
Openbaring 22:1-5
‘En hij liet mij een zuivere rivier zien van het levenswater, helder als kristal, die uit de troon van God en van het Lam kwam. In het midden van haar straat en aan beide kanten van de rivier bevond zich de levensboom (levenshout), die twaalf vruchten voortbrengt, van maand tot maand geeft Hij Zijn vrucht. En de bladeren van de boom zijn tot genezing van de heidenvolken’ 1,2.
Voor het laatst wordt de gemeente aan Johannes in een visioen getoond. Het beeld is nu niet meer een tempel, maar een paradijs. De Woorden van God begonnen met een aards paradijs en eindigen met een hemelse tuin. Op het tempelplein ziet Johannes nu geen tempel, maar de hof van Eden. Hier wordt de gemeente dus als een tuin voorgesteld. Paulus was ook eenmaal in geestvervoering in dit paradijs en hij zag daar onuitsprekelijke dingen. Het accent valt nu op de laatste functie van de gemeente in de voltooiing van het nieuwe Jeruzalem. In het vorige gezicht werd de gemeente uitgebeeld door het stralende licht waarbij de volken wandelden. Nu valt de aandacht op de gemeente als het levensgeboomte. Er staat letterlijk ‘het levenshout’. Hier kunnen één of meer bomen mee worden bedoeld, maar de uitdrukking ‘aan beide kanten’ doet denken aan een verzamelnaam, dus aan ‘geboomte’. Dit komt dan overeen met het visioen in Ezechiël 47:12, waar staat: ‘Aan de oevers van de rivier zullen allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan de bladeren niet zullen verwelken en de vruchten niet zullen opraken; elke maand zullen ze vrucht dragen. Het water stroomt immers uit het heiligdom. De vruchten zullen eetbaar zijn en de bladeren geneeskrachtig.’
De priester-profeet had deze tempel niet beschreven omdat hij eenmaal op aarde zou worden gebouwd, maar zodat het volk van de Heer, wáár het zich ook bevond, zich voortdurend met dit model zou bezighouden, om zo de geestelijke betekenis en de geestelijke realiteit ervan tot zijn eigendom te maken. Juist omdat deze tempel nooit op aarde zou worden gebouwd, werden de gelovigen gedwongen tot het bedenken van de dingen die boven waren. Zij moesten: ‘nameten’ of ‘naspeuren op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde’ (1 Petr.1:10). De nieuwtestamentische christenen moeten op dezelfde manier Jezus Christus zien als de Hogepriester van de toekomende goederen en de schaduwachtige zaken van een tempel (die op de aarde nooit gezien zou worden) transponeren naar de hemelse gewesten. Het levensgeboomte draagt rijpe vruchten en deze dienen tot geestelijk voedsel voor de volken en hun bladeren tot genezing.
Het ontspringen van de levensrivier uit de troon van God en het Lam

Het levensgeboomte komt overeen met de Levensboom die in het paradijs van God is’ (2:7). De gemeente van overwinnaars is immers gelijkvormig aan het beeld van de Zoon. Haar leden zijn aan Hem gelijk (1 Joh.3:2). De vruchten wijzen op het eeuwig evangelie dat door hen ook nog op de nieuwe aarde wordt gebracht en de bladeren op de ontplooiing van de geestelijke gaven, waardoor allen die beschadigd ingingen, volkomen zullen herstellen. Een voorname plaats in de hof neemt de stroom van levend water in, een beeld van Gods Geest die uitgaat van de Vader en de Zoon. Dit wordt voorgesteld door het ontspringen van deze rivier uit de troon van God en het Lam. Het is leven verwekkend, helder water dat de hof besproeit en deze tot groei en volheid brengt. Gods Geest voedt en bekrachtigt de gemeente, zodat deze een gezond en krachtig geboomte is. Voor iedere zoon van God geldt: ‘Hij zal zijn als een boom, geplant aan stromend water. Op tijd draagt hij vrucht, zijn bladeren verdorren niet. Alles wat hij doet komt tot bloei’ (Ps.1:3). Alle bomen zijn het hele jaar groen en alle dragen voortdurend vrucht, wat in het beeld voorgesteld wordt door niet eenmaal per jaar, maar eenmaal per maand, dus twaalf keer per jaar vrucht voort te brengen.
