De ruiter op het witte paard

  • ‘Hij kreeg een kroon en trok op als overwinnaar, de overwinning tegemoet’ (Openbaring 6:2).

Meningen en discussies

Over de ruiter op het witte paard wordt veel gediscussieerd. Dat Jezus Christus de ruiter is op het witte paard, wordt vaak afgewezen als on-Bijbels. Dit is wel begrijpelijk omdat de overste van deze wereld gespecialiseerd is in het verdraaien van de schriften tot eigen verderf (2 Petrus 2:1). Om dit te gaan ‘zien’, is gedegen Schriftkennis nodig. Niet gegeven door theologen, maar Bijbelse leraars (Ef.4:11). We noemen daarom het boek Openbaring een soort ‘eindexamen’ van de Schriften. Vrijwel alles wat in dit laatste Bijbelboek geschreven is heeft ‘linken’ naar voorgaande boeken. Wie hierbij dus alleen maar leest wat er staat, zal nooit verstaan wat hij leest en zal ook nooit verder komen om al de rijkdommen te begrijpen, die God christenen wil geven. Al leest men zelfs de kaft van binnen en buiten. We willen daarom wat handvatten geven om de ruiter op het witte paard te verstaan.

Kennis van het onzienlijke

Zonder kennis van het koninkrijk der hemelen, volgend op het gelegde fundament en de nieuwe geboorte (Ef.1:13,14; 1 Petr.1:3), blijft het boek Openbaring een gesloten boek. Het boek werpt licht op wat zich in de onzienlijke wereld afspeelt. Daarom kan dit boek alleen op geestelijke wijze of met kennis van de geestenwereld geïnterpreteerd worden. Met ongeestelijke uitleggingen die aardsgericht zijn en die niet hoger komen dan het niveau van de Bijbelexegeten in de dagen van onze Heer komt men niet verder. De Farizeeën en Schriftgeleerden verstonden de dingen van het Koninkrijk van God niet, maar hadden slechts verwachtingen voor een vleselijk Israël, zoals de honderdduizenden, wereldwijd ook in onze dagen koesteren. Zolang men nog van beneden tegen dit boek aankijkt, dus alles vanuit de natuurlijke wereld verklaard, is en blijft het een onverklaarbaar schrift. Dan geldt: ‘Want Mijn gedachten zijn niet uw gedachten en uw wegen zijn niet Mijn wegen’. Enkel op de ‘hoge’ weg leert men de diepte van de profetieën verstaan. De sleutels, die bij de verklaring van het boek Openbaring ter beschikking staan, zijn die van de kennis van het Koninkrijk der hemelen.

Axioma’s

Bij alle gedeelten van het boek Openbaring gaan we uit van het Bijbelse axioma, dat alles wat er bestaat uit God is. De hele kosmos en alles wat leeft. In de altijd zijnde God – (nog) niet letterlijk te zien – moet de mens geloven want dit is hierbij noodzakelijk (Hebr.11:1-3). Zonder dit geloof is het immers onmogelijk om te verstaan dat het heelal door God is geschapen en zonder dit geloof kan God niet verder met de mens die hij liefheeft. Paulus schrijft dat dit geloven wèl mogelijk is:

  • ‘Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard. Want de dingen van Hem die onzichtbaar zijn, worden sinds de schepping van de wereld uit Zijn werken gekend en doorzien, namelijk én Zijn eeuwige kracht én Zijn Goddelijkheid, zodat zij niet te verontschuldigen zijn’ (Rom.1:17-20).

Ook de Christus was er vanaf de grondvesting van de wereld (in Gods Logos, Joh.1:1). Alles wat hieruit volgt is door God geschapen en wordt nu ook herschapen door Jezus Christus met zijn gemeente. Vooral de herschepping is ons uitgangspunt bij de ruiter op het witte paard. God en zijn Zoon doen alles als eerste. De satan kan alleen maar reageren op wat er van God uitgaat. Kon Hij dit wèl, dan was de Heer van de heerlijkheid nooit gekruisigd (1 Cor.2:8). Jezus Christus is de eerste van de nieuwe schepping en niet satan, hij kan alleen maar na-apen. Jezus zegt als eerste tot mensen: ‘Mijn vrede geef ik u’. De satan neemt als tweede die vrede weer weg. Wanneer men dit axioma hanteert wordt er al veel meer duidelijk. Verder is het boek niet in chronologische volgorde geschreven. De beschreven zegels en plagen zijn alleen leidraden bij de verschillende hoofdstukken, die elkaar niet letterlijk opvolgen, maar geestelijk. Bij dit alles hanteren we ook het axioma dat God enkel goed is. Ziet u God nog als iemand die goed èn kwaad doet, dan kunt u beter eerst het Bijbels Fundament en het eerste onderwijs doornemen voordat u dit troostrijke boek gaat begrijpen.

