In het Oude Testament waren er twee volksgroepen, die zich beide bij het volk van God rekenden: enerzijds het tienstammenrijk van Israël en anderzijds het tweestammenrijk onder Juda. Zij hielden er echter hun eigen eredienst op na. Juda diende God in de tempel te Jeruzalem, de plaats waar God woonde, maar Israël had zijn eredienst op heel andere plaatsen geconcentreerd. In Amos 5:3,4 zegt God over dit geestelijke fundament van Israël:‘Zoek Mij en leef. Maar zoek Bethel toch niet en kom niet naar Gilgal (centra van illegale erediensten) en trek niet naar Berseba (een gewijde bedevaartsplaats). Want Gilgal wordt onherroepelijk weggevoerd en Bethel wordt verwoest’.
Er is maar één fundament en wanneer het huis van Jozef op een vals fundament blijft rusten, zal het vuur het verteren. Wanneer het oordeel komt en Satans’ demonen storm lopen, blijkt dat de valse kerk, het huis van Jozef, niet bestand is tegen dit oordeel van vuur. Haar volkomen ondergang wordt voorspeld: ‘Gevallen is zij, zij zal niet weer opstaan. De jonkvrouw van Israël, neergeworpen ligt zij op haar bodem, niemand richt haar op’ (Amos 5:2). Deze uitdrukking hoort Johannes ook over Babylon, de valse kerk:
- ‘Gevallen, gevallen is de grote (stad) Babylon …. en zij zal nooit meer gevonden worden’ (Op.18:2 en 21)
Er is in de geestelijke wereld de stad van God en er is een grote stad, Babylon. Zij is de geestelijke realiteit in de hemelse gewesten van het uiterlijk godsdienstige Jeruzalem, dat geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, waar de apostelen en profeten gedood werden en waar ook onze Heer gekruisigd is (Openb.11:8). Op de straat van deze grote stad liggen de lijken van de laatste Godsgetuigen. In dit Babylon woont de natuurlijke mens, die godsdienstig is, maar die geen gemeenschap met Jezus Christus heeft. Kaïn, Ezau, Ismael en de leiders van Jezus’ dagen hebben in haar gewoond. Over haar inwoners werd geprofeteerd: ‘Zodat over u komt al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde, van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar (dus in het centrum van de godsdienstige ceremoniën’ (Matth.23:35).
Babylon – De grote hoer
Babylon is dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus. In de Openbaring is deze stad Babylon identiek met de vrouw op het beest:
- ‘En op haar voorhoofd was een naam geschreven, een geheimenis: het grote Babylon’.
- ‘En de vrouw, die u zag, is de grote stad, die het koningschap heeft over de koningen van de aarde’.
De fundamenten waarop dit Babylon gebouwd is, zijn zeven bergen die rechtstreeks in verbinding staan met het beest uit de afgrond. De stad wordt gedragen door de koningen of machten uit de afgrond.
De heilige stad
De engel die over het oordeel sprak en die Johannes het geestelijke Babylon toonde, liet hem ook de heilige stad zien, het hemelse Jeruzalem. Dit was de ware kerk, de bruid, de vrouw van het Lam (Op.21:9,10).
- ‘De muur van deze stad had twaalf fundamenten en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen van het Lam’.
Haar fundament is Jezus Christus, want aan Hem hebben zij alles ontleend. In al hun woorden en werken baseren zij zich op Jezus Christus. De berg waarop deze stad gebouwd is, is hoger dan alle bergen, dat wil zeggen dat de macht en de heerlijkheid van deze stad hoog verheven is boven alle andere machten in de hemel en op de aarde. Zei de profeet Jesaja al niet: ‘En het zal gebeuren in het laatste van de dagen: dan zal de berg van het huis van de Heer vast staan als de hoogste van de bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvels’ (2:2). Deze hoge berg drukt de geestelijke macht uit van de stad Gods. In de eindtijd is er een gemeente zonder vlek en zonder rimpel.
- ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam van Zijn Vader geschreven stonden’ (Op.14:1).
In het laatste Bijbelboek wordt gesproken over de vrouw van het Lam, de ware gemeente van Jezus Christus en over de vrouw op het beest, de hoer, die de valse kerk voorstelt. Deze vrouwen hebben geen enkele gemeenschap met elkaar en er is geen enkele relatie tussen beiden. Zij verhouden zich als het licht tot de duisternis. De uiterlijke overeenkomst die zij hebben zouden wij kunnen typeren als die tussen een schaap en een wolf in schaapskleren of die van een engel van God en een duivel die zich voordoet als een engel van het licht. Ook de valse gemeente is een geestelijk gebouw, maar Gods heerlijkheid wordt in haar niet gevonden. Om het wezen van de vrouw op het beest te leren kennen, is het ook nodig te zien wie de ware vrouw is.
De vrouw van het Lam
In Openbaring 12 ziet Johannes in de onzienlijke wereld de ware kerk, de vrouw van het Lam, op het hoogtepunt van haar geestelijke strijd tegen de draak. Zij is bekleed met de zon en een krans van twaalf sterren is op haar hoofd. Dit wijst op de gemeenschap die zij heeft met de levende God en haar geloof in de leer van de twaalf apostelen. Onder haar voeten heeft zij een fundament. Het is de maan. De maan is niet het beeld van de machten van de hel, zoals sommigen menen, want deze zijn haar nog niet volkomen onderworpen. De strijd is juist in volle kracht ontbrand. De maan ontleent haar luister en licht aan de zon. Zo is Jezus Christus de afstraling van Gods heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr.1:3). Bovendien heeft God de maan gesteld tot een licht in de nacht en van Jezus staat geschreven dat zijn licht schijnt in de duisternis.
