte’. Voor de Joden was de verblijfplaats van de doden ook diep onder de aarde. Zij wachten daar op de dag van het oordeel. Men zag in het algemeen niet verder dan het graf, waar men bij zijn voorvaders werd bijgezet. De profeten associeerden het graf met het schimmenrijk, waar wel een voortbestaan was, maar elke activiteit ontbrak. Bij een belangrijk gebeuren was er soms wat meer beweging merkbaar. Wanneer de koning van Babel het dodenrijk binnenkomt, staan de andere koningen op van hun troon om hem te begroeten. Deze vage gedaanten spreken dan: ‘Ook u bent krachteloos geworden als wij’. Omdat men er van uitging dat de mens een ondeelbare eenheid was, werd tegelijkertijd geconstateerd dat deze schimmen door wormen werden aangetast en door maden werden bedekt. Deze profetische schildering in Jesaja 14 krijgt nog een diepe betekenis, als wij de koning van Babel zien als type van de duivel, die volgens Openbaring 20 in de afgrond wordt geworpen. Hij bevindt zich dan in de toestand, waarvan 2 Petrus 2:4 spreekt:

  • ‘Immers, God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden niet gespaard maar hen in de Tartarus geworpen. Daar, in de diepste duisternis, blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten’.

Aardse inzichten

Alle voorstellingen over het dodenrijk waren vaag. Men sliep in het stof van de aarde en had een ontluisterend bestaan. De zieke koning Hizkia sprak:

  • ‘Ik dacht: In de bloei van mijn leven moet ik gaan, de tijd die mij rest verblijf ik in het dodenrijk. Ik dacht: Ik zal de Heer niet meer zien in het land van de levenden, of ooit nog een mens zien daar waar alles zijn einde vindt. Mijn woonplaats werd ontruimd en lag open, zoals de tent van een herder’ (Jes.38:10-12).

In het oude verbond werd daarom Gods zegen uitgedrukt met de woorden: ‘zodat u lang leeft op de áárde’. De Heer loven en prijzen, zoals de gelovigen van het oude en nieuwe verbond zo graag deden en doen, was er in de dood niet meer bij. ‘Niet de doden loven de Heer, niet wie zijn afgedaald in de stilte’ (Ps.115:17). De alles bij elkaar verzamelende Hades roept gedachten bij ons op aan ‘dode’ samenkomsten op aarde, waar lofprijs en aanbidding ontbreken. De doden weten niets en doen niets en denken niet meer aan God, ‘want doden noemen uw naam niet meer!’ (Ps.6:6). In Job 14:10-12 ontbreekt zelfs de opstandinggedachte:

  • ‘Maar een mens sterft en hij ligt terneer. Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan? Water van de zee verdampt, beddingen van rivieren worden dor en droog. Een mens gaat liggen en staat niet meer op. Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet, hij wordt niet uit zijn slaap gewekt’.

Verwachting

Bij de rechtvaardigen die in het geloof stierven, was er toch ook weer de verwachting van de opstanding. Martha, de zuster van Lazarus, drukte de hoop van de rechtzinnige Joden uit met de woorden: ‘Ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal opstaan’ (Joh.11:24). In Daniël 12:2,3 staat:

  • ‘Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd. De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd’. Ook Daniël was een profeet die van de voor ons bestemde genade profeteerde (1 Petr.1:10). Van de goddelozen zegt het laatste vers van Jesaja: ‘de worm die aan hen knaagt zal niet sterven en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft’.

Ook was er sprake van een levensboek, maar het was onduidelijk of dit op het tijdelijke of op het eeuwige leven betrekking had. Zo bidt David in verband met zijn vijanden: ‘Schrap hun namen uit het levensboek’ (Ps.69:29). Jezus verwierp de Joodse voorstellingen over een dodenrijk niet, want in het verhaal van de rijke man en de arme Lazarus nam Hij dit beeld over. Beide mannen daalden af in de Hades, omdat de weg naar het hemelse heiligdom voor de rechtvaardige Lazarus nog niet open lag (Hebr.9:8). Ook Lazarus stierf zonder de belofte van een hemels vaderland te hebben gekregen. Ook hij had tijdens zijn moeilijke omstandigheden op aarde dit land ‘uit de verte gezien en begroet’. Ook hij had het beloofde niet verkregen, ‘omdat God iets beters met ons voorhad’ (Hebr.11:13,40). Jezus maakte zijn volgelingen echter duidelijk dat zij in het komende tijdperk niets meer met dood en dodenrijk te maken zouden hebben. Hij sprak: ‘Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien’ (Joh.8:51). Wie ‘in Christus’ is, is immers een nieuwe schepping. Hij heeft geen deel meer aan het oude, want dat is voorbijgegaan en bij het oude verbond hoorden ook nog dood en dodenrijk. De christen heeft het eeuwige leven en blijft voor altijd verbonden met Hem, die het leven is. Daarom is het dwaas, als christenen hun zienswijze over het hiernamaals ondersteunen met teksten uit het Oude Testament, die voor hen niet meer relevant zijn. Wij zijn immers in het opstandinglichaam van Christus begrepen.