Een enkele goede God en Opdrachtgever

Van groot belang is het feit dat God alles aan zijn Zoon Jezus heeft geven om uit te voeren. God rust van al zijn werken om die te (ver)volmaken, totdat alles van de schepping naar Zijn plan en bestek is uitgevoerd door de mens; uiteindelijk door Jezus Christus (Gen.2:7). Mozes gebruikte Gods zevende dag als beeld (Ex.20:11), om daarmee te wijzen op de werkelijkheid die nog komen zou (Hebr.4:4-10). Wij zijn nù in die werkelijkheid en dus niet langer gevangenen van een oud Testamentische zaterdag, zondag of welke dag dan ook (Col.2:16-23). Wij zijn mèt Jezus Christus, Heer en heren over alle sabbatten, zondagen, maanden en jaren tot in alle eeuwigheden. In alle rust werken we mee om Gods plan te realiseren als gemeente van Jezus Christus, de vrouw van het Lam (Op.19:6-9).

Drie-eenheid?

Jezus is de doper in Heilige geest, de Geest van God. Jezus herstelt ook de hele schepping met zijn gemeente. Jezus heeft alle macht in de hemel en op aarde. Pas als de hele schepping door Gods Zoon en Zijn gemeente hersteld is, zal ook de Zoon zich aan zijn Vader onderwerpen, zodat God alles in allen zal zijn (1 Cor.15:27,28). Let er dus op dat Jezus Christus zelf geen God is. Ook geen 1/2 of 1/3 god, of wat men ook gefabriceerd heeft om een drie-eenheid te bewijzen. God onderwerpt zich niet aan Zichzelf en ook kan een kind niet de vader van zichzelf zijn. U ziet wat voor dwaasheden er al zijn uitgevonden. In dit licht en in deze volgorde lezen we dus de uitgaande ruiter op het witte paard.

Christus altijd als eerste van de nieuwe schepping

Wanneer Christus uittrekt, maken ook satans antichristelijke demonen zich op. Dit is een vaste regel. Wanneer onze Heer verschijnt, manifesteren zich de demonen. Wanneer de leerlingen de opdracht ontvangen het evangelie van Jezus te brengen en zij bij hun terugkomst blij uitroepen: ‘Ook de boze geesten onderwerpen zich aan ons in uw Naam’, merkt de Heer op: ‘Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen’. In Openbaring 6 ziet Johannes een ruiter, die op een wit paard zit en uittrekt over de wereld. Hij bezit een boog (Jes.49:2) en hem wordt een kroon gegeven (Fil.4:1; Op.3:11) zoals overwinnaars die op het hoofd dragen. Hij gaat uit om nog meer overwinningen te boeken en dus nog veel kronen in ontvangst te nemen (19:12). Hij wordt gevolgd door een ruiter op een rossig paard, op een zwart paard en een op een vaal paard. Het is duidelijk dat het witte paard beeld is van een Koninklijke macht, namelijk die van Gods Heilige Geest met wie Christus onafscheidelijk is verbonden. De gekleurde paarden zijn symbolen van boze geesten, die de tegenstanders van Christus dragen, namelijk de antichristen. Ze zijn mensen van wie dezelfde apostel moest schrijven:

  • ‘Kinderen, het laatste uur is aangebroken. U hebt gehoord dat de antichrist zal komen. Nu al treden er veel antichristen op en daardoor weten we dat dit het laatste uur is. Ze zijn uit ons midden voortgekomen maar ze hoorden niet bij ons, want als ze werkelijk bij ons hadden gehoord, zouden ze bij ons gebleven zijn. Maar het moest aan het licht komen dat niemand van hen bij ons hoorde’ (1 Joh.2:18,19).

In het boek Openbaring is sprake van een geestelijke oorlog, van een strijd in de hemelse gewesten, die een voortzetting is van de worsteling tegen de boze geesten waarover Paulus in Efeziërs 6:10-17 schrijft. Deze strijd bereikt zijn climax en beslissing in het hemelse Armageddon, waar de antichristelijke kerk de uiteindelijke verliezer is.

