De tijd was vervuld – Jezus Christus verworpen en vermoord

  • ‘Wanneer u zult zien dat Jeruzalem door legers omringd wordt, weet dan dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen en wie in het midden van Jeruzalem zijn, daaruit wegtrekken en wie op de velden zijn, er niet in gaan. Want dit zijn dagen van wraak, zodat alles wat geschreven staat, vervuld wordt. Maar wee de zwangeren en de zogenden (het naamchristendom) in die dagen, want er zal grote nood zijn in het land en toorn over dit volk. En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn. En er zullen tekens zijn in zon (Maleachi 4:2), maan (Hebr.1:1,2) en sterren (Openb.6:13) en op de aarde benauwdheid onder de volken, in radeloosheid vanwege het bulderen van zee en golven.

De verwoesting van Jeruzalem

In de dagen van Jezus waren er duidelijke tekens van verzet tegen de Romeinse bezetter. In de jaren 60 werd in Jeruzalem het verzet steeds heviger. De grote menora en andere tempeltrofeeën werden door de overwinnaars naar Rome gebracht; zij staan afgebeeld op de boog van Titus. Fanatici en rebellen verzamelden zich in diverse partijen, zoals die van de Zeloten onder Simon-bar-Giora en de Sadduceeën onder Jochanan. Men droeg de dolk onder het kleed verborgen. Gewelddaden met politieke achtergrond, agitatie en verzet tegen Rome volgden elkaar snel op en veroorzaakten onrust en hardhandige represailles van de kant van de Romeinen. Op Golgotha kwamen steeds meer kruisen te staan. In de maand mei van 66 na Christus barstte het oproer openlijk tegen Rome los. De opstand begon in Jeruzalem. Het 6.000 man tellende Romeinse garnizoen werd overmeesterd. Wapens en goederen werden buitgemaakt. Ook in Galilea was een bloedige strijd uitgebroken.

De boog van Titus

De Romeinen werden volkomen verrast. David stond tegen Goliath. Een volkje wiens God eens had gesproken: ‘Niet door kracht en geweld maar door mijn Geest’ stond op tegen het Romeinse Imperium. In de eerste fase van de ‘joodse oorlog’ ontkwam Aores, de Romeinse procureur uit Jeruzalem en verzocht om militaire steun bij zijn collega Cestion Gallus in Syrië. Met een legioen en zogenaamde hulptroepen, rond 12.000 man, rukte men op naar Galilea. Het ongelooflijke, het verbazingwekkende, iets wat de ‘wereld’ de adem stokken deed, gebeurde. Bij Beth-Horon, werd deze Romeinse strijdmacht volledig verslagen. Wapens, legergoederen, alles wat ertoe hoorde, werd buitgemaakt. In grote haast werden de joodse steden versterkt. Josephus (geboren in 37 na Christus) die de hele geschiedenis van de joodse oorlog als ooggetuige beschreef, werd tot bevelhebber van de joodse strijdkrachten in Galilea benoemd.

Op zijn wijze

Nero reageerde aanvankelijk onverschillig op het gebeurde. Toen echter de ernst van de situatie tot hem doordrong, begon hij ‘op zijn wijze’ terug te slaan. En dit betekende in de terminologie van satan: geweld, moord, verwoesting! In Caesarea werden 20.000 joden als vergelding gedood. In Alexandrië 50.000. Maar met deze wraakoefening was het conflict niet opgelost. Nero zou Jeruzalem moeten treffen. Hij benoemde Vespasianus tot uitvoerder van zijn wraak. Het IV Legio Macedonia, het X Legio Fretensis marcheerde onder Vespasianus door Fenicië naar Ptolomais (dat is Akko). In het jaar 67 stierven daar 20.000 joden door het zwaard. De zoon van de veldheer, Titus, liet uit Egypte het XV Legio Apollinaris (onder Trajanus) oprukken en in april 67 na Christus begon de Romeinse strijdmacht van circa 80.000 man met al hun materiaal de veldtocht door Galilea. Het land lag toen in diepe duisternis.

Gewapende bendes en legereenheden stroopten de dalen van Galilea af. Eerst joden, dan Zeloten, tenslotte Romeinen, gevolgd door rovers. Overal heerste moord, bloedvergieten, brand, roof en verwoesting. In de streken, de dorpen en steden waar slechts enkele tientallen jaren geleden Jezus was rondgegaan, waar Hij tot hun vrede gesproken had, heerste chaos. 30.000 joodse mannen uit de dorpen werden als slaven naar Corinthe gedeporteerd. Toen Vespasianus zijn troepen in de winterkwartieren 67-68 legerde, was Galilea verwoest. Tienduizenden waren gedood. In juli 69 werd hij naar Rome geroepen. Vespasianus uit het Flavische huis, werd tot keizer uitgeroepen.

‘In maart van het jaar 70 na Christus begon Titus de aanval tegen Jeruzalem. De stad werd volledig omsingeld en geïsoleerd. Jezus had voorspeld: ‘Zodra u nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan dat zijn verwoesting nabij is’ (Lucas 21:20,21). De stad die eens Ur-u-shalem, ‘stad van de vrede’ heette, werd nu het toneel van een verschrikkelijk geweld. De verbetenheid aan beide zijden was groot. Vooral de felheid waarmee de joodse verdedigers vanaf de muren en bastions vochten, veroorzaakte onder de Romeinen zeer grote verliezen. Josephus Flavius, de gevangen joodse bevelhebber, bevond zich in het kamp van Titus en beschreef de toestanden als een verschrikkelijk inferno. Hij zei:  ‘Al het schoons is in een woestenij veranderd’. Onbeschrijfelijke taferelen van honger, ziekten, gewonden, doden, hebzucht, roof, brand en vernietiging speelden zich af’ (Josephus Flavius).

  • ‘Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild! Zie, uw huis wordt prijsgegeven’ (Mattheüs 23:37,38).