‘En geen enkele vervloeking zal er meer zijn. En de troon van God en van het Lam zal daar zijn en Zijn dienstknechten zullen Hem dienen en zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofd zijn’ 3,4.
In het hemels paradijs is geen slang, want deze hof ligt binnen de poorten van het nieuwe Jeruzalem. Naar de voorspelling van Zacharia 14:11 zal er geen ban meer in deze stad zijn. Vervloeken betekent: overleveren aan de satan en zijn demonen en de invloeden van het rijk van de duisternis. In dit paradijs is niets meer dat aan de satan toebehoort of aan de demonen herinnert. Alleen God zal er zijn en het Lam, dat is Christus met zijn gemeente. Want ook zij zitten op dezelfde troon als het Lam, zoals gezegd werd: ‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon’ (3:21). Het eigenlijke heiligdom van de stad is de troon van God. Hier is Hij zichtbaar tegenwoordig onder zijn uitverkorenen. De dienaars zijn de rechtvaardigen uit de volken. Zij zijn met God en het Lam door een band van eeuwige liefde en verering verbonden. De naam van God is op hun voorhoofden als teken, dat zij voor eeuwig bij Hem horen. In het oude verbond kon niemand Gods aangezicht zien en leven, maar nu zijn zij in eeuwigheid als geestelijke mensen in zeer nauw contact met Hem, ziende zijn Aangezicht, wat de hoogste graad van geluk betekent.
Waarschuwingen en beloften
‘En daar zal geen nacht zijn en zij hebben geen lamp en ook geen zonlicht nodig, want God verlicht hen. En zij zullen als koningen regeren in alle eeuwigheden’ 5.
Opnieuw wordt gezegd dat de tijd van de duisternis voorgoed voorbij is. De eindeloze eeuwen zijn aangebroken, waarin God alles in allen is. De rechtvaardige volken zijn hersteld en in bezit genomen door de Geest van God, want er staat: ‘God, de Heer, zal hun Licht zijn.’ De volken zullen dan van buitenaf niets meer nodig hebben om licht en leven te bezitten. Iedere rechtvaardige zal als koning heersen over de werken van Gods handen.
Het beest en de valse profeet voor eeuwig naar de vuurpoel gevlucht

De uitdrukking ‘tot in alle eeuwigheden’ staat ook in hoofdstuk 20:10, waar vermeld wordt dat het beest en de valse profeet dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden. Er is geen vernietiging in de geestelijke wereld en geen alverzoening. Er is een eindeloos geluk en een eeuwig ‘wee hen!’ Eindelijk is de voltooide mens van God tevoorschijn gekomen, een geestelijk mens, een koning en heerser over al de werken van Gods handen. Het Woord van God (Gods Logos, Joh.1:1), dat uitging, overwinnende en om te overwinnen, heeft Zijn loop voleindigd om het herstelplan volledig uit te voeren. De uitverkorenen zijn zelfs meer dan overwinnaars geworden, want ze zijn nu mee regeerders op de troon van God.
Eenmaal zei de Schepper tot de engelen: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. God werkte met zijn Geest en de goede engelen als medewerkers met wie Hij zijn plan kon uitvoeren en daarna met de mens zelf. De eerste Adam was alleen medewerker van God voor zover hij mensen voortbracht. Maar van ‘naar ons beeld en als onze gelijkenis’ kwam niet veel terecht. Op zijn best kwamen er goede, natuurlijke mensen naar het beeld van Adam, die niet al te zeer bezet gebied werden en die nog ‘van nature dingen deden, die de wet gebiedt’, dus hun ingeschapen(!) geweten werkte nog (Rom.2:14).