De drie volgende, demonische paarden

Aan de berijder van het rossige paard werd opgedragen de vrede van de aarde weg te nemen, zelfs zo dat men elkaar zou vermoorden, want een groot zwaard werd hem gegeven. Het gaat hier niet over de wereld die nooit de ware vrede heeft gekend, maar over de schijnkerk op aarde die zich naar Christus noemde. Oorlogen zijn er altijd geweest, maar de aankomende climax waarvan Jezus spreekt in Mattheüs 24 is er nog nooit geweest en zal er daarna ook nooit meer zijn. Tot de eerste gemeente sprak de Heer eenmaal: ‘Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u’. In de verbasterde kerk is door de antichristelijke leiders de vrede van God weggenomen. Zelfs zijn in haar veel ware gelovigen tot martelaars gemaakt. Abraham had eenmaal bijna zijn zoon geslacht, toen hij dacht(!) de stem van God te horen. Zo zijn er veel kinderen van God door ‘heilige vaders’ gedood, omdat zij meenden dat dit tot eer van de Heer was. De regel is echter, dat God nergens gebiedt een zonde te doen om daarmee een grotere zonde – bijvoorbeeld van ongehoorzaamheid aan de stem van God – te voorkomen. Het grote zwaard is de valse leer, die de leiders van het grote Babylon ertoe brengt om hun tegenstanders met geweld de mond te snoeren en om te brengen.

De ruiter op het zwarte paard brengt hongersnood. Het geestelijk voedsel wat hier wordt bedoeld, is slechts mondjesmaat te verkrijgen. Alleen het evangelie van het koninkrijk der hemelen, dat Jezus zelf predikte, bewerkt nog dat de dorsvloeren vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overlopen. De afgevallen kerk doet de menigte van honger omkomen. Slechts sporadisch vindt men daar olie en wijn, symbolen van het ware Woord van God en het geloof van de Heilige Geest. De ruiter op het zwarte paard is de dood, die overal om zich heen grijpt waar het zwaard van de valse leringen wordt gehanteerd. De honger wijst steeds op het ontbreken van het woord van God.

Het grauwe paard is beeld van Dood zelf en zijn dodenrijk met de afgrond. Mensen die zwarte magie, occultisme en spiritisme bedrijven in het grote Babylon zijn nu al dood, ook al leven zij nog op aarde (Ef.2:1). De antichristelijke kerk is een occulte gemeenschap. De wilde dieren van de aarde zijn de adders, de slangen, de leeuwen, de hyena’s en het onrein gevogelte, dus satans demonen die in de valse kerken een schuilplaats hebben gevonden.

Was Johannes kleurenblind?

Zoals we al hierboven schreven zijn er veel die leren, dat de ruiter op het witte paard eigenlijk de antichrist of de leugen zou zijn. Johannes zou dan door gebrek aan onderscheiding van geesten niet hebben doorgehad dat het witte paard in wezen zwart was, want als de kleur van Christus rein wit is, moet die van zijn tegenstander wel diepzwart zijn. De apostel zou dan geestelijk aan ‘kleurenblindheid’ hebben geleden. Het witte paard zou dan geen beeld zijn van de Heilige Geest, maar van het beest uit de afgrond, dat in de geestenwereld de drager of de inspirator is van dè antichrist. Wij kunnen ons immers niet voorstellen dat Johannes ons opzettelijk heeft willen misleiden. Welke garantie zou er dan zijn dat op andere plaatsen in de Openbaring wit wel een gunstige betekenis heeft?

Men beweert wel dat de ruiter op het witte paard anoniem is, dit wil zeggen dat hij zijn naam wil verbergen en incognito door de wereld trekt. Dit zou dan een ongunstige betekenis hebben. Van de ruiter op het witte paard in Openbaring 19:12 wordt echter ook meegedeeld dat hij anoniem is, want Hij heeft een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. Toch wordt Hij positief aangeduid als het Woord van God! Men zegt ook dat de ruiter uit Openbaring 6 een boog had, terwijl bij die uit Openbaring 19 een scherp zwaard uit zijn mond kwam. We wijzen erop dat in Habakuk 3:9 ook van de Heer God wordt gezegd: ‘U haalt uw boog tevoorschijn, op uw bevel zoeven de pijlen’. Ongetwijfeld heeft het visioen van Johannes te maken met de profetie van Habakuk, waar God zelf uittrekt. Merkwaardig is daar de lezing van de Septuaginta in vers 2, die luidt:

  • ‘Heer, ik heb aangaande u vernomen en was bang. Ik sloeg uw werken gade en was verbaasd; te midden van de twee dieren zult U Zich vertonen’. Wij denken dan ogenblikkelijk aan wat in vers 5 van deze dieren wordt meegedeeld: ‘Voor Hem uit gaat de pest en koortsgloed (verderf, plaag of brand) volgt Hem op de voet’.