Necropolis – de dodenstad

Toen wij 14 jaar geleden Australië bezochten, nodigde onze gastheer ons uit voor een tocht naar de begraafplaats van de miljoenenstad Sydney. Door deze enorme ‘dodenakker’ lopen zelfs autowegen en hij wordt aangeduid met de naam ‘necropolis’, een Engels woord, dat rechtstreeks uit de Griekse taal is ontleend en dat ‘dodenstad’ betekent; necros betekent ‘het dode lichaam betreffende’. Dit woord wordt bijvoorbeeld gebruikt in Jacobus 2:26, waar staat: ‘Zoals het lichaam zonder geest dood is’. Het woord ‘polis’ betekent ‘stad’. De necropool van Sydney is verdeeld in wijken, die verband houden met de religies van de overledenen. Zo zagen wij aan onze rechterkant een begrafenis van iemand die bij de Lutherse kerk had gehoord en aan de andere kant een oosterse familie, die bij een graftombe gezellig zat te picknicken. Men veronderstelde dat de overledenen op mysterieuze wijze bij de gezamenlijke maaltijd betrokken waren. Al etend en drinkend had men contact met ‘de geesten van de doden’ (Jes.8:19). Het woord necropolis is een aanduiding, die meestal gebruikt wordt voor prehistorische en antieke grafvelden. Jezus vertroostte zijn leerlingen met de woorden:

  • ’De poorten van de Hades zullen mijn gemeente niet overweldigen’ (Matth.16:18).

Omdat er in de Bijbel verschillende malen sprake is van ‘poorten’, wordt de Hades ook voorgesteld als een necropolis. In Psalm 9 begint de dichter met de aanhef, die wij ook graag in de gemeente gebruiken: ‘Ik wil u loven, Heer, met heel mijn hart, vertellen van uw wonderdaden. Ik wil vrolijk zijn, u toejuichen, uw naam bezingen, Allerhoogste’. In vers 14 en 15 beluisteren wij dan de overwinning op de laatste vijand: ‘Draag mij weg van de poorten van de dood. Dan kan ik vertellen van uw roemrijke daden, juichen in de poorten van Sion: ‘U hebt mij gered!’. De ‘Korte Verklaring’ merkt hier terecht op: ‘dat het dodenoord hier voorgesteld wordt als een stad, die in een diepte ligt’. Gods roemrijke daden worden gezien, wanneer de profeetdichter overgeplaatst wordt in een andere stad met poorten, namelijk bij het heiligdom in het (hemelse) Jeruzalem.

Triomftocht uít het dodenrijk

Van Psalm 24 past men de 2e helft meestal toe op de hemelvaart van Jezus, maar het zou ook een illustratie kunnen zijn van Zijn intocht in de dodenstad, waar hij volgens 1 Petrus 3:19 de geesten in de gevangenis heeft toegesproken. Wij stellen ons dan het volgende voor: Vergezeld van zijn hemelse legers eist de Koning van de eer de overgave van de dodenstad. Voor de poorten klinkt de roep van de engelen: ‘Poorten, heft uw kroonlijsten op. Eeuwige posten, rekt u omhoog. De Koning der glorie gaat binnen’ (Can. vert.). De oude ingangen waren te laag om de Overwinnaar door te laten. De doodsengelen hadden al eerder met de macht van de Koning van de eer kennis gemaakt. Hij had destijds immers het dochtertje van Jaïrus en de zoon van de weduwe te Naïn uit hun greep verlost en zijn vriend Lazarus, die al voor de vierde dag in het ‘graf’ lag, had Hij met een machtswoord bevolen ‘naar buiten te komen’. Wanneer Lazarus later opnieuw overlijdt, zou hij bij hen horen, die de dood niet meer zouden zien. Zijn inwendige mens zou dan het verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer zijn intrek nemen (2 Cor.5:8). De onwetende occulte demonen die de stem van de heilige engelen horen, vragen verbaasd: ‘Wie is Hij toch, de Koning van de eer?’ Buiten de muur klinkt dan de jubeltoon, die de doodse stilte verbreekt: ‘De Heer van de (hemelse) legers, Hij is de Koning van de eer’. De belofte aan Abraham geschonken: ‘Uw nageslacht zal de poort van uw vijanden in bezit nemen’, wordt nu zeer reëel. Jezus, onze Koning, bezit de stadssleutels van de grote necropolis, want ‘Hij heeft de gevangenis gevangen genomen’ (Ef.4:18 Statenvert.). In de onzienlijke wereld zijn nu voortaan twéé steden die overeenkomsten hebben en felle contrasten vertonen: de stad van de Dood en de stad van de levende God (Hebr.12:22). Óns wenkt het hemelse Jeruzalem, de stad van de levenden. Tot Martha sprak Jezus:

  • ‘Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder, die leeft en in Mij gelooft, zal in eeuwigheid niet (naar de inwendige mens) sterven; gelooft u dat?’