De Tempelrivier

 

  • ‘Overal waar de rivier stroomt komt leven!’ (Ezechiël 47:9)

De profeet Ezechiël ontvangt verschillende visioenen, die alle iets tonen van het geestelijk herstel dat God zijn voor zijn volk heeft bereid. In één ervan ontmoet hij een man die hem naar een berg brengt om hem daar een geestelijke les te geven: Hij ziet dan een stad, het nieuwe Jeruzalem. En in die stad een tempel – dat zijn wij. Ook Ezechiël heeft immers van de ‘voor ons bestemde genade’ geprofeteerd (1 Petrus 1:10). Het zijn de gelovigen van het Nieuwe Verbond die samen opgroeien tot een ‘tempel, heilig in de Heer, tot een woonplaats van God in de geest’. Zoals de Heer onder zijn kinderen woont, zo is Hij ook in elk van hen afzonderlijk. Ieder kind van God vormt een tempel van Gods Geest. Als Ezechiël goed oplet, ziet hij van onder de drempel van de tempel een stroompje water naar buiten komen. Het begint klein, maar zwelt al spoedig aan tot een beek, ‘die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon’. Hij merkt dan op:

  • ‘Overal waar de rivier stroomt komt leven! Velen zullen bij dit visioen aan de woorden van Jezus denken: ‘Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien’. Jezus doelde daarbij op het leven dat de Heilige Geest brengen zou: ‘Dit zei Hij van de Geest, die zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden.’

Deze beek vertegenwoordigt de kracht van Gods Heilige Geest. Zoals de Geest van God op Gods Zoon rustte, zo is Hij ook op ons. En overal waar Hij doorwerkt, daar wordt alles in ons leven gezond. leder probleem, elke zorg en moeite, elk gebrek en elk lek – het is in dit ‘alles’ inbegrepen. Door de doorstroming van Gods Geest komt er leven. De vraag is echter: kán het ‘water’ van Gods Geest alle onderdelen van ons leven wel bereiken, of zijn er versperringen die deze stroom blokkeren? Ervaren we dat het leven niet doorstroomt, dan helpt het niet of we bidden en smeken om de doorwerking van dit leven. Dat gebeurt namelijk vanzelf. Overal waar het leven maar een kans krijgt breekt het baan. God wil niets liever dan van Zijn kant leven geven. Jezus is immers gekomen om zijn schapen leven te geven en overvloed. Wil Gods leven in ons doorstromen, dan moeten eerst de versperringen worden opgeruimd.

De vervloekte vijgenboom

Ooit vervloekte Jezus een vijgenboom en zijn leerlingen verbaasden zich erover dat deze zomaar verdorde. Voor de Heer zelf was dit echter iets vanzelfsprekends. Het aardse Jodendom met zijn massa’s wetten en ceremoniën. De farizeeën en Schriftgeleerden waren immers kinderen van satan geworden. De vijgenboom zonder enige vrucht was daarvan een beeld. Als je je één gemaakt hebt met Gods en Jezus’ gedachten en Hun wil, dan zal wat je zegt in Hun naam ook gebeuren. Maar dan moeten er geen verspringen zijn die de doorstroming van het leven tegenhouden. Gebrek aan bereidheid om te vergeven bijvoorbeeld. Deze versperring noemde de Heer heel duidelijk bij name, toen Hij aan zijn les over de kracht van het geloof toevoegde:

  • ‘Daarom zeg Ik jullie: alles waarom jullie bidden en vragen, geloof dat je het al ontvangen hebt en je zult het krijgen. Wanneer je staat te bidden en je hebt een ander iets te verwijten, vergeef hem dan, opdat ook jullie Vader in de hemel jullie je misstappen vergeeft’ (Marc.11:24,25).

Er kunnen nog legio andere versperringen in ons leven zijn. Zorgen voor levensonderhoud bijvoorbeeld. Of het bedrog van de rijkdom. Ook daar kan een mens door bezet worden. Lusten en begeerten – het verlangen naar wat je niet hebt en wat van een ander is – vormen mogelijk zo’n barrière waar het leven niet meer door kan. Elke verstopping moet weggeruimd worden. Het leven staat te dringen om door te stromen. Onze kopzorgen moeten eruit. De begeerten die vastgespijkerd zitten, de lusten van ons lichaam. De zucht om altijd maar gelijk te willen hebben, heerszucht. We moeten heel die troep kwijt. Wie ontdekt dat er versperringen in zijn leven zijn, moet eerlijk worden – tegenover zichzelf, tegenover de ander en tegenover de Heer. Hij zal tot God moeten zeggen: ‘Heer, er zitten blokkeringen, heel veel, in de bedding van mijn leven, die moeten weg. Leid mij door uw Geest.’ Misschien stuurt de Heer mensen naar je toe, me je kunnen helpen om vrij te komen. Stel je daar maar voor open.

Misschien valt het met de stenen en obstakels in de bedding van ons leven wel mee, maar ligt ons probleem op een ander vlak: het leven van de Heer wil wel in ons leven stromen, maar het kan er niet uit. Je wilt wel ontvangen, maar bent niet bereid om door te geven. Heel het denken draait om: ik, ik, ik! ‘Ik ben een zoon van God’. ‘Ik zit met Hem op de troon.’ Zo kun je proberen als maar meer kennis te verzamelen van Gods Woord en Gods bedoelingen met de mens. Maar je wordt niet gezond als je het leven niet doorgeeft. Je bent dan als de Dode Zee, die het water wel opneemt, maar niet afgeeft – met het gevolg dat het er bremzout is en er geen enkel leven mogelijk is. Het leven komt er wel in, maar het stroomt er niet uit. Jezus zelf is hierin ons grote voorbeeld. Leven vraagt er naar om naar de ander door te stromen. In het leven van de mens die op zichzelf geconcentreerd is, kan God weinig doen.

Als Jezus kracht van zich uit voelde gaan omdat mensen Hem in geloof aanraakten, was dat zodat ook het leven weer in Hem binnen zou stromen. Zo mag ook ons leven zijn. Wij mogen de versperringen opruimen die de doorstroming van het leven in ons beletten. We mogen het leven ook ánderen toe doen stromen. Waar dát gebeurt zal alles tot leven komen.