De losprijs aan satan IS betaald

Opnieuw schiep God één mens, de laatste Adam. Hij deed dit door Maria heen. Tot haar werd gezegd: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis’. Maria werd in deze zaak een vrijwillige medewerkster, zij zei immers: ‘Laat het mij gebeuren naar uw (overwinnend) woord’. Jezus was het beeld van God (en geen 1/3e godheid). Ook was Hij in de gestalte van een mens. God was echter niet klaar met één mens die door ontwikkeling het doel had bereikt. Hij sprak immers in het begin over ‘mensen’. De ene mens zou de mensheid uit de macht van de satan loskopen, om zo de mogelijkheid te scheppen dat er veel zonen tot heerlijkheid zouden worden gebracht. Er zou bloed moeten vloeien als losprijs, zodat vervuld zou worden: ‘Wanneer Hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien’ (Jes.53:10).
Nadat Jezus Christus de mens vrijgekocht had, begon het herstel van alle dingen. De Vader gaf dit in handen van Zijn Zoon, want ‘het Lam is waardig de boekrol te openen’, waarin over de hernieuwde oprichting van alle dingen staat geschreven. Dit programma draagt de Vader over aan de Zoon als uitvoerder en deze wacht op de leden van zijn Lichaam, de gemeente, als medewerkers. Wanneer wij ons opstellen en demonen gaan weerstaan en uitwerpen, begint ook door ons het herstelproces en kan de beschadigde schepping geheeld worden. De zuchtende schepping ziet uit naar deze geopenbaarde zonen van God. Ook het opstaan tot een nieuw leven en het meedoen als medewerker van de nieuwe mens, gebeuren op vrijwillige basis.
Ook bij ons moet de instelling zijn: ‘Overeenkomstig Uw (overwinnend) Woord zal het gebeuren.’ Maria stelde zich vrijwillig beschikbaar voor de werking van Gods Geest om een Zoon voort te brengen die de Zoon van God genoemd zou worden. Het offer van Jezus was vrijwillig en onze keuze is ook vrijwillig. Niemand kan een mens dwingen om tot een geestelijk wezen te worden omgevormd, dus tot een zoon van God. God zei: ‘Laat ons mensen maken’. Deze mensen ontstaan, als wij het evangelie van het Koninkrijk van de hemelen brengen en dit woord in geloof wordt aangenomen en het in de inwendige mens gaat doen wat Hem behaagt en waartoe Hij het heeft gezonden. In Openbaring 12 lezen wij dat er een vrouw is, de ware gemeente, die een mannelijk wezen baart, beeld van de zonen van God. Op de uitspraak: ‘Laat ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis,’ heeft ook deze medewerkster dus haar inzet gegeven. Ook zij spreekt: ‘Overeenkomstig Uw (overwinnend) Woord’.
Johannes heeft ons laten zien, dat het Lam op de berg Sion stond, omringd door de 144.000, (geen Jehova’s Getuigen!) die gekocht zijn uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. In hun mond is geen leugen gevonden en ze zijn onberispelijk. Ze zijn dit geworden na hun herstel door een ontwikkelingsproces. Dit symbolische aantal zal in staat worden gesteld om in het vrederijk en op een nieuwe aarde de herschepping tot volkomenheid te brengen.
Er zijn vele miljarden mensen nodig om de rijkdom van de menselijke geest te openbaren. Daarom moest de mens zich vermenigvuldigen. Maar er is ook een ontelbare menigte nodig om de Geest van God een plaats te geven. Dan kan de Allerhoogste die woning in de mens heeft gemaakt, Zich volledig kwijt aan de mensheid. Deze moet zich daartoe niet alleen vermenigvuldigd hebben, maar ook tot ontzaglijke hoogte in de geestelijke wereld zijn gestegen om dit mogelijk te maken. Miljoenen jaren zullen voorbijgaan voordat God alles in allen is. Wat een opdracht hebben deze koningen, met wie Johannes zijn visioenen over de herschepping besluit. Nadat zijn herstelplan in hen, met hen en door hen beëindigd is, blijven zij in alle tijdperken koningen om de gedachten van de eeuwig creatieve Schepper over te nemen en uit te voeren. Wat een toekomst, wat een heerlijkheid, wat een onvoorstelbaar geluk wacht allen die volharden tot het einde!