Dronken van het bloed van de heiligen
Let op de tegenstellingen tussen de ware vrouw en de hoer. De ware gemeente strijdt tegen de draak in de hemelse gewesten en de valse kerk zit op het beest, dat zijn kracht, zijn troon en grote macht rechtstreeks van deze draak of de duivel ontvangen heeft (Op.13:2). De valse kerk strijdt echter tegen de ware kerk, want:
- ‘Ik zag de vrouw dronken van het bloed van de heiligen en van het bloed van de getuigen van Jezus’ (Op.17:6).
De ware vrouw kent in haar strijd met de draak maar één uitweg: zij vlucht in de woestijn. Zij wordt weer gemeente in de woestijn (Hand.7:38). Zij verbreekt geestelijk alle contacten met de wereld en zij wordt door God zelf onderhouden. In de woestijn is het manna uit de hemel. Daar ontvangen de overwinnaars het verborgen manna (Op.2:17). Daar krijgen zij ook het water uit de rots. Alleen in de woestijn kan zij buiten het gezicht van de slang zijn, omdat zij alleen in stand gehouden wordt door Woord (manna) en Geest (levend water).
Ook de valse kerk is in de woestijn, want Johannes wordt in de geest daar naar toe gevoerd. Deze vrouw (de hoer) doet dus alsof zij niet van de wereld is en de Woorden en de Geest van God kent. Maar tegelijkertijd zit deze vrouw aan veel waterenstromen en hoereert zij met de koningen van de aarde. Deze vrouw zegt in de woestijn te zijn, maar zij rust tegelijkertijd op de wateren: de natiën, de menigten en volken en talen van deze wereld. Deze vrouw wordt de hoer genoemd, omdat zij de naam heeft dat God al haar heil en eer is, terwijl zij gemeenschap heeft met de koningen van de aarde.
Deze geestelijke macht heeft zich verbonden met de wereldse cultuur en alles wat groot en indrukwekkend is in deze wereld. Zij is gehuld in purper en scharlaken en rijk versierd met goud, edelstenen en parels. Zij bouwt machtige kathedralen die de wereld imponeren en de duizenden toeristen trekken. Haar leiders zijn geen vissers uit het Galilea van de heidenen, maar koningen van de wetenschap met titels, predicaten en onderscheidingen. Zij zoekt de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en een trots leven, die geen van alle uit de Vader zijn. De hoer haat het om in de woestijn te zijn en daarom is zij ook verbonden met wereldse macht; aanzien, politieke partijen, geld, handel en wereldgeesten. In haar hand heeft zij een gouden beker, maar de vrucht van de Geest wordt daar niet gevonden. Wel de gruwelen en de onreinheden van haar hoererij.
Dit grote Babylon is de moeder van de hoeren en de gruwelen van de aarde. Zij hoort niet tot bij lichaam van de Heer. Zij onderscheidt dit niet. Daarom vindt men in haar beker alle zonden, ongerechtigheden en ziekten, die samen de gruwel zijn van het leven op aarde. Zij heeft geen enkele oplossing voor de nood van de mensen en van de wereldproblemen. Om haar godverlatenheid te dekken pleegt zij overspel met de koningen van de aarde en met de wereldgeesten. Hoewel zij onmachtig is om iets van het Koninkrijk van God te openbaren, pocht zij in haar hoogmoed:
- ‘Ik troon als koningin, ik ben geen weduwe en geen rouw zal ik zien’ (Op.18:7).
De vrucht van haar overspel, de gruwel van zonde en ziekte, draagt zij in haar gouden beker.
De ware vrouw brengt ook een vrucht voort. Het is de vrucht van Gods Geest. Zij baart een kind, een volwassen mannelijk wezen, dat alle heidenen zal hoeden met een ijzeren staf. De apostel spreekt over deze mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom van de volheid van Christus. Naar deze zoon heeft de zuchtende schepping uitgezien.
Wij lezen dat in de hemelse gewesten deze Zoon plotseling weggevoerd wordt naar God en zijn troon. Dit is geen beschrijving van de opname van de gemeente of van de hemelvaart van Jezus, want alles gebeurt in de onzienlijke gewesten. Het is een beschrijving hoe de machten van de duisternis overwonnen worden door de openbaring van de zonen van God. Deze overwinnaars ontvangen een ijzeren staf waarmee zij de heidenen kunnen hoeden. De onbereikbare volken van de wereld worden door hen verlost en bevrijd van de demonische machten, die door hun ijzeren roede als aardewerk worden verbrijzeld (Op.2:26,27 en 12:5) Het is de realisering van wat de apostel schrijft: ‘Hij heeft ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus (in zijn lichaam), om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen’ (Ef.2:6).
De vrucht van de vrouw zijn zij, die aan het beeld van de Zoon gelijkvormig zijn geworden. Zij verlossen de gebonden zondaars en stellen hen in de vrijheid, zij genezen zieken en bevrijden geketenden, zodat er nog een nageslacht van de vrouw komt over de hele wereld, ‘die de geboden van God bewaren en het getuigenis van Jezus hebben’ (12:17).