Hier liggen toch wel duidelijke overeenkomsten met de ruiter op het witte paard, die ook door demonen van de duisternis wordt vergezeld. De pijlen die de ruiter afschiet, zijn de goede gedachten die het Woord van God inbrengt in de harten van allen, die ernaar horen. Als tegenstelling hiermee spreekt de Schrift over de vurige of brandende pijlen waardoor de satan de mens met kwade ingevingen benadert. Het zwaard in de mond van de ruiter op het witte paard in Openbaring 19 wijst ook op een overwinning door de prediking van het Woord van God, zoals de pijlen wijzen op de inspirerende inwerking door de Heilige Geest. Ons geloof in het Woord zal de wereld overwinnen! Men zegt wel eens dat Christus in dit visioen van Johannes een dubbele rol speelt, namelijk als het Lam dat de zegels verbreekt en als ruiter met een boog. Deze beeldspraak kan men dan niet aanvaarden, maar in Openbaring 5 wordt in een gezicht het Lam toch ook tegelijkertijd de Leeuw uit Juda’s stam genoemd.

Geen doemdenken

Hoofdstuk 6 begint met de mededeling dat het Lam de boekrol gaat openen die eerst was verzegeld. Christus ontving deze uit de hand van de Almachtige. Het geschrift bevat het herstelplan van God, waarin het Lam de hoofdrol heeft. Hij alleen is waardig de boekrol te openen, omdat Hij had overwonnen.

  • ‘U verdient het om de boekrol te ontvangen en zijn zegels te verbreken. Want u bent geslacht en met uw bloed hebt u voor God mensen gekocht uit alle landen en volken, van elke stam en taal. U hebt voor onze God uit hen een koninkrijk gevormd en hen tot priesters gemaakt. Zij zullen als koningen heersen op aarde’ (Op.5:9,10).

Duidelijk zien we hier de triomf van het Woord van God. Wanneer deze wereldwijde zegetocht eindigt, heeft de ruiter nog veel kronen erbij ontvangen en gekroonde koningen volgen Hem. Het reddingsplan van God begint niet met de antichrist, maar met Christus als het Woord van God. Hoe kon trouwens de antichrist uittrekken, als niet eerst onze Heer zijn tocht door de wereld was begonnen? Als tenslotte de zevende engel de laatste bazuin doet horen, dus het einde van het zevende zegel aankondigt, klinken luide stemmen in de hemel, zeggende:

  • ‘Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heer en aan zijn gezalfde (de gemeente), en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden’ (11:15). Daarmee is dan de zegevierende tocht van de ruiter op het witte paard ten einde.

Waarom verzet men zich eigenlijk zo ertegen dat het Woord van God overwinnend uitgaat? Waarom gelooft men wél dat de antichrist overwinnend voortgaat? Omdat in veel christenen de sinistere gedachte overheerst, dat de schepping ten ondergang is gedoemd. Men beroept zich voor deze visie op 2 Petrus 3:10, waar staat dat de elementen door vuur zullen vergaan. Men stelt zich een nabije toekomst voor waarin alles in vlammen zal opgaan. Atoombommen en natuurrampen maken dan de aarde tot een dode woestijn. Hal Lindsey schreef zelfs over ‘de planeet die aarde heette’, een Science fiction met gruwelen in het groot. De zuchtende schepping ziet dan echter tevergeefs uit naar de openbaring van de zonen van God, die haar bevrijden en redden zullen. Men leert toch dat de gemeente waaruit deze zonen voortkomen, vóór deze rampen wordt opgenomen. Vóór de grote tragedie hebben de medewerkers van God dan hun werkterrein verlaten. Deze verleugende visie gaat er vanuit dat God zijn schepping laat ondergaan in een vlammenzee.

De Bijbel spreekt echter van ‘het herstel van alle dingen’. Zie, Hij maakt alle dingen nieuw en Hij schept geen nieuwe dingen! Hij renoveert de aarde. De aangehaalde tekst uit Petrus vervolgt, dat de werken op de aarde, de levende schepping, gevonden zullen worden. Het hoogste van Gods werken is de stof die verbonden is met het leven. Deze zal in de eindtijd bewaard blijven door het werk van de geopenbaarde zonen van God. God zei dat zijn schepping goed is, want zelfs het herstel lag er vanaf het begin in. Het Lam was geslacht vanaf de grondvesting van de wereld. De schepping is zo goed, dat ze alle aanslagen van de satan zal overleven. Zegt de oude profeet niet:

  • ‘Hij is God, die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft; Hij heeft haar gegrondvest; niet tot chaos heeft Hij haar geschapen, maar om te bewonen heeft Hij haar gevormd’ (Jes.45:18).

‘Wereldgeesten’, ‘eerste beginselen’, ‘elementen’

Wij wijzen erop dat het Griekse woord ‘stoicheion’ zevenmaal in het Nieuwe Testament voorkomt. Viermaal wordt het vertaald door ‘wereldgeesten’ (Gal.4:3,9; Col.2:8,20), eenmaal door ‘eerste beginselen’ (Hebr. 5:12) en tweemaal door elementen (2 Petr.3:10,12). De ‘elementen’ uit 2 Petrus 3:10 en 12 zijn niet de stoffen waaruit de aarde is opgebouwd, maar de ‘wereldgeesten’, die het bestuursapparaat van de mensheid vormen. Het hemelse en het aardse leven zijn zo geordend, dat er overheden en machten zijn, dus geesten die heerschappij uitoefenen. Zo zijn er in het Koninkrijk van God troonengelen, cherubs, overheden, engelen van de gemeente en miljoenen engelen die onder hen staan. De duivelen kennen ook een hiërarchie van machten, overheden en wereldbeheersers in het koninkrijk van satan. Parallel met deze elementaire bestuur principes in de onzienlijke wereld zijn ook de menselijke geesten naar de wil van God van hoog tot laag geordend. Er zijn rangen en standen: vader-kind, koning-volk, overheid-onderdaan, heer-knecht. Zij vormen samen het maatschappelijk en staatkundig bestel. De geordende ‘wereldgeesten’ – in tegenstelling met ‘hemelgeesten’ – regelen het leven op aarde. Deze gezagsverhoudingen zijn volgens Romeinen 13:1 door God ingesteld. Wij lezen dus in plaats van ‘de elementen zullen door vuur vergaan’, dat de ‘wereldgeesten’ door vuur zullen ondergaan. Zij zullen ‘brandend ontbonden worden’.

Wij verwerpen ten stelligste de gedachte dat de aarde door natuurlijk vuur zal worden vernietigd. Vuur in zijn vernietigende en ontbindende uitwerking is symbool van de machten van de duisternis. In de eindtijd zullen de demonen met geweld op de ordenende wereldgeesten aanvallen en hen uitschakelen, dit wil zeggen dat dan de door God gestelde gezagsdragers hun macht zien verdwijnen. In verband met de antichristelijke geest wordt daarom gesproken over ‘het geheimenis van de wetteloosheid dat al in werking is’. De totale ontbinding wacht slechts op het ogenblik dat ‘de macht die haar weerhoudt, uit de weg is geruimd’ (2 Thess.2:7, vert. Brouwer). De weerhoudende macht wordt gevormd door de ordenende wereldgeesten, die ‘zwak en arm’ zijn tegenover de grootmachten van de duisternis. De antichrist wordt ‘de mens van de wetteloosheid’ genoemd!

De ruiter met eigen gevolg

Velen letten op de tekens van deze tijd en op nieuwe tijdskringen, maar dan wel alleen op de aarde. Zij letten echter niet op de hemelse gewesten waar een hevig gevecht woedt tussen de ruiterij die achter de berijder op het witte paard komt en de antichristelijke geesten. Omdat men slechts ‘ziet wat voor ogen is’, merkt men niet op dat het Woord van God voortgaat, overwinnende en om te overwinnen. Van de ruiters die Christus volgen, wordt gezegd: ‘Zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en het woord van hun getuigenis’ (12:11). De overwonnene is niet de ruiter op het witte paard, maar de draak en zijn engelen. Van Jezus werd gezegd dat de Vader Hem alle dingen heeft onderworpen. Hij sprak zelf: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven’. Wij zien Hem daarom met eer en heerlijkheid gekroond! De duivel haat dit geloof en inspireert zelfs de kinderen van God om te leren: de antichrist is gekroond. Daarmee vegen zij de berijder op het witte paard op één hoop met de drie andere ruiters.

Toen Jezus gekroond werd, nam Hij plaats aan de rechterhand van de kracht van God. Daar heeft Hij de uitvoering in handen van de gedachten van de Vader over het herstel van alle dingen. Hij heeft diens reddingsplan overgenomen en Hij wil zijn volgelingen als werkers inschakelen en daarom gaan wij als medestrijders achter Hem aan. Veel christenen zien alleen op de duisternis om zich heen. Zij beseffen niet dat deze toeneemt, omdat het licht doorbreekt. Gods Woord trekt uit en de boze geesten proberen het te weerstaan. Sprak het vleesgeworden Woord niet: ‘Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil Ik, als het al ontstoken is?’ (Luc.12:49). De ruiter op het witte paard gaat met de Zijnen echter dwars door deze zee van vuur en glas en velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. Zijn legers volgen Hem en zij vormen een onverbrekelijke eenheid met hun witte paarden. Hun witte gewaden wijzen op de rechtvaardige daden van deze heiligen, die weer voortkomen uit hun rechtvaardige gedachten. Het kleed van de voorste ruiter is in bloed geverfd. Dit rode gewaad identificeert deze anonieme ruiter. Het maakt Hem tot aanvoerder en leider van de hemelse legers. Hij is herkenbaar als Verlosser en Redder van de mensheid.

Onkruid tussen het goede zaad

De antichristen trekken ook uit en in het donker hebben zij tussen het goede zaad, het onkruid gezaaid. Zo werd lange tijd de triomftocht van het overwinnende Woord tegengehouden. Het kon niet volbrengen waartoe het was gezonden, namelijk het herstel. Op het kleed van de eerste ruiter staat nu de naam ‘Koning van de koningen en Heer van de heren’ (19:16). Deze koningen en heren zijn in de eeuwen achter ons nauwelijks te voorschijn gekomen. Antichristelijke leringen maakten de christenen tot nietswaardigen, tot onmachtigen. Zij bleven klein en zondaars tot de dood. Het geloofslied: ‘Ik ben een koning, ik overwin’ was onder Gods volk onbekend. Wij leven echter in de tijden van het herstel, van de late regen. Wij belijden vrijgekochten te zijn door het bloed van het Lam. Wij worden verlost uit de hand van al onze vijanden en vervuld met Gods Geest. Zo kunnen de ruiters ook op witte paarden zitten, hun leider volgen waarheen Hij ook gaat. Ook zij beschikken overeen zwaard en een boog met pijlen. Zelf worden zij door Gods Heilige Geest geïnspireerd en zij dragen hun overwinnende gedachten over.

In deze laatste dagen spreekt God nog in en door de Zoon. Hij is Gods laatste Woord. De oude profeten hielden de gedachten van God levend en bewaarden ze, maar in het vlees geworden Woord kregen de eeuwige gedachten van God gestalte en werden zij gerealiseerd. Voor ons is deze realisatie van het Woord van God de nieuwe fase in ons leven. Dan doet het werkelijk wat God behaagt en volbrengt het alles waartoe Hij het zond, namelijk het herstel en de volmaking.

De antichristelijke demonen maken zich met de moed van de wanhoop op, om de ruiters op hun witte paarden te weerstaan. Zij verkondigen de leugen: ‘God verliest het.’ De aarde gaat ten onder. De Almachtige Schepper zal toch nog opnieuw moeten beginnen. Toen Jezus waardig werd gekeurd om de boekrol te openen, begon hun geweld. Maar het Woord is niet uitgezonden om vernield te worden, maar om te overwinnen. Wij leven in een tijd van geestelijke bergverschuivingen. De tijdskringen wisselen snel. Daarom willen wij ons niet bezighouden met valse mijmeringen en ook niet met toekomstbespiegelingen over een natuurlijk, aards Israël. Wij willen voortdurend denken aan het herstelplan van God, om overwinnaars te zijn op de boze geesten in eigen leven, in eigen gezin, in eigen gemeente, in eigen omgeving.

Wij staan aan de oever van een zee van glas met vuur vermengd. Tot het volk van de nieuwe dag klinkt het: ‘Zeg het hemelse Israël, dat het voorttrekt’. De strijd wordt zwaarder, maar wij oefenen ons om mede in het hemelse Armageddon de zegepraal te behalen, want het Woord van God blijft voortgaan, overwinnend, de overwinning tegemoet!